N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Radicalisering Osman moest voor de gemeente Gouda terroristen tegenhouden, maar werd uiteindelijk zélf verdacht. Zijn verhaal laat zien op welk hellend vlak Nederlandse radicaliseringsambtenaren zich begeven.
Een man van midden twintig meldde zich op badslippers bij de balie van het stadskantoor. Onder zijn djellaba droeg hij een spijkerbroek met opgerolde pijpen, zijn enkels ontbloot. Andere bezoekers, die op hun beurt wachtten, probeerden niet te lang naar hem te kijken, maar de man maakte dat lastig. Hij schreeuwde: „Wie denkt hier dat ik een terrorist ben?!”
Dat was Osmans eerste ontmoeting met Samir in 2015. Als radicaliseringsambtenaar van gemeente Gouda kende hij Samir alleen van papier, uit geheime dossiers, waar Samir als jihad-ronselaar werd omschreven. Osman wilde hem ontmoeten, om met eigen ogen te zien hoe gevaarlijk hij was. Dus nodigde hij hem uit op het stadskantoor.
Ruim zeven jaar na die eerste ontmoeting staat Osman in de deuropening van zijn kantoor. Het is begin 2023, Osman is geen veiligheidsambtenaar meer. Een van de eerste dingen die hij zegt is: „Ik had er nooit aan moeten beginnen.”
Osman vond dat Samir niet thuishoorde op de lijst
Honderden jongeren bleken in 2014 bereid hun leven in Nederland achter te laten om zich in Syrië aan te sluiten bij de terreurbeweging Islamitische Staat. Ze droomden van een leven volgens de sharia, in een land waarvandaan professionele onthoofdingsvideo’s de wereld over werden gestuurd. De Nederlandse overheid was er alles aan gelegen de geradicaliseerde jongeren in beeld te krijgen, om te voorkomen dat ze zich bij IS zouden aansluiten of, nog erger, een aanslag in eigen land zouden plegen. De geheime dienst en politie schaalden op. Ook gemeenten kregen, op aanwijzing van het kabinet, een rol in de terrorismebestrijding. Zij moesten informatie gaan verzamelen over extremisten uit hun stad en een plan bedenken om ze weer te deradicaliseren.
Een aanpak die nu pas wettelijk geregeld wordt: komende maand staat een wetsvoorstel op de agenda van de Tweede Kamer voor deze ‘persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten’. Die wordt inmiddels in heel Nederland door gemeenten toegepast op enkele honderden potentiële radicalen. Maar in 2014 was de aanpak nieuw. Veiligheidsambtenaren, tot die tijd verantwoordelijk voor de kermisvergunningen en parkeeroverlast, werden opeens ook extremismebestrijders.
Als voormalig politie-inspecteur en belijdend moslim leek Osman de ideale kandidaat om de radicaliseringsaanpak vorm te geven voor Gouda. Toen hij in april 2015 werd aangenomen, waren al meerdere Goudse jongeren uitgereisd naar het ‘kalifaat’. Bij zijn aantreden kreeg Osman een geheime lijst met zo’n veertig namen van geradicaliseerde inwoners, opgesteld door de politie en gemeente. De ambtenaar moest met die inwoners in gesprek, achterhalen wat er in hun leven speelde. Hij besloot iedereen op de lijst een uitnodiging te sturen voor een gesprek op het stadskantoor. Samir reageerde als eerste.
Dit is wat Osman over Samir las: dat hij als ronselaar bekendstond, dat er ‘signalen’ van radicalisering en jihadistisch gedachtengoed waren, al wist hij niet precies welke – details werden niet vermeld. Osman wist ook dat Samir twee kinderen had, maar in de daklozenopvang sliep.
Op de dag van hun eerste ontmoeting nam Osman de tierende Samir mee naar een glazen spreekkamer in het stadskantoor. Ook daar kalmeerde Samir niet. Hij schreeuwde dat hij Osmans adres zou vinden, dan zou hij hem thuis komen opzoeken. Hij vermoedde dat Osman een geheim agent was – hij had op internet gevonden dat Osman voorheen bij de politie werkte. Osman, die zich niet wilde laten intimideren, gaf Samir zijn adres. „Laat wel even weten wanneer je komt”, zei hij. „Ik woon er met mijn vrouw en kinderen, namelijk.”
Twintig kilometer verderop, in het streng beveiligde hoofdkantoor van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) in Zoetermeer, bestonden grote zorgen over Samir. Het jihadistische netwerk waar hij onderdeel van zou zijn, had al tientallen jongeren overgehaald naar Syrië te vertrekken. In een geheim politiedossier uit 2015 werden korrelige foto’s van mannen uit verschillende grote steden met zwarte lijnen aan elkaar verbonden. Bij de Goudse ‘cel’ stond een foto van Samir. De foto moet jaren eerder gemaakt zijn. Hij had er nog een strak ringbaardje en een puberale, onverschillige blik. Niet de Samir die Osman rond de zomer van 2015 leerde kennen: die Samir had een lange baard laten groeien en keek fel de wereld in.
