In een sport waar veel records zijn, worden er ook veel records gebroken. Het was voor velen waarschijnlijk ondenkbaar dat een team de reeks van elf overwinningen zou kunnen verslaan die McLaren in 1988 behaalde met de allesoverheersende MP4/4, vooral omdat Mercedes in het vorige decennium ook niet aan deze score kwam. Toch is het Red Bull gelukt om het ondenkbare te bereiken. De overwinning van Max Verstappen in Abu Dhabi vorig jaar was het begin van de reeks, die de hele eerste helft van het seizoen 2023 door is gegaan en het team van Red Bull heeft twaalf overwinningen op rij geboekt. Maar hoe verhoudt de dominantie van de RB19 zich tot die van enkele van de beste F1-auto's?
Dat kan de zogenaamde super time meter uitleggen. Deze meter laat zien hoe ver het snelste team voor lag op de dichtstbijzijnde concurrent in termen van tempo, gebaseerd op de snelste ronde van elke auto in elk raceweekend. Dit wordt uitgedrukt als een percentage van de snelste afzonderlijke ronde en een gemiddelde over het seizoen.
Als we naar de cijfers van dit seizoen kijken, zien we dat Red Bull 0,238 seconde voorsprong heeft op het één na snelste team, Ferrari. Dit lijkt geen indrukwekkende marge, het laat zien hoe dicht het veld dit seizoen bij elkaar zit in één ronde. Het racetempo van de RB19 is echter niets minder dan veel beter dan de rest. Neem bijvoorbeeld het weekend van de Grand Prix van Hongarije: Lewis Hamilton pakte zijn 104e F1-pole, zij het met slechts 0,003 seconde, maar de uiteindelijke marge van Verstappen op de Brit bedroeg een dikke 34 seconden. Nu is de vraag, hoe verhoudt die 0,238 op tegen de andere iconen uit de meest dominante tijdperken?
De Ferrari 500 slaagde er alleen niet in te winnen tijdens de Indianapolis 500 in 1952
Het grootste verschil ooit volgens de super time meter was 3,682%. Dat was in 1952 tussen Ferrari en Gordini. In die tijd werd er in het F1-kampioenschap gereden volgens het Formule 2-reglement en de Ferrari 500 was verreweg de beste bolide. Aurelio Lampredi's ontwerp behaalde overwinningen in elke race behalve de Indianapolis 500 - die toen meetelde voor het F1-wereldkampioenschap. De introductie van de F2-regels kwam nadat Alfa Romeo het kampioenschap verliet. De organisatie poogde daarmee meer deelnemers aan te trekken.
Alberto Ascari won dat jaar elke 'gewone' F1-race waar hij aan meedeed, nadat hij de seizoensopener in Bremgarten had gemist. De Italiaan bereidde zich destijds voor op de Indy 500 en besloot de race in Zwitserland aan zich voorbij te laten gaan. Piero Taruffi won die Zwitserse Grand Prix, nadat hij de leiding had overgenomen van Ferrari-teamgenoot Giuseppe Farina toen zijn ontstekingsmagneet het begaf. Daarmee startte de clean sweep van het Italiaanse team in de 'reguliere' F1-races.
Zoals gezegd, Ascari en Ferrari slaagden er ondanks de wekenlange voorbereidingen niet in om de Indy500 op hun naam te zetten. De Italiaanse combinatie kon geen vuist maken tegen de Kuzmas en de Kurtis Krafts, die volledig aangepast waren op het rijden op een oval. Tot overmaat van ramp begaf na veertig ronden de wielnaaf en moest Ascari opgeven. Als we deze race buiten beschouwing laten, heeft Ferrari in 1952 100 procent van de races gewonnen.
De Lotus 49 was de snelste auto in het veld in 1967, maar won noch de wereldtitel voor coureurs noch die voor constructeurs.
Foto door: LAT fotografisch
De volgende dominante auto is de Lotus 49. Deze bolide verscheen in 1967 vanaf de Grand Prix van Nederland en had een tempovoordeel op Brabham van 1,217%. Over het hele seizoen, waarin ook de Lotus 43 als de Lotus 33 raceten, is het verschil 0,915% in het voordeel van de Britse constructeur. Desalniettemin zijn beide percentages indrukwekkend, totdat je bedenkt dat Lotus noch de titel bij de coureurs noch die van de constructeurs won.
De 49 wordt algemeen beschouwd als de eerste F1-auto die de motor gebruikte als onderdeel van het monocoque-chassis. Dit was mogelijk dankzij de toenmalige exclusieve deal met Ford om de beroemde Cosworth DFV-motor te gebruiken. Het probleem was wel dat de Brabhams veel betrouwbaarder waren: hoewel de 49 aanzienlijk sneller was over één ronde, resulteerden de eerste jaren met de DFV vaak in technische problemen. Brabhams Repco V8 had zich veel meer bewezen en Denny Hulme kon door de consistente betrouwbaarheid van zijn auto de titel binnenslepen.
