Dus nu is het zover. Voor het laatst fiets ik van mijn huis naar de plek waar ik altijd heen ga om te schrijven. Zondagochtend, een lege en stille stad. Als ik mijn straat uit rijd en de bocht om ga, bedenk ik dat dit de laatste keer was dat ik mijn straat uit rijd en de bocht om ga. Zo gaat het de hele rit door. Maar wat heb ik daar nou aan? Ik probeer in het moment te blijven, alles zo goed mogelijk in me op te nemen. Hoe de zon op de gevels valt, de mensen die ik tegenkom, het geluid van de tram, de glasscherven op het fietspad. Meteen vergeet ik het weer, omdat het allemaal niets en tegelijkertijd alles betekent. Omdat het te weinig is, en te veel. Omdat twintig jaar zich moeilijk in een fietstochtje van twintig minuten laat persen.
Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Wilde plannen had ik voor mijn laatste weekend hier. Nog één keer met mijn beste vriend op een terras zitten, herinneringen ophalen, elkaar vertellen wat we hier samen en alleen hebben meegemaakt. Hem zeggen dat ik het gehad heb met de stad, maar er nooit genoeg van kan krijgen. De hele avond buiten zitten, zoals we honderden keren deden, dronken worden, misschien wat flirten, misschien wat sigaretten roken. Dat tot de vroege ochtend volhouden en daarna voor een allerlaatste keer naar mijn eigen bed fietsen. De slapende stad in het vroegste zonlicht even helemaal voor mezelf. Maar mijn beste vriend ging naar Lowlands – en ik naar de Gamma.
Als ik de markt voorbij ben en over de mooiste brug van de stad rijd, stap ik van mijn fiets en kijk om me heen. Geen krioelende zwermen toeristen, die moeten nog wakker worden. Ook op de woonboten nog geen teken van leven. De hemel kleurt een diep blauw en de bomen langs de gracht zijn nog op hun groenst. Geen wind. Het is zo stil dat je het kabbelen van het water kunt horen. Het café waar Bill Clinton ooit appeltaart at is nog gesloten. Uit een openstaand raam een paar panden daarnaast klinkt zacht maar duidelijk het geluid van een klarinet.
Ik ben hier wel vaker gestopt, meestal ’s avonds laat, als de bruggen verlicht waren en het zwarte water de maan weerkaatste. Dat moest. Het is onbeschoft en ook ongezond om langs zo veel moois te komen en er niet bij stil te staan. Had ik het maar vaker gedaan, bedenk ik nu. Morgen ga ik weg, morgen woon ik hier niet meer. Maar vandaag nog wel.
Source: Volkskrant