Met zijn voorstel om thuis langs te komen, had hij Samir weten te ontdooien, merkte Osman. Er kwamen meer gesprekken op het gemeentekantoor, waarin hij Samir beter leerde kennen. Samir dankte zijn status binnen het radicale netwerk aan duiveluitdrijvingen. Met islamitische spreuken zou hij moslims kunnen bevrijden van djinns – slechte geesten die bezit van iemand kunnen nemen. Bij zulke behandelingen was het zaak dromen te achterhalen, daar las Samir betekenissen aan af. „Dromen die te maken hebben met dieren, de kleur zwart, vallen van hoge gebouwen of rennen, zijn meestal aanwijzingen dat er djinns zijn die in je fysieke lichaam wonen”, noteerde Osman in een gespreksverslag. Daarna reciteerde Samir tijdens het uitdrijven de koran. Zijn klanten moesten in een soort trance raken, alsof ze verlamd waren.
Samir leerde over duiveluitdrijving tijdens bijeenkomsten die hij met vrienden organiseerde. Dat deden ze in het Goudse buurthuis ’t Wiel. De avonden verliepen chaotisch, blijkt uit een verslag van een deelneemster, afkomstig uit een politiedossier. „De lezing zelf was niet goed, geen opbouw etc.”, schreef de toehoorder aan haar man, een Haagse ronselaar. „Maar de inhoud was wel interessant.” De politie zag jongeren die de bijeenkomsten bezochten een voor een naar Syrië vertrekken. Wat de indruk wekte dat er in het buurthuis werd geronseld, maar bewijs daarvoor was moeilijk te vinden.
De leden van het jihadistische netwerk leken weinig moeite doen zich te verstoppen. Ze werden regelmatig samen gesignaleerd in Frankies, een snackbar met grote ramen en een knalgele gevel, op de hoek van een drukke straat in de Schilderswijk in Den Haag. Een van de mannen die er vaak bij was, verklaarde later tegen de politie dat ze in de snackbar naar IS-filmpjes keken en elkaar verhalen over het kalifaat vertelden. Ook Samir werd er aan tafel gezien.
Het idee achter de gemeentelijke aanpak was dat iemand die iets te verliezen heeft, minder snel alles opgeeft. Oftewel: als je radicalen helpt met het oplossen van hun problemen, zullen ze minder gevoelig worden voor de aantrekkingskracht van de jihad. Wie op de lijst van geradicaliseerde inwoners stond, werd ook door hulpverleners in de gaten gehouden, tot achter de voordeur aan toe. Ze kregen uitkeringen, schuldhulpverlening, huisvesting, psychische hulp.
Osman had, om te beginnen, een sociale huurwoning voor Samir geregeld. En niet alleen hem: er zaten nog meer radicale inwoners in de Goudse aanpak die formeel dakloos waren. Gemeenten konden woningcorporaties opdragen deze groep voorrang te geven. Over zijn nieuwe huis schepte Samir op tegen zijn radicale vrienden, die ook bij Osman om een huis kwamen vragen. ‘Die Turk’ van de gemeente, noemden ze hem, die ene die je wél kunt vertrouwen. Je zou kunnen zeggen dat het de omgekeerde wereld was, dat mensen die zich van Nederland afkeerden juist voorrang kregen op de sociale woningmarkt, maar binnen de radicaliseringsaanpak kon wel meer wat anders niet mogelijk was.
Osman moest als ‘netwerkregisseur radicalisering’ contacten opbouwen om informatie te krijgen. Zo stond het ook in zijn functieomschrijving: dat hij door gesprekken zo veel mogelijk te weten moest komen over „trends en ontwikkelingen” in de „harde kern” van de Goudse jihadscene.
Samir was een van zijn bronnen. Zo kon hij Osman gedetailleerd vertellen via welke routes uitreizigers naar het kalifaat vertrokken. Omdat die routes steeds veranderden, was dat relevante informatie voor het tegenhouden van uitreizigers.
Samir ging om met radicale moslims, maar mocht dat dan niet?
Sommige gesprekken werkte Osman gedetailleerd uit. Samir vertelde Osman over zijn broer, een draaideurcrimineel. Over de tien maanden die hij zelf in de cel doorbracht. Dat hij daar over zijn neef droomde, die als een van de eerste Nederlandse uitreizigers omkwam in Syrië. Samir zat vast omdat hij een drugsdealer had geslagen. Was dat nou zo verkeerd, vroeg hij Osman. Had de drugsdealer maar weg moeten blijven bij kinderen. Maar goed, toen hij vrijkwam, in 2013, had hij niets meer. Geen huis, geen opleiding, geen baan. Samir sliep bij vrienden of, vaker, in de daklozenopvang. „Ik zeg je dat het eens te veel gaat worden”, zei Samir volgens gespreksnotities. „En als ik dan uit mijn slof schiet, word ik aangehouden en wordt mij verteld dat ik een bedreiging heb geuit en dat mensen dan van mij schrikken. Ja, vind je het gek.”
Samir wist best dat hij als ronselaar werd gezien, en dat beviel hem wel, zag Osman. Als „een soort sultan” zat hij op zijn praatstoel. Andersom werkte het net zo goed: de informatie die Osman van Samir kreeg, gaf ook Osman status. Osman moest de informatie „terugrapporteren”, zo stond in zijn functieomschrijving. Dat kon in het „casusoverleg”, waar de gemeente en politie wekelijks op gezette tijden de Source: NRC