Home

Ontbijten in de trein: stilte wordt pas ondraaglijk als er iemand tegenover je zit die smakt

Moderne verschijnselen; we komen er in om. Maar we hoeven ons er toch niet altijd bij neer te leggen? Er zijn zaken waar we ons tegen ­kunnen – nee, móéten – verzetten. Deze week: het is tijd ook het laatste bastion van onze Hollandse haastmaatschappij te lijf te gaan.

Nu er een discussie is losgebarsten over het nut van het predicaat cum laude, dat studenten vooral stress zou bezorgen, en zelfs het Nederlands olympisch comité besloot medailles niet langer heilig te verklaren omdat het sporters nodeloos onder druk zou zetten, is het tijd ook het laatste bastion van onze Hollandse haastmaatschappij te lijf te gaan: ontbijten in de trein.

Ik zat in een volle stiltecoupé en van buitenaf kletterde een droevige regen tegen de raampjes. Echt vroeg was het niet meer – het liep tegen het einde van de ochtendspits – maar toch werd ik nog door slaap omhuld.

Bijna kukelde ik in slaap tot er opeens, het zal ergens bij Driebergen zijn geweest (of Zeist, daar wil ik van af wezen), een onverjaagbare geur mijn neus binnendrong. Ik keek om me heen, op zoek naar de bron van mijn wrevel, en zag bij het raampje linksvoor een man zitten. Hij was een reeks eieren aan het pellen die hij, eenmaal glad en kaal, gulzig zijn mond in propte.

Stilte wordt pas ondraaglijk als er iemand tegenover je zit die smakt, dacht ik.

Er zijn een aantal problemen met ontbijten in de trein. Ten eerste zorgt het voor overlast bij je medepassagiers, wat het een in essentie onbeschaafde bezigheid maakt. Beschaving is immers de mate waarin een individu zijn eigen driften weet te onderdrukken ten faveure van zijn omgeving, en deze man was daar bijster slecht in. Zijn gesmak klonk als het stuiptrekken van een stervende. En zo zag het er eerlijk gezegd ook uit. En nu ik er zo over nadenk: zo rook het ook.

Verder lieten zijn tupperwarebakjes vol eieren en havermout, begeleid door een plastic beker karnemelk, zien dat we in dit land een collectief eetprobleem hebben. Waarom zouden we anders elke dag in de diepvries bewaarde boterhammen beleggen met een plakje voorgesneden kaas, om dat ’s avonds af te toppen met tot snot gekookte broccoli die we zonder verdere toevoeging naar binnen werken alsof we paarden zijn?

Maar het belangrijkste defect dat ontbijten in de trein blootlegt, is dat we een veel te gejaagd volk zijn. Ontbijten zou een prettige bezigheid moeten zijn, waarbij we de tafel dekken, onze huisgenoten voor het eerst die dag diep in de ogen aankijken, om vervolgens opgeladen en goedgeluimd aan de dag te beginnen.

Te veel Nederlanders doen dat niet. Zij zien eten als noodzakelijk kwaad. Zoals een auto benzine nodig heeft om te kunnen rijden, zo hebben zij ’s ochtends calorieën nodig om te kunnen werken.

In de trein ontbijten (of in dezelfde categorie: achter je computer lunchen) is daarmee hetzelfde als de hele dag wachten tot het vijf uur is, wanneer je eindelijk naar huis mag om te ontspannen. Of de hele werkweek uitkijken naar het weekend, wanneer er eindelijk wat leuks op de planning staat. Of nog erger: de dagen tot je vakantie aftellen, omdat je dan eindelijk tijd voor je gezin hebt. En het meest tragisch van allemaal: de jaren tot je pensioen uitzitten, omdat dan eindelijk de tijd aanbreekt je dromen na te jagen.

Ik keek naar de schransende man in de trein en had hem graag verteld dat je voor echt geluk alles uit het leven moet proberen te halen, in plaats van er zoveel mogelijk in te stoppen. Maar uiteindelijk besloot ik mijn mond te houden. Ik had geen zin in een confrontatie en bovendien was het pas maandag. Ik moest nog de hele week.

Source: Volkskrant

Previous

Next