Een jaar later won de Lotus 49 wel de titel. Graham Hill won zijn tweede en laatste wereldtitel, mede 'dankzij' het overlijden van teamgenoot Jim Clark. De Lotus had echter geen voorsprong, maar een achterstand volgens de super time meter op de Ferrari 312 van 0,687 procent. Dat is opvallend, want ondanks deze voorsprong kon de Italiaanse renstal maar één keer van pole vertrekken. In 1969 introduceerde Lotus de b-spec van de 49, maar deze was ook langzamer dan de concurrentie. Ditmaal was het Matra die sneller was dan de Britse fabrikant.
McLaren kwam in 1988 heel dicht bij een perfect F1-seizoen
Foto: Ercole Colombo
Vanwege betrouwbaarheidsproblemen en lastig te besturen auto's duurde het na de Lotus tot de McLaren MP4/4 dat er weer een dominante wagen kwam. Als Nigel Mansell niet ziek was geworden door de waterpokken, was het heel realistisch geweest als McLaren in 1988 alle 16 races had gewonnen, waardoor Red Bull dit record alleen nog maar zou kunnen evenaren.
Het tempovoordeel van de MP4/4 ten opzichte van de Ferrari F1/87/88C stond op 1,511%, het grootste tempovoordeel van de F1 op dat moment sinds 1956. Toen had Ferrari een voorsprong van 1,964% ten opzichte van Maserati. Als je dat zou toepassen op Ayrton Senna's pole-tijd van 1:53.718 tijdens de Grand Prix van België, zou Ferrari zich naar verwachting kwalificeren met een tijd van 1:55.736. Dat Gerhard Berger daar een seconde (!) sneller was dan de McLarens laat zien dat McLaren op een zwak moment te verslaan was.
Mansell beheerste de actieve ophanging van de Williams FW14B en versloeg de tegenstanders in 1992
Foto door: Rainer W. Schlegelmilch / Motorsport Images
In 1992 en 1993 was Williams op haar hoogtepunt en genoot ze enorme voordelen ten opzichte van de rest van het veld. De FW14B van 1992 was, ondanks de complexiteit van haar actieve vering, goud waard in de handen van Nigel Mansell en had 1,492% voordeel op de McLaren MP4/6B en MP4/7A van dat jaar.
Een groot deel van het voordeel was te danken aan de combinatie van coureur en auto, want Mansell had een 0,999% voorsprong op teamgenoot Riccardo Patrese. Dat dit gat zo groot was, kwam omdat de rijstijl van de Italiaan niet zo goed samenging met de actieve ophanging. Mansells voorsprong van bijna twee seconden op Patrese in de kwalificatie voor de Grand Prix van Groot-Brittannië toonde aan hoe groot de kloof tussen die twee dat jaar was.
De volgende FW15C, versierd met alle andere rijhulpsystemen, leverde een 1,706% voordeel op de McLaren MP4/8. McLaren had zijn Honda-deal verloren en moest genoegen nemen met een minder goede Ford-krachtbron. 'Fabrieksteam' Benetton kreeg vanuit de Amerikaanse motorenfabrikant de voorkeur, waardoor McLaren met een mindere motor opgescheept zat.
Alain Prost, die de naar de IndyCar vertrokken Mansell verving, vond al die elektronica aan boord van de Williams auto maar niks en had het gevoel dat het zijn soepele stijl achter het stuur in gevaar bracht. Toch lukte het de Fransman zich aan te passen en met zeven overwinningen in de eerste tien races kon hij zijn vierde en laatste titel veilig te stellen. Damon Hill pakte nog eens drie zeges voor de Britse renstal, maar daarmee kon hij niet Ayrton Senna verslaan in de strijd voor de tweede plek in de WK-stand bij de coureurs.
Geen van de concurrenten van Ferrari kon de snelheid benaderen
Foto: Lorenzo Bellanca / Motorsport Images
Hoewel velen de Ferrari F2004 beschouwen als een van de beste auto's uit de F1-geschiedenis, was de auto net als de RB19 nog veel beter in de races dan in de kwalificatie. Het voordeel ten opzichte van de eerste concurrent BAR 006 bedroeg slechts 0,218% in de absolute snelheid over één ronde, maar hij behaalde 15 van de 18 overwinningen die dat jaar te behalen waren. BAR kreeg het zelfs niet voor elkaar een één zege te winnen.
De snelheidsmarges waren klein in 2004, ondanks het schijnbare gebrek aan concurrentie voor Ferrari. BAR, Williams, Renault én McLaren zaten allemaal binnen 1% van het tempo van de Ferrari. Renault begon het jaar als het op één na snelste team, maar omdat BAR-Honda consistenter was stond Jenson Button vaker op het podium. Renault presteerde in de races minder goed, terwijl Source: Motorsport