Home

‘Goeiedag maat, we gaan gewoon lekker speulen, lekker in het zonnetje, komt goed, maat’, zei Robbie

Toen ik stage liep bij AD Sport, heb ik Carlos Moyá geïnterviewd. (Stilte.) De tennisser. Was toen toevallig wel de nummer 1 van de wereld, al heerste hij maar twee weken. Carlos’ mooiste tijd. Meteen werd hij opgenomen in schrijverskringen, al moest ik nog debuteren. (Ook als tennisser, trouwens.) Ik stelde Carlos één vraag, waarop hij ‘no, of course not’ antwoordde. Ik ben vergeten wat, maar het was ongepast, vond ik zelf ook. (‘Zeg, ben jij betrokken bij duistere dealtjes?’)

Nou ja, zenuwen. Carlos had ook wel een erg goeie rating.

Had ik geen last van met Robbie, een 9,3. Zelf ben ik een 8,9. Dat is ietsje hoger, maar verwaarloosbaar.

(We moeten ons de tenniswereld voorstellen als een enorme piramide met aan de basis miljoenen Robbies en Peters, de 9 is het souterrain van de tennissport. Helemaal op de piek van de piramide, kilometers hoger, staat één Carlos.) (Carlos Alcaraz.)

Ik moest tegen Robbie tijdens de Breda Open. Plotseling, zonder aanwijsbare reden in Breda wonen is wonderlijk, maar ogenblikkelijk aan een tennistoernooi meedoen is nog wonderlijker.

Robbie zei: ‘Goeiedag maat, we gaan gewoon lekker speulen, lekker in het zonnetje, gewoon plezier maken, komt goed, maat.’

Hij zond dubbele signalen uit. Robbies outfit oogde superieur, zoals ik ze tot dusver alleen op televisie had gezien. Djokovic heeft op zijn schoenen ‘23’ staan, vanwege zijn 23 grandslams. Beetje kinderachtig. Op Robbies schoenen, noch op mijne, stond een getal, maar bij Robbie kon dat betekenen dat hij tot dusver nul grandslams had gewonnen.

Op wie leek hij, peinsde ik. Op Lee Harvey Oswald. Nou ja, beter dan op Björn Borg.

‘Maat’, zei hij, ‘momentje, efkes de warming-up. Leuk, toernooitje. Lekker overslaan.’ Robbie begon om het tennisveld heen te joggen. Verstandig. Maar niet eerder gezien. Tijdens het inspelen gaf hij boogballetjes, de helft in het net. Maar tegen het einde ervan, alsof zijn masker losschoot: een forehand, vrienden, als een granaat, zo strak en hard.

Aha, dacht ik.

Ik pakte de eerste game. Nu leek hij op Lee Harvey Oswald tijdens zijn arrestatie. Robbie was niet tevreden over die eerste game. Een verbeten gevecht ontspon zich, waarbij ik aan het kortste eind trok.

2-6.

‘Jammer maat’, zei Robbie na die eerste set, ‘goed gespeuld, veul terug, mooi’, die me aanzag voor een makkelijke prooi, vooral omdat ik voortdurend naar hem glimlachte als hij scoorde. Een recreant, zag ik hem denken, terwijl hij Nadal-achtig lang ging zitten schaften. Erna opfrissen. Handdoekje heel precies terugleggen.

Maar waar ik om geglimlacht had, waren Robbies kreten. Vuist omhoog, en iets als: ‘Wowowowowow, yessssss.’ Ook als ik in het net sloeg. ‘Yabadabadoo.’ Heb ik voorbij horen komen. (Lee Harvey Flintstone.)

In de tweede set stond Barney Buwalda op. Taai is die wel. Ik heb Carlos in zijn ogen gekeken. Na drie games, waaronder twee lovegames, stond het 3-0 voor Peter. Weer glimlachte ik, maar nu vanwege de vreselijke demonen die Robbie na iedere foute bal stond uit te drijven. Ook nu een kop als Oswald, maar de van pijn vertrokken grimas die hij trok toen Jack Ruby hem verschalkte met een lobje – zeg ik dat aardig, of niet?

‘Robbie, wat doe je, maat’, foeterde Robbie, ‘focus, hou je focus, kan niet zo, gaat niet, pak hem, PAK HEM.’

Hem, dat was ik. En voor wie mijn morbide metafoortje wil doortrekken, bleek ik ten slotte Robbies JFK. (2-6, 3-6. We liggen er alweer uit.)

Source: Volkskrant

Previous

Next