Home

De landbouwrevolutie als bron van ellende? Meer en meer onderzoek vindt zo’n duidelijk kantelpunt niet

Waren we maar in de natuur gebleven. Rondrennend, jagend, verzamelend. Altijd in beweging, gezond, en in relatieve vrijheid. Met de komst van landbouw ging het bergafwaarts, kun je je voorstellen: mensen begonnen planten te verbouwen en dieren te houden. Daarmee ontstonden voedseloverschotten, steden vol infecties, en ruzies over eigendom, macht en ongelijkheid.

Althans, dat is de strekking van het verhaal dat al jaren rondgaat in bestsellerboeken in de zogeheten Big History-stijl, die de geschiedenis van de mensheid beschrijft in grote keerpunten. Zo schrijft Yuval Noah Harari in zijn boek Sapiens dat de overstap van jagen en verzamelen naar landbouw, zo’n 12 duizend jaar geleden, één groot ‘bedrog’ was: we werden er niet beter van. Daarmee treedt hij in de voetsporen van Jared Diamond, die ruim tien jaar eerder de landbouwrevolutie omschreef als de ‘grootste fout ooit’.

Dat zou je dan ook terug moeten zien in opgravingen: gezonde en fitte jager-verzamelaars in het verre verleden en miserabele huisje-boompje-beestjemensen na de revolutie, waarbij vrouwen het steevast slechter hadden. Dat is niet wat wetenschappers de laatste jaren tegenkomen. ‘Er is geen enkel punt waarop je kunt zeggen: hier ging het mis’, zegt emeritus hoogleraar Ian Hodder van Stanford-universiteit. Hodder leidde decennialang opgravingen naar het stadje Catalhöyük in Turkije, waar de grenzen tussen jagen en verzamelen en de landbouwrevolutie compleet door elkaar lopen. ‘Als je het mij vraagt, is er nooit een revolutie of keerpunt geweest.’

Hodder is niet de enige. Meer en meer onderzoekers vinden geen duidelijk landbouwkantelpunt in de geschiedenis, zegt ook hoogleraar archeologie Daan Raemaekers van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG). ‘Je kunt hooguit zeggen dat de samenleving van nu complexer is georganiseerd dan vroeger. Maar per periode en regio verschilden mensen onderling enorm in hoe ze leefden.’

Dat de landbouw enorm veranderde hoe mensen leven, eten en omgaan met elkaar en hun omgeving, betwijfelt niemand. Maar de laatste jaren groeit het inzicht dat het ook weer niet zo’n plotselinge stap naar ellende was als onderzoekers tien jaar geleden dachten. Het is dus ook niet zo dat mensen automatisch een beter bestaan zouden hebben als ze de landbouw maar zouden afzweren en weer gaan rondtrekken in de natuur. De nieuwste inzichten op een rij, in drie misverstanden.

Neem gezondheid. Evolutiebioloog en geschiedschrijver Jared Diamond schreef in zijn bestseller Zwaarden, paarden en ziektekiemen dat mensen die kozen voor een boerenbestaan, steeds slechter aten. Met tjokvolle graanschuren kwamen ook de broodeters, die minder voeding uit de natuur haalden. Junkfood lag zogezegd om de hoek.

Maar die overgang valt niet zomaar te bewijzen, zegt ethno-archeobotanist Sonja Filatova, een collega van Raemaekers. ‘Archeologen komen nou eenmaal veel graankorrels tegen op plekken waar mensen langere tijd op één plek zijn gaan wonen. Andere voedselresten blijven minder goed bewaard. We weten daardoor maar een deel van wat mensen vroeger allemaal precies aten.’

Toch is volgens Diamond de stap naar landbouw scherp te zien in een ongezondere lichaamsbouw: de opgegraven skeletten van jager-verzamelaars in Griekenland waren bijna 10 centimeter langer dan de lichamen van latere boeren en dorpsbewoners.

Begin dit jaar stelde een internationaal antropologenteam in het tijdschrift PNAS dat het ingewikkelder ligt. Ze vergeleken de grootte van duizenden skeletten van 366 vindplaatsen door Europa en Azië, en noteerden ook in hoeverre die mensen landbouwachtige zaken beoefenden, zoals graan verbouwen en boerderijdieren houden. Wat blijkt: in sommige regio’s bleven mensen even groot terwijl ze meer landbouw gingen bedrijven, en waar mensen melk begonnen te drinken werden ze zelfs langer.

Opvallend: nog vóór mensen begonnen aan een gesetteld leven met gewassen en vee, krompen ze op sommige plekken al in lengte en lichaamsgewicht, zien de onderzoekers. Dat ligt dus niet per se aan landbouw. Dat viel de Britse archeoloog Karen Wright van University College London ook al eens op: vanaf minstens vijftigduizend jaar geleden zijn mensen steeds minder stevig gebouwd. Waarom is onduidelijk, maar volgens sommige theorieën maakte jachtgereedschap het minder noodzakelijk om beresterk te zijn; ook gingen mensen meer planten koken, wat krachtmetingen met grote dieren vaker overbodig zou hebben gemaakt.

