Home

Huiveringwekkend, bloedstollend, angstaanjagend: wat maakt een filmmonster nou écht eng?

Een programma in Groningen met de beste monsterfilms aller tijden brengt recensent Kevin Toma op de vraag: wat maakt een filmmonster nou tot een waarlijk angstaanjagend wezen? Je moet er in elk geval niet te veel van zíén.

De monsters zijn overal en nergens in de Zuid-Afrikaanse horrorfilm Gaia (2021). Natuurbeheerder Gabi en haar collega trekken door de jungle als hun drone neerstort boven een onontgonnen deel van het woud. Gabi gaat op zoek naar het apparaat, wat ze natuurlijk beter niet had kunnen doen. Prompt loopt ze in een valstrik. Er blijken zombie-achtige naarlingen rond te scharrelen en wie pech heeft verandert hier zelf in een kleurige schimmeldeken. Flora en fauna nemen hallucinante vormen aan in het pre-apocalyptische Gaia.

De mens niet meegerekend blijft het grootste monster van Gaia evenwel buiten beeld: een in een holle boom wonende bosgod. Liever dan deze god te laten zien, toont regisseur Jaco Bouwer de duisternis die in de boom heerst. Hoe zwammen groeien uit het in de holte gegoten bloed. Het zijn taferelen die je makkelijk kippevel bezorgen, of die monstergod daadwerkelijk bestaat of niet.

Over de auteur
Kevin Toma schrijft voor de Volkskrant over film, met een speciaal oog voor filmmuziek en horror.

Gaia draait tijdens Creatures from the Depths, het fraaie randprogramma waarmee cultuurcentrum Forum in Groningen een maand lang het doek vrijmaakt voor filmmonsters uit alle tijden en windstreken. Van de partij zijn onder meer de oervampier uit Nosferatu (1922), de menselijke vlieg uit The Fly (1986), de jongvolwassen kannibaal uit Raw (2016) en zowel het monster van Frankenstein als diens expressief gecoiffeerde bruid.

Daarnaast tref je in Groningen creaturen die zich lastiger laten typeren. Schepsels zoals de bosgod uit Gaia, die zich het liefst in de krochten van hun films ophouden. Een monster oogst vooral ontzag zolang het volledig buiten beeld blijft of slechts gedeeltelijk zichtbaar is, is de gedachte achter veel films uit het Creatures from the Depths-programma. Een mooie aanleiding om te onderzoeken wat die gouden regel behelst en hoever hij kan worden opgerekt, wil een monster indruk blijven maken.

De wet van het (gedeeltelijk) onzichtbare filmmonster heeft om te beginnen te maken met de essentie van het monster zelf. Het monster is in de eerste plaats een spectaculair zinnebeeld dat ons iets duidelijk wil maken – zoals bijvoorbeeld het monster van Frankenstein, uit ledematen samengesteld, een uitwas van wetenschappelijke zelfoverschatting moest tonen. Vandaar de term ‘monster’, te herleiden tot de Latijnse woorden voor tonen (monstrare) en waarschuwen (monēre).

Maar het ware monster ontsnapt tegelijkertijd aan elke eenduidige categorisering of verklaring. Vloeibaar of vast, leven of dood, binnen of buiten, afzichtelijk of wonderschoon: zulke hokjes gaan voor monsters niet op. Troebele wezens zijn het, vleesgeworden grensvervagingen, onbevattelijk en onvoorstelbaar. Dat is wat ze tot monster maakt.

Natuurlijk zijn er ook archetypische monsters zoals de vampier, de weerwolf en de zombie. Schepsels die, zoals het een monster betaamt, de grens tussen leven en dood of mens en dier overschrijden en die toch makkelijk te rubriceren zijn. Door het bij de naam te noemen en af te bakenen verliest een monster zijn monsterlijkheid en wordt het gereduceerd tot een cliché, schrijft literatuurwetenschapper Maria Beville in The Unnameable Monster in Literature and Film. In die zin bevestigt de vampier of de zombie dat een monster ongrijpbaar moet blijven, wil het echt monsterlijk zijn.

Ongrijpbaar en dus, in het geval van film, onzichtbaar. Daarom is het logisch dat filmmonsters vaak (grotendeels) in het hoofd van de toeschouwer ontstaan. ‘Het komt erop neer dat je als filmmaker het brein aanboort door precies genoeg te tonen,’ motiveerde Ridley Scott zijn keuze om het slijmerig gepantserde gedrocht uit Alien (1979) spaarzaam op te voeren. ‘Laat het brein het werk grotendeels doen.’

Iedere geslaagde monsterfilm zoekt wat dat betreft zijn eigen parcours. In de openingsscène van het veelbekroonde Indiase griezelsprookje Tummbad (2018) vertelt de hebzuchtige held aan zijn zoon over de schat van de gevallen god Hastar, die met zijn eigenaar verborgen zou zijn in de moederschoot van de aarde. De mythe maakt je enorm benieuwd naar de verschijning van Hastar, lang voordat de film daadwerkelijk met vader en zoon in de baarmoeder afdaalt.

