Home

Simone Kleinsma: ‘Theater, televisie, film, radio, ik kan nog zoveel doen, ik kan ook niks anders’

Haar carrière speelde zich vooral af in de musicalwereld, waar Simone Kleinsma geldt als de koningin van het genre. Toch kan ze het publiek nog niet missen en zijn er plannen genoeg. De zegeningen van het ouder worden, nu ze haar 65ste verjaardag heeft gevierd, kan ze niet zo waarderen. ‘Ik ben soms gezond jaloers op mensen die alles nog vóór zich hebben.’

Schaterlachend en met het enthousiasme van een bekeerling die nog maar kort geleden het licht heeft gezien, vertelt Simone Kleinsma over het cadeau dat ze in mei voor haar 65ste verjaardag van haar vrienden kreeg: een elektrische fiets. ‘Er ging een wereld voor me open. O, wat is dat lekker, wat is dat lekker.’

Ze had haar vrienden er zelf om gevraagd. ‘Anders weet ik het wel weer, dan had ik allerlei prullaria gekregen terwijl mijn huis al dichtslibt.’ Ze moest er wel iets voor overwinnen. ‘Ik moet een gewone fiets blijven gebruiken, dacht ik altijd, ik ben niet gek, wat moet ik met zo’n ding? Anders doe ik helemaal niks meer aan mijn conditie.’

Nu fietst ze vanuit Blaricum fluitend naar Eemnes (‘Goedemiddag, je bent er zo’) en naar het graf van haar man, en trotseert ze moeiteloos het stuk vals plat naar Huizen. ‘Ik lach erom.’ Het is ook de leeftijd hè, zegt ze, met licht chagrijn.

Thee, chocolaatjes en cake in het Gooi, in het huis in Blaricum waar ze in 2010 met haar man, regisseur Guus Verstraete, kwam wonen. Hij overleed in 2017, plotseling, aan hartproblemen. Ze waren 27 jaar getrouwd. Rouw, verdriet en hoop waren de thema’s in Verder, een veelgeprezen voorstelling, tevens haar meest persoonlijke, die Kleinsma vorig jaar afsloot.

Haar carrière in vooral de musicalwereld omspant ruim 45 jaar. Kleinsma zat nog op de Kleinkunstacademie toen ze in 1977 samen met medestudent Leoni Jansen door Gerard Cox werd gevraagd voor de voorstelling Niemand weet, niemand weet, dat ik Repelsteeltje heet.

Het was het begin van een bejubelde loopbaan. ‘Met recht en reden de koningin van de musical’, oordeelde de Volkskrant vorig jaar over haar. In een recensie van Was getekend, Annie M.G. Schmidt (2017) schreef theaterjournalist Hein Janssen over Kleinsma: ‘Dat zij een fantastische zangeres is, weten we intussen, maar ook haar acteren is in deze productie voorbeeldig: goed getimed, soms bijna achteloos en op een grappige manier laconiek.’

In een lovende recensie over haar tv-programma Klassiekers met Kleinsma werd ze onlangs ‘onze ideale tv-moeder’ genoemd. Haar grootste publiek had ze al eerder bereikt, eind jaren negentig, met haar hoofdrol in de tv-komedie Kees & Co.

Komend najaar staat ze in haar 35ste – ongeveer, iedereen is de tel kwijt – voorstelling, De hospita, waarin ze een oudere vrouw speelt, Madeleine Coutard. Zij is een ooit gevierde revuester en comédienne die worstelt met de moderne tijd en die door drie jonge studenten wordt geconfronteerd – aldus producent Medialane – met thema’s als ‘gendernormen, klimaatproblemen en havermelk’.

Op initiatief van Medialane werd De hospita speciaal voor haar geschreven. Het bedrijf heeft 2023 uitgeroepen tot jubileumjaar van Kleinsma. Achter Medialane gaat Iris van den Ende schuil, de dochter van Joop – die laatste is, behalve vriend en sinds jaar en dag de bewaker van haar loopbaan, ook nog steeds Kleinsma’s mentor.

En ze is dus 65 geworden, niet tot haar genoegen. ‘Ik vind het gewoon idioot, 65. Ik denk er soms aan om te verhuizen, om in een huis zonder trappen te gaan wonen. Ik moet vooruitdenken. Dat is wel zo slim, hè. Het idee dat ik over vijf jaar 70 ben, is helemaal idioot. Heb jij dat niet?’

‘Ik begrijp het gewoon niet. Net zoals zoveel oudere mensen ben ik 40 in mijn hoofd. Alleen mijn lijf zegt iets anders.’

‘Goed, weer. Er is altijd wat. Ik heb een nieuwe heup. Een knieoperatie kan ik nog even uitstellen. En ik ben aan mijn voet geopereerd.’

‘Ik was er doorheen gezakt. Ingewikkeld medisch ding. Alles was gescheurd.’ Lachend: ‘Mijn tenen kregen reacties, die stonden ineens krom, heel raar was dat. Het is allemaal rechtgezet, dus ik kan er weer een paar jaar tegen. Ik train hard hoor, om fit te blijven, maar ik heb al die jaren natuurlijk behoorlijk roofbouw gepleegd, met hakken op schuine theatervloeren en zo. Daarvan ondervind ik nu de gevolgen. Het verval gaat gelukkig geleidelijk, ik kan me erop instellen.’

‘Nee. Nooit. Ik pas me wel aan. Het dansen hou ik voor gezien. Ja, een steppie van Beppie, dat gaat nog prima.’

