Nederlanders en Indonesiërs kijken heel verschillend naar de gedeelde geschiedenis – voor zover ze die kennen. Twee universiteiten, de VU uit Amsterdam en de Universitas Gadjah Mada uit Yogyakarta, proberen daar iets aan te doen met de zomercursus The Empire Writes Back.
De excursie leidt naar Gamplong, buiten Yogyakarta. Een parkeerplaats met winkeltjes verraadt het toeristische karakter van de plek: een namaakstad van lege decors, waar de afgelopen jaren een handvol bekende Indonesische historische films is opgenomen. De grootste van die films is ongetwijfeld Bumi Manusia: de verfilming van de beroemde roman Aarde der mensen van Pramoedya Ananta Toer.
De bus stroomt leeg, en de groep studenten wandelt over een ophaalbruggetje dat nooit zal worden opgehaald, langs straatjes waar geen mensen wonen. Daarachter staat het grote houten huis van ‘nyai’ Ontosoro en Herman Mellema.
Niemand wist een week geleden nog wat een nyai eigenlijk was, de Nederlandse studenten evenmin als de Indonesische. Bijvrouw komt als woord het dichtste bij. In de film is ze de bijvrouw van Mellema. Ze is ook de moeder van zijn twee kinderen, en als hij niet thuis is, is zij bovendien de heerseres over zijn zakenimperium.
Verder is ze niets, want ze is maar een ‘inlandse’, een ‘priboemi’ – Mellema heeft haar gekocht, en is niet met haar getrouwd. Hoe belangrijk ze ook is, ze staat helemaal onderaan de koloniale ladder.
Helemaal bovenaan die ladder staat Herman Mellema zelf – een Nederlander, zuipschuit en een hork. In de kolonie is hij een koning, alleen omdat hij wit is.
Meer dan honderd Nederlandse en Indonesische studenten zijn al een week op een missie als ze hun ontspannen uitje naar Gamplong maken. Ze volgen in Yogyakarta de gezamenlijke Summer Course van de Vrije Universiteit in Amsterdam en de Universitas Gadjah Mada. De naam van de cursus, The Empire Writes Back, is onmiskenbaar geleend van Starwars en een verwijzing naar de literatuur, die zich hier plotseling van een heel andere kant laat zien.
Over de auteur
Michel Maas is buitenlandredacteur van de Volkskrant. Eerder was hij oorlogsverslaggever en correspondent in Oost-Europa en in Zuidoost-Azië.
De Summer Course is geboren uit het gevoel dat Nederland en Indonesië bijna nooit elkaars versies van de geschiedenis naast elkaar hebben gelegd. Die versies staan vaak haaks op elkaar. Er wordt wel veel onderzoek gedaan, ‘maar onderzoekers bespreken nooit hun uitgangspunten’, zegt Abdul Wahid, lector geschiedenis aan de UGM. ‘Onderzoekers hebben het nooit over de basisprincipes, die aan hun verhaal ten grondslag liggen.’
Indonesië is nu 78 jaar onafhankelijk, en de kleine gezamenlijke zomercursus is volgens Wahid in al die jaren de eerste gelegenheid waarbij docenten, hoogleraren en studenten de verhalen van de geschiedenis wél naast elkaar proberen te leggen. Twee weken maken vooroordelen, clichés, vastgeroeste opvattingen plaats voor het tegenovergestelde. Twee weken bestaan er geen heilige huisjes.
Professor Pamela Pattynama van de VU noemt zelfs het klassieke Oeroeg van Hella Haasse ‘een slecht boek’, wat voor talloze Nederlandse Haasse-fans moet klinken als heiligschennis. Oeroeg heeft immers altijd in al zijn kortheid altijd samengevat wat elke Nederlander over ‘Indië’ denkt te weten.
Het boek begint met de zin: ‘Oeroeg was mijn vriend’. En vervolgens komt Oeroeg – ‘de Indonesische stem’ – in het hele boek niet aan het woord, zegt Pattynama. ‘Het blijft een boek van een Nederlandse schrijfster die uitlegt hoe Indië/Indonesië volgens haar moet worden begrepen.’
Dit blijkt een kernthema: altijd is Nederlands-Indië beschreven in het Nederlands, en vanuit Nederlands perspectief. Zelfs de Max Havelaar van Multatuli was, volgens VU-hoogleraar Jacqueline Bel, ondanks zijn keiharde kritiek een Nederlands boek van een Nederlandse schrijver voor een Nederlandse markt, en in die zin een ‘koloniale roman’.
In Yogya schuiven de perspectieven van schrijvers, personages en verhalen twee weken heen en weer, en zo hoort het, vindt Bel. De wereld verandert snel, zegt de hoogleraar vooroorlogse literatuur: ze verwijst naar de slavernijdiscussie, de excuses, de teruggaaf van erfgoed. En met de wereld verandert de literatuur, vandaar: The Empire Writes Back. In plaats van Nederlanders bepalen Indonesiërs deze week het beeld. En dat levert wezenlijk andere boeken op dan de ‘Indische’ literatuur die al meer dan honderd jaar in Nederland wordt geproduceerd.