Wat een fantastisch ontwerp gaven regisseur Rahi Anil Barve en zijn production designers aan die plakkerige, bloedrode, met dikke aderen doortrokken ruimte, en wat een gaaf monster hebben ze daar verstopt – misschien zelfs meerdere. Met sardonisch plezier werkt Tumbbad toe naar de ontsluiering van dat onheil: de vader duikt in de loop van de film meermaals ondergronds, maar pas als zijn zoon hem vergezelt mag je ook als toeschouwer mee.

Geen wonder dat je je tijdens die afdaling vooral met het kind identificeert, met zíjn angst en zíjn nieuwsgierigheid naar wat er uit de schaduwen kan komen kruipen. Monsterfilms zijn het sterkst wanneer de hersenspinsels van het publiek gelijk oplopen met die van de personages, zeker met die van een kind – en al helemaal als dat kind zelf het onderscheid tussen fantasie en realiteit lijkt te verliezen.

‘Als de Babadook echt bestond, dan zouden we hem kunnen zien,’ zegt de uitgeputte weduwe tegen haar zoontje Samuel in Jennifer Kents The Babadook (2014), een van de beklemmendste én droevigste films uit het Creatures from the Depths-programma. ‘Hij wil je eerst bang maken,’ antwoordt het jongetje, ‘en dán zul je hem zien.’

Dat zegt Samuel niet alleen tegen zijn moeder, die al snel eveneens spoken begint te zien, maar ook tegen ons, de argelozen in het bioscoopdonker. Ook wij bouwen uit allerlei details van de film onze eigen Babadook. Een bloederig prentenboek, een zwarte jas aan de kapstok, de hoed van de dode vader, de clown op een kinderfeestje, schimmen uit stille films, gekras en geritsel achter de slaapkamerdeur, onheilszwangere schaduwen op de achtergrond: allemaal speldenprikken die onvermijdelijk tot een bijzonder angstaanjagend monster versmelten. Zonder dat deze Babadook ook maar ergens een definitieve, vaste vorm aanneemt.

Althans, niet op het scherm. Bespreek na afloop het signalement van de Babadook met de andere toeschouwers, en grote kans dat men het zal hebben over een zwarte schim met hoekige schouders, wild haar, scherpe nagels, krijtwit gezicht en hoge hoed. Maar was die ooit als zodanig te zien en zo ja, waar dan?

Goede vervolgvraag: wat betekent de Babadook? Voor de een is hij het monster van de rouw, voor de ander het fantoom van de depressie. De schaduwzijde die elk van ons meedraagt, wilde regisseur Jennifer Kent uitdrukken. Het monster dat sluimert in vrouwen die zich teveel schikken naar het dwangbeeld van de immer opgeruimde en veerkrachtige moeder. ’We moeten alle moeilijke delen van onszelf met elkaar integreren,’ zei Kent tegen filmwebsite The Dissolve. Eigenlijk precies wat je als toeschouwer bij The Babadook doet, wanneer je de flarden en rafels van het monster tot één geheel smeedt. En dat terwijl datzelfde monster zich nooit werkelijk laten vangen – niet in een enkel beeld, en ook niet in een enkele interpretatie.

De Babadook is een van de weinige filmmonsters die niet toegeven aan de nieuwsgierigheid van hun publiek. De meeste monsters glippen vroeg of laat alsnog in het volle zicht, zelfs wanneer hun monsterlijkheid daarmee op het spel komt te staan. Wat als het monster niet voldoet aan de hooggespannen verwachtingen, of nog erger, als het verbleekt tot een ongeïnspireerde computeranimatie of een verklede acteur?

Toch valt er ook met zo’n man in monsterpak een meesterwerk te maken. Of, in het geval van Jack Arnolds Creature from the Black Lagoon (1954), met twee mannen in een schuimrubberen amfibiekostuum. Deze destijds in 3D uitgebrachte klassieker speelt zich af diep in de Amazone, waar onderzoekers op een prehistorisch wezen stuiten met menselijke en amfibische trekken. Het monster, dat het à la King Kong vooral op het vrouwelijk teamlid heeft gemunt, werd door twee acteurs gespeeld: aan land door Ben Chapman, in de onverminderd prachtige onderwaterscènes door Ricou Browning. Ieder droeg zijn eigen, uiterst ongemakkelijke monsterpak. Chapman torste voor het effect kilo’s lood in de laarzen; Browning moest het vanwege het nauw zittende masker zonder duikbril doen.

Oorspronkelijk zou het monster pas halverwege de film te zien zijn, maar dat vond studio Universal zonde van die twee pakken. Terwijl de introductie van het schepsel beperkt blijft tot een uit de lagune stekende klauw en wat omineuze bubbels, laat hij zich al vroeg uitvoerig spotten. Kijk toch, Source: Volkskrant

Previous

Next