Home

Géén staande ovatie is tegenwoordig het vermelden waard. Wanneer doe je het eigenlijk goed, applaus geven?

Er was een hoop om over door te denken na de première van Micha Wertheims voorstelling Voor heel even, in april vorig jaar. Nu de cabaretier zich voorbereidt op zijn eerste oudejaarsconference kunnen we de mindfuck uit die vorige show wel verklappen: Micha Wertheim voor heel even gaat de geschiedenis in als die voorstelling waarin hij zo’n beetje de hele show met AirPods in een telefoongesprek simuleerde.

Een bijzonder vormexperiment was het, of zoals ik in mijn recensie schreef, ‘een conceptueel en uitdagend puzzelstuk, waarin hij het geduld en de verbeeldingskracht van zijn publiek op de proef stelt’.

Over de auteur
Gidi Heesakkers is redacteur van de Volkskrant. Ze volgt sinds 2018 stand-upcomedy en cabaret, ook schrijft ze regelmatig over populaire cultuur en gewoonten in het dagelijks leven.

Na afloop gebeurde er in De Kleine Komedie in Amsterdam iets opmerkelijks, of eigenlijk gebeurde er vooral iets niet. De volle zaal applaudisseerde, de cabaretier ging af, liep opnieuw het podium op, nam een bos bloemen in ontvangst. Het publiek klapte nog even door, en door. Maar iedereen bleef zitten. Een staande ovatie bleef uit. Huh?

Huh, ja, want wanneer maak je dat nou nog mee in het theater?

Ik herinner me een wervend bedoeld, maar toch vooral hilarisch zinnetje uit een advertentie die eind 2018 in deze krant werd afgedrukt: ‘Staande ovatie bij première The Addams Family.’ Musicals eindigen zo ongeveer steevast met staande ovaties, films ook, bij premières op filmfestivals, opera’s, dansvoorstellingen, klassieke concerten. Géén staande ovatie, dat is tegenwoordig het vermelden waard.

Dat ‘ovatie’ rijmt op ‘inflatie’ komt mensen die hier op schalkse wijze een semiserieus punt van willen maken niet verkeerd uit. Mogelijke definitie van ‘ovatie-inflatie’: het verschijnsel dat applaus waarbij het publiek opstaat zijn betekenis verliest door de nieuwe standaard te zijn, tot onvrede van degenen die vinden dat een staande ovatie alleen moet worden ingezet om bovenmatige waardering mee uit te drukken.

Een gevolg van ovatie-inflatie: vertwijfeling wanneer een zaal voor de verandering eens blijft zitten, zoals bij Micha Wertheims première. Wat had dit te betekenen? Wanneer doe je het eigenlijk goed, applaus geven, en applaus krijgen?

Acteur Pierre Bokma uitte in 2019 zijn ongenoegen over ovatie-inflatie toen hij in een dilemma-interview werd gevraagd te kiezen tussen Nederland en Duitsland – Bokma speelde daar bij toneelgezelschappen als de Münchner Kammerspiele en Schauspielhaus Bochum. ‘Die staande ovaties ook altijd in Nederland, verschrikkelijk’, zei Bokma. ‘Die moeten stoppen, daar pleit ik echt voor. Blijf alsjeblieft zitten, mensen. In Duitsland is zoiets volstrekt ondenkbaar. Een staande ovatie komt daar bij wijze van spreken eens in de tien jaar voor.’

De staande ovatie schijnt inderdaad iets typisch Nederlands te zijn. ‘Aan het slot van iedere opvoering wordt in Nederland, net als overal, geapplaudisseerd. Dat hoort zo, alleen gaat hier na enkele seconden de hele zaal rechtop staan’, schrijft Eric de Kuyper in zijn boek Applaus (2012), waarvoor hij van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde een essayprijs kreeg.

‘Niet-Nederlanders snappen dit gebaar niet. In hun cultuur betekent van je zitplaats opstaan een verheviging van het succes, het duidt op bijzonder grote bijval. Buiten Nederland staat nooit of heel zelden de hele zaal op, alleen verspreide groepen die hun extreme goedkeuring kenbaar willen maken. Wanneer de hele zaal een staande ovatie brengt, het woord zegt het al, duidt dat op oorverdovend succes.’

De Kuyper beschouwt het volautomatische overeind komen als ‘een beleefdheidsformule’, en ‘een teken dat men eigenlijk de zaal zo snel mogelijk wil verlaten en naar de garderobe wil rennen’. Hij ziet het Nederlandse applaus als het omgekeerde van applaus: ‘Allemaal verklaren we dat het nu wel genoeg is geweest. Dat we naar bed of naar de kroeg willen.’

Micha Wertheim (51) kwam onlangs in een mail terug op de uitblijvende staande ovatie na zijn première. Hij schreef me dat hij de donderdag na de première meteen besefte dat deze avond waarschijnlijk anders was ervaren dan try-outs die hij eerder had gespeeld. ‘Want het wás ook anders. Door de zaal die stil bleef en zelfs na afloop niet ging staan. Niet dat dat moet, maar bij een première gebeurt dat echt bijna nooit. Ik kreeg later een mailtje van iemand die schreef: ‘Ik had willen gaan staan, maar niemand ging staan, dus toen bleef ik ook maar zitten’.