Pramoedya Ananta Toer heeft veertig jaar geleden een voorzet gegeven, en na hem zijn meer schrijvers de kolonie van binnenuit, door de ogen van de Indonesiërs, gaan beschrijven. Iksaka Banu heeft een roman geschreven over de genocide van Banda, het uitmoorden van de bewoners van de eilandengroep waar, toen Jan Pieterszoon Coen er in 1621 mee klaar was, nog maar 1.000 van de 15.000 Bandanezen over waren.
Literatuur kan aan moeilijke thema’s raken, waar puur historisch onderzoek dat niet kan, zegt mede-organisator Abdul Wahid. Literatuur is een geweldige aanvulling op de geschiedschrijving, zegt hij: ‘Een sterke punt van literatuur is ook dat het emoties en verbeeldingskracht toevoegt.’
Student Suci bekent ruiterlijk dat ze inderdaad niet veel heeft onthouden van de geschiedenislessen op de middelbare school. Nu studeert ze literatuurwetenschappen in Yogya, en merkt ze dat de geschiedenis voor haar door de literatuur pas echt tot leven komt.
‘Ik kom uit een afgelegen dorp op Madura, en daar was geschiedenis wat oude mensen zich herinnerden. Oude mensen vertelden altijd dat ze als kind nooit genoeg te eten hadden. Dat was bijna de enige geschiedenis die ik kende.’
Ze verwart zelfs de termen ‘revolusi’ (de onafhankelijkheidsoorlog van 1945-1949) ‘reformasi’ als ze vertelt wat volgens haar de belangrijkste gebeurtenis van de vorige eeuw is geweest: ‘De revolutie, o sorry, reformatie, van 1998. Dat was het jaar waarin Soeharto werd afgezet. In 1998 werd Indonesië democratisch.’
Pramoedya beschrijft de racistische verdeling van de koloniale samenleving, de witte botheid, de juridische willekeur, en hij beschrijft de rol van de nyai als huisvrouw, manager, bedgenoot en wegwerpartikel: alles is nieuw voor de meeste studenten, zowel de Nederlandse als de Indonesische. Zelfs die laatsten wisten niet wat een nyai eigenlijk was, voordat ze Bumi Manusia zagen.
Wat nog het meest opvalt is deze onwetendheid van de deelnemers. Voor een deel kan dat verklaard worden doordat lang niet alle studenten geschiedenis studeren, maar vakken als literatuurwetenschappen of politicologie. Vaak kennen ze daardoor niet veel meer dan de verkorte versie van de geschiedenisverhalen zoals schoolkinderen die leren. Allemaal beseffen ze terdege dat ze vooral heel veel dingen niet weten.
Dat is winst, zegt docent Abdul Wahid van UGM. Literatuur, film en beeldende kunst kunnen speels de moeilijkste onderwerpen aanboren en ‘ze voegen emoties en verbeeldingskracht toe’, aldus Wahid. ‘Anders blijft geschiedenis saai en droog.’ Emoties kunnen een verhaal verder helpen.
De kunstmatigheid van het openluchtdecor in Gamplong, de lachende groepjes Indonesiërs die er hun selfies maken: in Gamplong is de kolonie een selfieplek, een photo op van de Indonesische geschiedenis, net als de Borobudur, de paleizen van sultans en de cel onder het Fatahilla Museum in Jakarta, waar Diponegoro, de held van de Java-oorlog (1825-1830), nog gevangen heeft gezeten.
Indonesiërs doen liever niet moeilijk over het verleden. Ze worden zelfs paranoïde als ze iets over het verleden moeten zeggen. Of, zoals de Indonesische universitair docent en historicus Farabi Fakih zegt: ‘De Indonesische dialoog is gedehistoriseerd en gedepolitiseerd.’
De zomercursus vult de historische leegtes razendsnel op. ‘Ik heb hier in een week meer geleerd dan op de hele middelbare school’, zegt Cas de Vries, student politicologie aan de VU. Hij komt uit Veenendaal, en had tot deze zomercursus ‘helemaal niets met Indonesië’. Hij heeft er geen roots, noch heeft hij familieleden met een ‘Indische’ geschiedenis.
Voor zijn komst las hij Aarde der mensen, maar pas in Yogyakarta dringt de wreedheid van het koloniale systeem in volle hevigheid tot hem door. Daarover had hij thuis op school nauwelijks iets geleerd, vertelt hij: ‘Op de middelbare school was er gewoon geen tijd voor uitgebreide geschiedenislessen. We leerden iets over specerijen en de VOC, en over het cultuurstelsel dat Indonesische boeren verplichtte op een deel van hun land te verbouwen wat de Nederlanders thuis konden verkopen.’ Dat boeren massaal omkwamen van de honger leerde hij niet. Dat Jan Pieterszoon Coen de bevolking van Banda uitmoordde, en dat de Nederlanders in de Atjeh-oorlogen (1873-1913) hele dorpen uitmoordden en platbrandden evenmin.
Cas de Vries doet na hoe het Nederlands-Indiëverhaal op de middelbare school werd afgehecht: ‘En toen kwamen de Japanners en toen de politionele acties en toen was het 1949 en droeg Nederland het land over aan de Indonesiërs.
‘En toen ging de geschiedenisles verder met de Tweede Wereldoorlog’, zegt hij.
‘Zo ging het. Het was heel schetsmatig.’
Veel verhalen in Yogya zijn voor hem een ‘openbaring’ geweest, zegt hij achteraf. Na twee weken voelt hij ‘een soor Source: Volkskrant