Deze zomer zoek ik in Parijs naar de allerduurste koffie. Dat valt niet mee: steeds als ik denk dat het niet belachelijker kan, blijkt er toch een havermelklatte te bestaan die 50 cent meer kost. Voorlopig record: 6,20 euro in een magazinewinkel aan Canal Saint-Martin. De koffietafelboeken over paddestoelen mocht je er wel gratis bij inkijken.
Het zal niet lang duren voor ook in Nederland dit soort bedragen voor een kop koffie worden gerekend. Deze week bleek uit de cappuccino-index van de Volkskrant dat havermelkcappuccino’s in Amsterdam een recordprijs van 5 euro hebben bereikt. Krankzinnig natuurlijk, ondertussen is dit soort dure koffie niet populair ondanks de hoge prijs, maar dankzij.
Steden als Amsterdam en Parijs – maar ook Berlijn, Valencia, Lissabon – worden meer en meer gekenmerkt door een samenspel tussen een geïmporteerde nouveau riche en een lokale nouveau pauvre, die elkaar ontmoeten in voor hen universeel herkenbare ruimtes. Terwijl de economische middenklasse verdwijnt, creëren stedelingen een esthetische middenklasse, die alleen in consumptie bestaat – de consumptie van havercappucino’s bijvoorbeeld.
De nouveau pauvre – de lokale millennials voor wie het aangekondigde sociaal-economisch dalen nu inzet – voelt zich met zo’n cappuccino in de hand even kapitaalkrachtiger: kijk mij eens 5 euro uitgeven aan iets niet-noodzakelijks. De nouveau riche – expats van techbedrijven en internationale firma’s – schaft met dezelfde koffie de illusie aan bij een lokale gemeenschap te horen, in plaats van bij een natiefluïde, superrijk volk.
Europese millennials worden alsmaar beter in het creatief verpakken van financiële paniek – in het fetisjeren van consumptiegoederen die verhullen dat leden van deze generatie economisch gezien razendsnel uit elkaar groeien. In Parijs schenken natuurwijnrestaurants deze zomer glazen van 12 euro.
In zo’n natuurwijnbar staan de Googlejongens en consultancymeisjes met lokale kappers en leraren avondenlang de schijn op te houden dat ze één klasse vormen; alsof de eerste groep niet debet is aan de financiële paniek van de tweede. Voor de nouveau riche vormt esthetische middenklasseconsumptie een morele geruststelling; voor het nouveau pauvre is het een kortstondige verdoving van maatschappelijke stress.
Ondertussen sterft die middenklasse waar iedereen zo krampachtig bij wil horen namelijk al jaren uit. Volgens de KU Leuven en Utrechtse School of Economics daalde het aandeel middenberoepen in Nederland – bij de overheid, in het onderwijs, de zorg – tussen 1993 en 2010 met 7,6 procent. In Frankrijk met 8,6 procent; in Zweden met 9,6; in Spanje met 12. Economen spreken van baanpolarisatie: er is steeds meer werk voor heel veel geld, en steeds meer werk voor heel weinig – alles daartussenin verdwijnt.
Terwijl de jonge Europese stedeling zijn kans op een stabiele toekomst met vast inkomen en eigen woning in zijn geboortestad ziet verdampen, vormt diezelfde stad een woon- en werkwalhalla voor internationale yuppen.
Havermelkkoffiewinkels en natuurwijnrestaurants danken hun inkomen aan een collectieve behoefte deze economische polarisatie te negeren. Terwijl de expat zijn zescijferige salaris wokewasht met een biologische fles Beaujolais, kan een journalist door de aanschaf van diezelfde fles even in de illusie verkeren dat hij zich in dezelfde klasse begeeft. Terwijl de nouveau riche zijn verantwoordelijkheid voor economische scheefgroei verdrinkt, verdrinkt de nouveau pauvre zijn economische malaise.
En hoewel iedereen in een natuurwijnbar er even minimalistisch-cool uitziet – normcore is bereikbaar voor elk budget – kan je er toch achter komen tot welke economische klasse de persoon naast je behoort. Luister simpelweg naar wat ze zeggen over de fles op hun tafel. De expat zal het hebben over de Demeterboer die de druiven verbouwt, over de ontwerper van het etiket. De journalist zal je vooral vertellen dat hij een gruwelijk dure riserva heeft gekocht.
Dwars door alle internationale scheefgroei blijft één economische waarheid constant: mensen met geld doen altijd alsof ze het niet hebben; mensen zonder houden zo lang mogelijk de schijn op van wel.
Source: Volkskrant