Wertheim reageerde op een stuk dat ik een paar maanden geleden publiceerde, over cabaretiers die hun publiek vragen om mee te zingen, mee te dansen, mee te doen. Ik vroeg me af waarom ‘met z’n allen’ bij sommige toeschouwers zo’n weerzin oproept, terwijl anderen zich er ogenschijnlijk onbeschroomd en enthousiast aan overgeven.

Socioloog Don Weenink, die zich aan de Universiteit van Amsterdam bezighoudt met gedrag dat mensen vertonen in de aanwezigheid van anderen, merkte in dat verhaal al iets op over het Nederlandse applausritueel – tenslotte ook een vorm van publieksparticipatie, of kuddegedrag.

Weenink zei: ‘Als iedereen om je heen gaat staan en jij blijft zitten, maak je bedoeld of onbedoeld een statement: je vond de voorstelling misschien wel mooi, maar kennelijk niet bijzonder genoeg voor een staande ovatie. Je hebt natuurlijk het volste recht om te blijven zitten, maar naarmate meer mensen gaan staan kun je ook hierbij dat ongemakkelijke gevoel krijgen afbreuk te doen aan een gedeelde werkelijkheid.’

Het omgekeerde kan natuurlijk ook bestaan, zo blijkt maar weer uit het bericht dat Wertheim ontving van die persoon die toch maar niet opstond. Het geeft aan hoezeer de collectieve beleving die een theaterbezoek is de persoonlijke ervaring kleurt en voedt, al dan niet onderbewust, met alle ovationele gevolgen van dien.

Precies het punt dat Wertheim maakt, ietwat cryptisch verwoord: een voorstelling waarin het publiek niet hoeft mee te doen, is geen voorstelling waarbij het publiek niet meedoet. ‘Mensen die niet mee willen doen, waar ik ook bij hoor, zijn er net zozeer gevoelig voor of een zaal moet lachen of niet. Grote kans dat voorstellingen die mij vies tegenvielen beter zouden zijn geweest als de mensen om mij heen wél hadden gelachen. Dat is een ongemakkelijke waarheid. Ik geloof namelijk liever dat ik heus wel zie of iets goed is of niet, ongeacht het publiek.’

Cabaretier Jan Beuving (40) begrijpt wat zijn collega bedoelt: hard lachen kan aanstekelijk zijn, maar stil zijn evengoed. Soms sluipt er voor zijn gevoel een onuitgesproken ‘code’ in een zaal, een soort afspraak om niet uitbundig te reageren, die je doorgaans terughoort in het applaus.

Beuving deelt dat applaus sinds jaar en dag met zijn vaste pianist Tom Dicke en vanaf november met een vierkoppige band, als hij op tournee gaat met zijn ‘best of’-liedjesvoorstelling Resumé 1. Volgens hem is er iets in de plaats gekomen voor het oude gebaar van opstaan. ‘Als ik een tweede keer terugkom, wordt er de laatste jaren soms gejoeld, gefloten, geroepen. Dat was in het cabaret twintig jaar geleden heel anders.’

Bovendien: de ene staande ovatie is de andere niet. Soms komt een zaal aarzelend en uiteindelijk maar half uit de stoelen voor een obligaat applaus, een andere keer staat het gros onmiddellijk alles te geven. ‘Je kunt een heleboel aflezen aan het moment waarop mensen gaan staan. Was de staande ovatie vroeger een beloning, nu is het een beloning als ze al staan voordat je één keer op en af bent geweest.’

Het is de kunst om ieder type applaus dankbaar in ontvangst te nemen, vindt hij, en tegelijkertijd een kunstje dat enige voorbereiding vergt. ‘Mijn technicus informeert vooraf altijd even of er door het theater iets wordt gegeven: komt er een cadeautje, een bos bloemen? Dan spreken we het moment af waarop het wordt overhandigd.’ Dit om te voorkomen dat Beuving net afrent als er een medewerker met bloemen het podium op wandelt, of dat je al vijf minuten voor het einde in de coulissen concentratievretend cellofaan hoort kraken.

Ik maakte ooit screenshots van een interessante discussie over staande ovaties door bezoekers van klassieke concerten, op de Facebookpagina van schrijver en programmamaker Rik Zaal (78). ‘Willen de bezoekers van klassieke concerten na afloop van een concert alsjeblieft tijdens het applaudisseren blijven zitten?’, vroeg Zaal daar op een dag.

Hierover wisselden we later nog eens van gedachten. Begrijp hem niet verkeerd: hij is vaak laaiend enthousiast over het concert dat hij heeft bijgewoond. Maar hoelang het applaus aanhoudt, daar kan Zaal niet tegen. ‘Soms wel een minuut of tien. Totaal absurd.’ Nog vreselijker: dat velen er een wedstrijd van maken de eerste applausgever te zijn. ‘Dat zou verboden moeten worden, het verbreken van die magische muzikale nagalm en spanning. Ik steek meestal mijn v Source: Volkskrant

Previous

Next