‘Zo noemen we dat. Een beetje meedeinen terwijl anderen achter je op het podium hun benen tot híér omhoog gooien. Dat krijg ik niet meer voor elkaar, terwijl het me vroeger geen enkele moeite kostte. Het is heel raar om oude beelden van mezelf terug te zien. Dan denk ik: ben ik dat? Heb ik dat allemaal gekund? Dat is mal. En confronterend ook.’

‘Zeker, zeker. Ik ben soms gezond jaloers, zo noem ik het maar, op mensen die alles nog vóór zich hebben, die in dezelfde producties spelen als waar ik dertig jaar geleden in stond. Ik had zó veel energie toen. Tómeloze energie, ik was met vijf dingen tegelijk bezig. Dat lukt me niet meer. Mijn hoofd zit ook sneller vol. Heel vervelend.’

‘De ervaring is er natuurlijk voor in de plaats gekomen. Ik wil niet zeggen dat ik beter ben geworden, maar wel rijker en rijper. Mijn rugzakje is veel gevulder dan twintig, dertig jaar geleden. Dat is geruststellend.’

‘Ja. Zeker als je zo’n heerlijke carrière als ik achter de rug hebt.’ Ze tilt haar arm op. ‘Mensen verwachten dat het niveau hier is, straks ook weer als we De hospita gaan spelen. O, leuk, leuk, leuk, zegt iedereen. En ik denk dan: o god, we moeten het nog maken, hoor.’

‘Ik ben geen type om met pensioen te gaan. Daar is het vak ook te afwisselend voor. Theater, televisie, film, radio, ik kan nog zoveel doen. Ik stap er niet uit, ik blijf in deze wereld. Ik kan ook niks anders.’

‘Ik vraag me weleens af waarom ik dit zo nodig moet doen. Waarom vind ik dit zo leuk? Het is toch een soort ‘Papa, kijk eens wat ik kan?’. En dat je dan als kind een koprol maakt en er enthousiast op wordt gereageerd; dat er wordt geklapt, voor jou. Goed zo, Simone!’

Nog steeds maakt ze ‘plannetjes’ met Joop van den Ende, de man die de voorstelling met Gerard Cox produceerde waarmee het voor haar in 1977 begon. Hij was haar manager en produceerde het merendeel van haar voorstellingen. Vermaard is het tienjarenplan dat ze in de jaren tachtig in New York met hem opstelde, op een servetje.

Mentor en vriend, noemt ze hem. ‘Onze vertrouwensband is onverwoestbaar. Niemand komt tussen ons. Het is geweldig dat zo’n man op mijn pad is gekomen. Maar het is wederzijds natuurlijk. Ik heb hem al die jaren ook heel veel gegeven. Dat weet Joop ook wel.’

Als dochter van een garagehouder aan het Frederiksplein groeide ze op in Amsterdam. Het is soms nog te horen, bijvoorbeeld als ze beduusd naar buiten kijkt en ziet dat de regen tegen de ramen beukt. ‘Het seikt van de regen.’

Als tiener hielp ze haar vader soms in de garage, aan de Esso-pomp. ‘Elke keer als ik benzine ruik, denk ik vanzelf terug aan die tijd.’ Het gezin, met een acht jaar oudere broer, Sandor (‘Goeie gozer’), verhuisde een paar jaar na haar geboorte naar Amsterdam-West. Haar moeder was huisvrouw. ‘Als we thuiskwamen van school stond de thee klaar, met een koekje of een stukje Mars.’

De traditionele rolverdeling werd verstoord toen haar moeder verkoopster werd bij C&A. ‘Op een dag zei ze dat ze iets met mij wilde bespreken. Wat zou je ervan vinden als ik zou gaan werken, vroeg ze. Ik was pas 12, maar ze vroeg aan mij of ik het goed vond. Dat vond ik zó lief.’

Haar ouders en andere familieleden waren lid van de plaatselijke operettevereniging, DOS, De Operette Spelers, ‘zo’n typische, naoorlogse gezelligheidsclub’. Haar moeder maakte de choreografieën, haar vader was zo getalenteerd dat hij werd gevraagd om zich aan te sluiten bij een professioneel gezelschap, De Hoofdstad Operette.

‘Hij deed het niet. Hij vond het te onzeker. Het liefst was hij dirigent geworden, maar dat is er natuurlijk nooit van gekomen, vanwege zijn gezin. Het artiestenvak stond niet goed bekend. Het is ook een raar en onzeker bestaan. Moeder, hang de was binnen, de komedianten komen eraan, zeiden ze vroeger.’

Ze nam elke gelegenheid te baat om de repetities en uitvoeringen van haar ouders bij te wonen, op jonge leeftijd al. ‘Het was de magie, de betovering om in iemand anders te kunnen stappen en je fantasie de vrije loop te laten. Als kind gooide ik thuis al de meubels aan de kant. Dan zette ik een balletplaat op en ging ik dansen, met een lap op mijn hoofd. In mijn hoofd was ik overal waar ik wilde zijn, mijn fantasie werkte op volle toeren.’

Kleinsma spiegelde zich aan Julie Andrews in The Sound of Music, ze zag de musicalfilm begin jaren zeventig talloze malen. ‘Dertien, veertien keer wel, ik was 12. Julie Andrews, man man. Ik wilde haar zijn en heb haar in de duinen heel vaak nagedaa Source: Volkskrant

Previous

Next