Home

‘Johan en ik moesten zijn ouders inlichten. We reden met lood in onze schoenen naar het adres’

‘Twee vrienden waren van de weg geraakt in een gehuurde sportwagen. Ze stonden in Rijswijk met een volledig ingedeukte zijkant tegen een boom. Ik zeg altijd: je kunt beter tegen een lantaarnpaal rijden, want die knakt. Een boom wijkt niet.

‘Mijn collega Johan bekommerde zich om de bijrijder, ik hield de bestuurder, een jonge vent, aan de praat. Je zag weinig aan hem, maar je zag dat hij pijn had. ‘De ambulance is onderweg’, zei ik. We hadden ook de brandweer ingeseind om hem los te komen knippen, want hij zat bekneld in zo’n typisch sportwagenkuipstoeltje. Hij sprak moeizaam en kortademig, en zakte af en toe een beetje weg. Ik stelde hem vragen om hem af te leiden – Hoe heet je? Waar komen jullie vandaan? – en schreef de antwoorden op in mijn blauwe boekje. Hij woonde nog thuis. Ze hadden een mooie tocht naar Zwitserland gemaakt.

‘Het was een simpele, eenzijdige aanrijding, niks spectaculairs. Maar later die avond zei de wachtcommandant dat die bestuurder in het ziekenhuis was overleden. Dat had ik nooit verwacht.

‘Johan en ik moesten zijn ouders inlichten. We reden met lood in onze schoenen naar het adres dat ik had opgeschreven. De gordijnen zaten dicht, er brandde geen licht, ze sliepen al. Ze deden in pyjama open en wij, twee piepjonge broekies nog, moesten ze gaan vertellen dat hun zoon was verongelukt. Dat gaf natuurlijk een enorme schok. Ze waren stil, het drong nog niet echt door. Ik liep naar de keuken en haalde voor hen beiden een glaasje water. Daarna kleedden ze zich aan en reden ze met ons mee naar het ziekenhuis.

‘Hun zoon lag in het mortuarium op een brancard. Toen de verpleegkundige het laken terugvouwde, kwamen bij zijn ouders de tranen. Ik heb ook ouders, hun verdriet raakte me zeer. Je kind verliezen is een van de ergste dingen die je kunnen overkomen.

‘Diep in de nacht brachten we die mensen terug naar huis. We vroegen welke familie of bekenden we voor ze konden bellen – je laat zulke oudjes niet alleen achter. Nadat we alles hadden geregeld, gingen we naar huis. En dan gaat het leven gewoon weer verder. Met ongelukken, bekeuringen, burenruzies, suïcides.

‘Drie maanden later lag er een brief in mijn postkastje. Een heel mooi, ontroerend briefje van de moeder van die jongen. Ik zei tegen Johan: ‘Kom, we gaan even bij ze langs, even een bakkie doen. Dat is goed voor die mensen, maar ook voor ons. Dan kunnen we het afsluiten.’

‘Aan hun tafel in de woonkamer praatten ze veel over hun zoon, John. En ze vroegen: ‘Heeft hij pijn gehad?’ Ik vertelde dat hij nog in staat was om te praten, en dat het daarna allemaal heel snel was gegaan en ik daarom dacht dat hij niet veel had geleden. Dat vonden ze fijn om te horen.

‘Toen realiseerde ik me dat ik Johns antwoorden in mijn blauwe boekje had opgeschreven. ‘Willen jullie dit hebben?’, vroeg ik, en ik liet ze mijn aantekeningen zien. Dat wilden ze graag. Ik scheurde het blaadje uit mijn notitieblokje en legde het op tafel. Ze bedekten het met hun handen, alsof ze zo nog even contact met hun zoon hadden, met zijn laatste woorden.

‘Vorig jaar was ik veertig jaar in dienst. Mijn collega’s hadden een feestje voor me georganiseerd. Er waren wat toespraken en ik hield zelf ook een voordracht. Daarbij heb ik dat briefje van die moeder voorgelezen:

‘‘Lieve jongens. Het is nu alweer twaalf weken geleden dat onze John is verongelukt. Nu wil ik toch proberen jullie te schrijven. Die zondagavond en -nacht beleef ik nog elke nacht, ik kan het maar niet aanvaarden! Het is nog steeds niet te geloven dat hij nooit meer komt. Die lach! Die stoel, die plek aan tafel, zijn bed, alles blijft leeg. Het is zó stil geworden in ons huis. Deze brief kost mij heel veel tranen, maar ik wou jullie zelf schrijven. Wij willen jullie hartelijk danken voor alles wat jullie voor ons hebben gedaan, jullie zijn een paar fijne jongens. Ik hoop dat jullie een mooie toekomst tegemoet gaan. Nogmaals bedankt voor alles.’

‘Het is zo’n mooi, ouderwets handschrift, met een vulpen geschreven. Het raakt me. Nog steeds. Ik kon en kan het nu, 33 jaar later, niet voorlezen zonder vol te schieten. Dat briefje is destijds een soort moreel statuut voor me geworden. Ik zei na die voordracht tegen mijn collega’s: deze brief is waarom we bij de politie zijn gegaan. Of je nou korpschef bent of agent in de noodhulp: we zijn een baken van rust en vertrouwen voor burgers in moeilijke, ingrijpende situaties. Dit briefje laat zien waar we het allemaal voor doen.’

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next