Home

Hariette Cairo: ‘De vader daarboven beslist hoelang je leeft. Ik laat het aan hem over’

Hariette Cairo woont in bij de jongste van de tien kinderen die ze ter wereld heeft gebracht. Op de eerste verdieping van een eengezinswoning in een nieuwbouwwijk in Amsterdam-Noord heeft de goedlachse 100-jarige een eigen kamer. Ze komt nog zelden beneden, laat staan buiten, want is slecht ter been. Voor een traplift geeft de gemeente geen subsidie, vertellen haar kinderen. Had ze na een ziekenhuisopname een paar jaar geleden maar niet in een woning met een trap moeten gaan wonen, er waren ook andere mogelijkheden, kregen ze als argument te horen. Maar haar dochters willen hun moeder graag zelf verzorgen en dat gaat toch het beste als ze bij een van hen in huis woont. Een goed gebruik en vanzelfsprekend bovendien in veel Surinaamse families. Haar 61-jarige ‘laatste meisje’ krijgt bij de verzorging van haar inwonende moeder hulp van twee zussen die in de buurt wonen – beiden gepensioneerde professionals in de zorg, die nog als zzp’er actief zijn. Ieder neemt twee à drie dagen in de week op zich.

Het geheugen van Hariette Cairo laat haar geregeld in de steek. Haar dochter Clementine (72) die deze dinsdag ‘dienst’ heeft, helpt een handje. Op sommige vragen moet ook zij het antwoord schuldig blijven. In haar lange leven blijkt Hariette Cairo weinig mededeelzaam te zijn geweest over haar levensloop. En het is in de familie geen gebruik ouderen te bevragen.

‘Van schrik was ik ziek geworden. Mijn kinderen wilden allemaal op mijn verjaardag komen. Ik heb tien kinderen, de oudste leeft niet meer. Mijn drie zoons wonen in Suriname. Om bij het feest te kunnen zijn, hadden zij een visum nodig, maar dat kregen ze niet.’

Clementine: ‘Toen mama dat hoorde, werd ze flink ziek, een longontsteking, en dat op deze leeftijd, we dachten allemaal: daar gaat ze! We belden de spoedeisende hulp. Door haar zorgelijke toestand konden mijn broers een noodvisum krijgen. Toen mama hoorde dat de visa toch waren verstrekt, knapte ze weer helemaal op.’

Hariette Cairo lacht aanstekelijk. ‘We hebben twee dagen feest gevierd. In een zaal met meer dan driehonderd mensen, we hebben met elkaar gegeten en gedanst. De volgende dag in de Koningskerk was er nog een dienst met christelijke liederen. Als ik zing, dan ben ik blij. Ik ben altijd blij.’

(Ze zet in, met een zuivere, broze sopraan:) ‘Mijn Jezus, ik hou van u, ik noem u mijn vriend.’

Ze valt even stil en lijkt te prakkiseren over de woorden die moeten volgen. Clementine zoekt het lied op YouTube op en haar moeder zingt mee: ‘Want u nam de straf op u, die ik heb verdiend. De grote Verlosser, mijn redder zijt gij. Ik heb van u gehouden, maar nooit zoveel als nu.’

Ze zingt mee tot en met het laatste couplet, en verontschuldigt zich dan: ‘Mijn stem is wat minder geworden. Ik word oud.’

‘Dat weet ik niet meer hoor.’

Clementine: ‘Sinds 31 mei 1994. Vertel maar over de Jozef Afleggersvereniging in de Koningskerk, mama, en waarom die zo heet.’

Hariette: ‘Mijn man en ik gingen op vakantie naar Nederland, om onze dochters te zien. Een week na aankomst kreeg Jozef een beroerte en stierf.’

Clementine: ‘Mijn vader had altijd gezegd: Daar waar ik mijn ogen sluit, wil ik begraven worden. Dat werd dus in Nederland. En wij zeiden tegen onze moeder: ‘Nu blijft u bij uw meisjes.’

Hariette: ‘Ik was ziek van verdriet.’

Clementine: ‘Vertel nu over de Jozef Afleggersvereniging!’

Hariette: ‘Wat moet ik daarover vertellen?’

Clementine: ‘Dat de Koningskerk een afleggersgroep oprichtte en dat papa de eerste overledene was die werd afgelegd, daarom werd de vereniging naar hem genoemd. Je hebt tot je 80ste overledenen afgelegd. Toen vonden wij dat je maar eens moest stoppen, ook met het schoonmaken van de kerk, elke week.’

Hariette: ‘Van jullie moest ik stoppen, ik wilde nog wel door.’

‘Nee hoor, want de mensen hielden van mij. Ik wilde al veel eerder naar Nederland omdat bijna al mijn kinderen hier wonen, maar mijn man wilde in Suriname blijven.’

Clementine: ‘Sinds onze vader overleed, heeft ze altijd bij een van haar dochters ingewoond. We moeten er niet aan denken dat ze in een verpleeghuis terechtkomt. Daar is veel te weinig aandacht voor de ouderen. Toen ze een paar jaar geleden in het ziekenhuis lag, zorgden we ook voor haar, we wasten haar en namen elke dag eten voor haar mee.‘ (Ze roept plagerig tegen haar moeder: ‘Ja, je wordt veel te veel verwend!’)