Dat maakt ook het idee van een plotse overgang van gezond naar ongezond eten onwaarschijnlijk. Onderzoek aan prehistorische gebitten bevestigt dat enigszins. De opvatting onder veel wetenschappers was altijd: met graan en broodbakkerijen kwamen ook de gaatjes in de kiezen. Maar jager-verzamelaarskeletten, gevonden in een ruim 14 duizend jaar oude grot bij het plaatsje Tarofalt, Marokko, vertellen een ander verhaal, aldus een andere studie in PNAS. Liefst 49 van de 52 lichamen van de ‘natuurlijk’ levende mensen hadden een slecht gebit, met gaatjes in grofweg de helft van hun tanden.

Gaatjes krijg je van meer dan alleen broodmeel, schrijven de onderzoekers. Deze mensen maakten meel van wilde planten. Daarvan worden nu ook vaker restjes gevonden. Met stenen verpulverden de jager-verzamelaars eikels en pijnboompitten tot een soort koek. En ja, ook die moet aan de tanden hebben geplakt.

In Marokko maalden ze noten. In Midden-Amerika maalden ze maïs. In Azië maalden ze knollen. Met zulke vondsten kom je op een heel andere vraag, zegt Hodder. Namelijk: wat mag landbouw heten? ‘Als je kijkt naar de manieren waarop mensen steeds intensiever planten bewerken en dieren gebruiken, dan is dat proces al zeker 20 duizend jaar geleden begonnen.’

Landbouw begon dus niet zomaar op één plek en op één manier, in een revolutie vanuit het Midden-Oosten. Mensen experimenteerden overal ter wereld met landbeheer, is nu de consensus.

‘Toen de Europese kolonisten arriveerden in Australië, dachten ze wilde natuur te zien met jager-verzamelaars’, zegt Hodder. ‘Maar als je het nu een Australische archeoloog vraagt, zal die zeggen dat Australië één groot boerenlandschap was. De Aboriginals hadden een heel precies idee van de manieren waarop ze planten en dieren wilden beheren. Ze brandden het land op bepaalde plekken om er bepaalde soorten te laten groeien.’

De landbouwexperimenten gaan ver terug. Zo blijkt dat mensen in het huidige Mexico al tienduizend jaar geleden pompoenen verbouwden, kort daarna ook maïs kweekten en veel later ook bonen oogstten. In Nieuw-Guinea kruisten mensen bananenplanten, zo’n zevenduizend jaar geleden. En steeds zonder enige kennis van wat de eerste graan- en geitenboeren in het Midden-Oosten uitspookten.

Maar bij dat alles moet je je geen eureka-moment voorstellen, zegt Raemaekers. ‘Er zijn veel gemeenschappen geweest die op de wip zaten en niet voor één leefwijze kozen’, vertelt hij. Jager-verzamelaars proefden waarschijnlijk vaak even aan het landbouwleven, maar besloten er toch vanaf te zien of niet volledig te settelen als boer. ‘Je doet het niet eventjes, succesvol boer zijn. Je moet het serieus aanpakken, want voor je het weet mislukt je oogst of wordt die door beesten opgevreten.’

Het is ook niet zo dat mensen heel bewust grassen zoals tarwe en rogge naar hun hand wisten te zetten, zegt Filatova. ‘Je kunt je voorstellen dat mensen merkten dat bepaalde planten op een veldje makkelijker te bewerken en oogsten waren. Bij tarwe kan dat proces drieduizend jaar hebben geduurd voordat je iets kreeg dat op de planten van nu leek.’

Sommige dingen staan buiten kijf: ergens gedurende de geschiedenis vergaarden mannen meer macht en maakten ze vrouwen ondergeschikt. En landbouw, zo gaat het verhaal, is daarvan de belangrijkste oorzaak. Terwijl mannen begonnen te strijden om landbouwgrond en vee, werden vrouwen gereduceerd tot moeders die de kinderen groot moesten brengen; er was immers plotseling genoeg eten om er altijd voor de kinderen te zijn. Het is een bekende gedachte, die onder meer voorbijkomt in De waarheid over Eva van antropoloog Carel van Schaik.

Maar ook hier is de overgang niet zo duidelijk. Dat mannen sterker zijn en daarom meer landbouwmiddelen konden beheren, zien onderzoekers weinig terug. Mannen ploegen wel vaak het land. Maar vrouwen doen in de landbouw ook zwaar werk. Filatova: ‘Toen ik onderzoek deed in Irak zag ik vrouwen graan vermalen. Die vrouwen zijn echt sterk. Ze tillen een enorme maalsteen boven hun hoofd en laten die hard op het graan knallen.’

Archeologen vinden ook weinig aanwijzingen voor ongelijkheid die door landbouw in de hand is gewerkt, zegt Raemaekers. Mannen en vrouwen van de eerste boerencultuur in Nederland, de bandkeramiekers, werden zo’n zevenduizend jaar geleden min of meer gelijkwaardig begraven, laat recent Leids onderzoek zien. ‘Wat dat precies betekent weten we niet’, zegt Raemaekers, ‘maar het lijkt erop dat zo’n genderrol, man of vrouw, niet van belang was op het moment dat iemand kwam te overlijden.’

Of de bandkeramiekvrouwen tijdens hun leven gelijkwaardig waren aan mannen, valt op deze manier moeilijk te bewijzen, waarschuwt Raemaekers. ‘Stel Source: Volkskrant

Previous

Next