Veel gesprekken die ik de laatste weken voer, gaan als volgt: ‘Breda... Zozo. Hoezo Breda?’
Schouders ophalen als een oen zonder tong die toch gelukkig is.
‘Maar je verhuist toch niet zomaar naar Breda?’
‘Eigenlijk wel.’
‘Wacht, kwam jij er niet vandaan, ofzo?’
‘Nee. Nee, dan zou ik er juist niet heen gaan. Ik zie een stad als een bord warm eten. Verhuizen is dan naar de plee gaan, zeg maar.’
Een metafoor die niet wordt begrepen. Een kunstenaar kan dat niet schelen. Maar ik ben geen kunstenaar, ik ben een schrijver.
‘De stad die je achterlaat is dan – nou ja, die trek je door.’
‘Dus jij vindt Amsterdam een drol.’
‘Hihi. Ja.’
Gespreksgenoot geeft het een plekje. ‘Maar dan gaan jullie voor je werk, denk ik?’
‘We hebben geen werk, hè. Niet met een koffieautomaat, tenminste. En zo’n kabouter die op woensdag de week doormidden komt zagen.’
‘Je hebt er zeker vrienden wonen.’
Paranoïde om je heen kijken. ‘Nee, dan zou ik juist naar Leeuwarden gaan. En zelfs dan geldt: beter geen buren dan een verre vriend.’
‘Dus je kent er helemaal niemand?’
Wijsvinger aan de kin leggen, nadenken. ‘Jawel, Stan en Gijpie.’
‘Stan en Gijpie. Kijk eens aan. En wie zijn dat, Buwalda? Geen gelul graag over goudvissen.’
‘Van Stan hebben we het huis gekocht. En Gijpie is zijn makelaar.’
‘Maar die zie je dus nooit meer.’
‘Zolang er geen verborgen gebreken zijn niet, nee. Ik appte Stan een keer, over ons bod, en toen maakte de spellingscorrector er Satan van.’
‘En toen?’
‘Toen heb ik er snel weer Stan van gemaakt.’
(Rond dit punt vinden ze het eigenlijk niet meer leuk en wel welletjes. Dan juist doorgaan.) ‘Nou ja, Buwalda. Volgens Pierre van Hooijdonk, moet je maar denken, is Breda een heel leuke stad.’
Verheugd reageren op Pi-Airs aanbeveling en zeggen dat het veelbelovend klinkt! Zelf insteken dat je Breda helemaal niet kent, eigenlijk.
‘Wat? Je bent er toch wel eens geweest? Je gaat me niet vertellen dat je nooit in Breda was geweest?’
‘Tijdens de –’
‘En niet zeggen tijdens de bezichtiging.’
Gespreksgenoot, heb ik van Gijpie geleerd, zit inmiddels in het derde pannetje. En misschien wel in het vierde.
Gijpie belde me een keertje op, of ik al betaald had – zoiets. ‘Dag vent’, zei hij, ‘076 hier, jij, ik, Stan, iedereen, heeft vijf pannetjes. Ja? Met het eerste pannetje is niks mis, rustig pannetje. Maar pas op, onder het vijfde pannetje staat het vuur heel hoog. Snap je, baas? Moeten we idealiter uit blijven. Opgefokt pannetje. Maar ik zag jullie dus gisteren over de Ginnekenweg lopen. Jij en je vriendinnetje. Mooi was dat.’
Liepen we ja. Had hij ons gezien?
‘Ik zie alles’, zei Gijpie. ‘Maar jij, baas, en dat was wel mooi, hoor, jij zat in een heel warm pannetje! Vier, denk ik, vijf! Je liep op en neer te rennen en te wijzen. Ik heb nog nooit iemand zo blij door Breda zien lopen, baas. Klopt dat? Nou?’
Klopt.
Source: Volkskrant