Home

Vijftig jaar na het eerste stockholmsyndroom wordt de term meestal verkeerd gebruikt: ‘Er moet oprechte sympathie zijn’

Het is donderdag 23 augustus 1973 als een man met een pruik en een zonnebril de Zweedse kredietbank aan de Norrmalmstorg binnenstapt. Onder zijn jas heeft hij een machinegeweer verstopt. Hij haalt hem tevoorschijn en schiet in het plafond. Met een overduidelijk nep-Amerikaans accent zegt hij: ‘Het feest is begonnen.’

Het is de 32-jarige Jan-Erik Olsson, een crimineel die op proefverlof is. Die donderdagochtend is het startpunt van een zes dagen durende gijzeling die de geschiedenisboeken zal halen. Want niet alleen is het de eerste keer dat een gijzeling te volgen is op de Zweedse tv, het is ook de gijzeling waarbij voor het eerst het ‘stockholmsyndroom’ wordt geconstateerd – al heet het aanvankelijk nog het Norrmalmstorg-syndroom, vernoemd naar de plaats delict.

De gijzelnemer heeft drie eisen: hij wil 3 miljoen Zweedse kronen (zo’n 250 duizend euro), een vluchtauto én hij wil dat zijn gevangenismaatje Clark Olofsson (26) hem komt vergezellen in de bank. Olofsson, die op dat moment nog vastzit, is een beruchte Zweedse crimineel. Hij heeft een reeks opvallende misdaden gepleegd: zo stal hij als tiener groente en fruit van de Zweedse premier. Daarnaast is hij bijzonder charmant.

Zo charmant, dat hij ook wel ‘de vader van het stockholmsyndroom’ wordt genoemd. Want nadat de politie op 28 augustus 1973 de gijzeling beëindigt met behulp van traangas, nemen de gegijzelden en de gijzelaars al knuffelend afscheid. Vanaf haar brancard zegt de 23-jarige bankmedewerker Kristin Enmark tegen Olofsson dat ze hem snel weer zal zien. En in de jaren erna blijven ze contact houden.

Sindsdien, zegt psycholoog Ellen Giebels (54), ‘is het stockholmsyndroom een term die te pas en te onpas gebruikt wordt. Terwijl er meestal helemaal geen sprake van is.’ Ze is hoogleraar bij de Universiteit Twente, en gespecialiseerd in onder meer gijzelingen en politieonderhandelingen.

‘Het is lastig dat met zekerheid te zeggen. Maar via de bestaande literatuur en mijn internationale netwerk, kom ik uit op maar twee zaken die daar echt voor in aanmerking komen. Dat is die van Kristin Enmark, en die van Patty Hearst. Daarnaast zijn er misbruikzaken, die er kenmerken van hebben.’

Patty Hearst, kleindochter van een Amerikaanse mediamagnaat, werd in 1974 gekidnapt door het Symbionese Liberation Army. Maandenlang werd ze vastgehouden. Uiteindelijk raakte ze zo verweven met de groep dat zij samen met haar gijzelnemers een bank beroofde.

Giebels: ‘De Amerikaanse psychiater Frank Ochberg was betrokken bij de zaak van Hearst. Hij had ook al van de Zweedse zaak gehoord, dat was reden voor hem om dit het stockholmsyndroom te noemen. De advocaten van Hearst hebben dit vervolgens aangevoerd bij haar verdediging. Maar ze werd gewoon veroordeeld wegens een bankoverval.’

‘Het slachtoffer moet oprechte sympathie voor de dader voelen. Dat zag je bijvoorbeeld in de zaak van Clark Olofsson. Kristin weigerde achteraf tegen hem te getuigen. Daarnaast verlaten gegijzelden hun eigen normen- en waardenpatroon, zoals Patty Hearst deed toen zij ook een bank overviel.’

‘Ja, en zodra er iets van een band is tussen mensen van wie je niet verwacht, wordt al snel gezegd: oh, dat moet het stockholmsyndroom zijn. Terwijl dat helemaal niet hoeft. Ik heb verhalen gehoord van slachtoffers die een mandarijntje hebben gedeeld met hun gijzelnemer, of een sigaretje met hem hebben gerookt, gelachen hebben of foto’s hebben laten zien.

‘Dat betekent niet meteen dat ze sympathie hebben voor de dader. Het kan ook pragmatisch zijn. Je zit in een acute stresssituatie, je leven staat op het spel en je bent afhankelijk van de gijzelnemer. Het is heel verstandig om dan een goede verstandhouding te kweken en te laten zien dat jij óók een mens bent.

‘Mensen die naar conflictgebieden gaan waar een risico op kidnapping is, adviseren we ook altijd om een foto mee te nemen. Geen foto van jezelf voor je grote huis of dure auto, want dan gaat het losgeld omhoog, maar een foto met bijvoorbeeld dierbaren, waaruit blijkt dat je net bent zoals zij, iemand met mensen die om je geven. Want het is wederkerig: ook daders kunnen een band krijgen met de slachtoffers.’

In 2019 vertelde Clark Olofsson in de podcast Criminal dat hij, nadat hij uit de gevangenis was gehaald en naar de bank in Stockholm was gebracht, meteen tegen de gegijzelden zei: ‘We gaan dit oplossen’. Bij Kristin Enmark sneed hij bovendien de touwen los waarmee ze was vastgemaakt. ‘Ze keek me heel dankbaar aan. Ze was een heel lief meisje. Ze denkt nog steeds dat ik haar leven heb gered’, aldus Olofsson in de podcast.

Wat je in die Zweedse zaak zag, zegt Giebels, ‘is dat de gegijzelden zich mede hierdoor tegen de politie hebben gekeerd’.

‘Ja, vaak hebben politieonderhandelaars ook contact met de gegijzelde, bijvoorbeeld omdat de telefoon even wordt doorgegeven. En het kan zijn dat een gegijzelde even niet meewerkt. Denk dan als politieonderhandelaar niet meteen dat er sprake is van het stockholmsyndroom. Het kan ook voortkomen uit pragmatisme. Daarnaast moet je heel duidelijk maken dat je er voor hén bent, en dat de politie er alles aan doet om de zaak tot een goed einde te brengen.’

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next