‘Ik ben geboren aan de Drambrandersgracht in Paramaribo en had één zusje. Mijn ouders waren lief en niet streng, want ik was een gehoorzaam kind.’

Clementine: ‘Als wij niet luisterden, konden we een pak slaag krijgen, dat liet je mijn vader doen.’

Hariette: ‘Als kind mocht ik nooit weg, ik moest thuis blijven, vegen en dweilen. Mijn ouders werkten allebei, mijn moeder deed de was en strijk bij anderen. Ik weet niet meer of ik na de lagere school verder heb geleerd.’ Clementine: ‘Dat weet ik eigenlijk ook niet. Je hebt ons nooit verteld over je jeugd.’

Hariette: ‘Ik had tien kinderen, die hield ik in Suriname van de straat. Mijn man wilde niet dat ik ging werken. Dat had ik wel gewild. In Nederland heb ik toch een beetje gewerkt, in de kerk.’

(Haar ogen vlammen op, ze zegt streng:) ‘Waarom vraagt u dat? Dan moet u ook vertellen hoe het bij u is gegaan!’ En als de verbolgenheid wat is gezakt: ‘Ik weet het niet meer. Wel herinner ik mij nog dat hij op het erf van mijn ouders een huisje voor ons samen bouwde. Ik wilde niet weg van mijn ouders. Op mijn 19de kreeg ik daar mijn eerste kind.’

‘Oh nee. Ik had een man, ik was met hem getrouwd. Vroeger was het anders.’

‘Hahaha.’

Clementine, plagerig: ‘Of vond je mijn vader zo lekker?’

Hariette: ‘Sommige vrouwen werden boos op hun man, ik niet, want hij was lief en bracht mij overal naartoe. Hij werkte hard. Hij was timmerman en had twee banen.’

Clementine: ‘Hij was soms stout. Hoeveel buitenkinderen had hij?’

Hariette (afwerend): ‘Dat weet ik niet.’

Clementine: ‘Zeven. Hij had nog zeven kinderen bij andere vrouwen. We zijn als één groot gezin opgegroeid. Jij hebt die buitenkinderen ook een beetje opgevoed.’

Hariette: ‘Ze logeerden vaak bij ons. Het waren lieve kinderen. Ik hield van ze. De andere vrouwen van Jozef waren ook aardig.’

‘Hahaha. Ik ben lief geboren. In de kerk willen ze allemaal naast mij zitten.’

‘Ik begrijp het niet, maar zo zijn ze geboren. Natuurlijk accepteerde ik het. Het was nu eenmaal zo. Hij is altijd bij mij gebleven.’

Clementine: ‘De andere moeders kwamen weleens om geld vragen, dan antwoordde mijn vader dat hij dat niet had, maar u zei: geef ze nou maar wat.’

‘Daar weet ik niets van.’

Clementine: ‘Cairo is de achternaam van mijn vader. Hij is op een plantage geboren. Verder weten we niks. Er is in onze familie nooit over gesproken. Mijn moeder gaat elke woensdag naar een club van de kerk. Pas ging ik mee, en toen kwam iemand vertellen over de slavernij.’

Hariette: ‘Dat vond ik helemaal niet leuk. Ik werd er verdrietig van. Als je het niet zelf hebt meegemaakt, hoef je er niet over te praten.’

Clementine: ‘We praten er nooit over. Op 1 juli vieren we de afschaffing van de slavernij en voor mij is dat een groot feest, een leuke dag, meer niet.’

‘Dat had hij niet hoeven doen. Ik heb het op tv gezien. De koning is nog zo jong, hij heeft het niet meegemaakt. De excuses hadden veel eerder moeten gebeuren, toen de slavernij werd afgeschaft.’

‘Je kunt de mensen die nu leven niks verwijten. Het is zo lang geleden, het leven gaat door, we leven nu.’

‘Sommige dingen vind ik goed, sommige niet. Ik ben blij dat ze mij schoonmaken, maar ik heb niks meer te zeggen. Als ik ga douchen, moet ik van Clementine naar de badkamer lopen. Ze pakt mij dan bij mijn armen vast en zegt: opstaan! Maar dat wil ik niet. Van mijn andere dochter hoef ik niet te lopen, zij brengt mij in de rolstoel.’

Clementine: ‘Lopen is belangrijk voor de doorbloeding.’

Hariette: ‘Ik ben geen kleine meid meer.’

‘Ik ben blij dat ik zo lang leef en mijn kinderen om mij heen heb.’

Clementine: ‘Vroeger was u vaak ziek. Als kind hebben we vaak gedacht dat u dood ging. Misschien kwam dat doordat u zo vaak zwanger was.’

Hariette: ‘De vader daarboven beslist hoelang je leeft. Ik laat het aan hem over. Zelf denk ik dat ik 103 word.’

geboren: 12 juni 1923 in Paramaribo

woont: bij haar jongste dochter in huis, in Amsterdam

familie: 10 kinderen (een overleden), 33 kleinkinderen, 55 achterkleinkinderen, 10 achterachterkleinkinderen

weduwe: sinds 1994

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden Source: Volkskrant

Previous

Next