Home

Operapubliek laat zich horen: dolende ‘Falstaff’ krijgt in Salzburg een vernietigende ontvangst

Als zaterdagavond de première van de nieuwste uitvoering van Verdi’s Falstaff op het punt van beginnen staat, loopt een vrouw met microfoon naar de rand van het podium. Het publiek in het Grosses Festspielhaus in Salzburg valt stil – het betekent vrijwel altijd slecht nieuws, maar hoe slecht?

Bariton Gerald Finley, vertelt ze, die gecast is voor de titelrol, is herstellende van een strottenhoofdontsteking. Maar – maar! – hij is bereid om toch te zingen. Ze brengt het nieuws met een bibber in haar stem.

Een paar uur later zal blijken dat die zenuwen begrijpelijk zijn. Want het publiek mag dan deftig en loyaal zijn, het kan ook zijn tanden laten zien.

Over de auteur
Merlijn Kerkhof is redacteur klassieke muziek van de Volkskrant. Hij publiceerde twee boeken: Alles begint bij Bach, een inleiding tot de klassieke muziek, en Oude Maasweg kwart voor drie.

Falstaff is dit jaar een van de acht opera’s op de Salzburger Festspiele, het festival dat van de geboorteplaats van Mozart de onbetwiste zomerhoofdstad van de klassiekemuziekwereld maakt. Liefst 43 dagen duurt het, 213 optredens zijn er in totaal. Op een paar vierkante kilometer verzamelen zich de grootste operasterren, meesterpianisten en toporkesten. De Wiener Philharmoniker, die ook in de grote opera’s spelen, hebben er tot de slotdag 31 augustus hun zomerresidentie. Wat valt op aan de editie 2023?

Dat de Festspiele er sinds 1920 op gebrand zijn het beste van het beste binnen te halen, heeft als bijeffect dat het niet een festival is om jong talent te ontdekken – het is eerder een plek waar reputaties worden bestendigd. Maar als je dan een van de opera’s bezoekt, word je overweldigd door de weelde: tot in de kleinste rollen zingen uitstekende zangers. Ook in Falstaff, hoewel de productie een on-salzburgiaans vernietigende ontvangst krijgt.

De voorstelling is een mooie casus bij een strijd die al langer gaande is in de operawereld. Al decennia is het gebruikelijk dat regisseurs worden uitgenodigd om met nieuwe ensceneringen nieuw licht te laten schijnen op geliefde, als bekend veronderstelde opera’s. In dat regietheater zie je bijvoorbeeld in een opera die zich afspeelt rond 1400 (zoals Falstaff) zelden decors of kostuums die verwijzen naar die tijd. Het verhaal wordt in de regel geprojecteerd op het hier en nu, vaak wordt er getornd aan de verhaallijn. Zo kan een waternimf – Rusalka in de gelijknamige opera van Dvorák, onlangs bij De Nationale Opera in Amsterdam – ineens een prostituee zijn in New York.

Die recente Rusalka in Amsterdam (van het regisseursduo Philipp Stölzl en Philipp Krenn) kreeg dan nog een kop en een staart, min of meer. Maar vaak zijn die nieuwe ensceneringen zo losgezongen van de oorspronkelijke stof, dat er voor de niet-ingevoerde bezoeker geen touw aan vast te knopen is: er wordt gezongen over een zwaard, je ziet een courgette. Operaliefhebbers die zich verzamelen in Facebookgroepen als Against Modern Opera Productions (59 duizend volgers) vatten het op als een gebrek aan respect voor de componisten en de tekstschrijvers; de bewonderaars van het regietheater daarentegen verwijten de boeroepers anti-intellectualisme.

Maar de eerste groep laat na afloop van opera’s steeds meer van zich horen.

Toen regisseur Christoph Marthaler en zijn team na afloop van ‘hun’ Falstaff het podium opkwamen, bleek er een wel heel zeldzame mate van eensgezindheid in de zaal. Het applaus voor de zangers viel zo goed als weg en maakte plaats voor gejoel, zo pregnant dat enkele boeroepers zelf hun handen tegen hun oren hielden. Afgaande op de blik van Marthaler leek hij er wel op te hebben gerekend.

Falstaff geldt als een kennersopera. Het is Giuseppe Verdi’s laatste, en pas zijn tweede komische opera (zijn eerste was een flop). Na alle opera’s vol dood en worstelende, veelal verdorven personages vond de componist zichzelf opnieuw uit – op z’n 80ste. Musicologen smullen van de wijze waarop hij tweedelige en driedelige maatsoorten tegenover elkaar stelde, en hoe hij speelde met de verwachtingen: er is geen ouverture, geen bacchanaal met groot koor, zelfs geen echte aria of een meezinger waarin Verdi zo uitblonk. In plaats daarvan introduceerde hij een achtstemmige fuga, de academische vorm bij uitstek, in een nota bene doorgecomponeerde (de muziek nagenoeg ononderbroken) komedie. Het zijn de ensembles die het stuk maken; de titelrol heeft amper lyrische lijnen.

Gerald Finley, in de rol van die dikbuikige ridder die geld nodig heeft om zijn drankrekeningen te betalen (en daarom twee rijke getrouwde vrouwen probeert te versieren), bleek inderdaad wat minder bij stem. Dat was niet zijn grootste probleem. Het ontbrak hem vooral aan de bravoure die de rol nodig heeft, en wellicht speelde de regie daarin een grotere rol dan zijn fysieke gesteldheid. Marthaler liet Finley ronddolen op een filmset (een ultiem regietheatercliché).

Marthaler, met zijn voorliefde voor slapstick, leek op papier een interessante keuze. Maar zijn idee om filmmaker en acteur Orson Welles (die ooit een film maakte gebaseerd op Falstaff, waarin hij ook zichzelf speelde) in tweevoud op te voeren, leek toch vooral een losse flodder. Was er überhaupt sprake van enige relatie tussen tekst en muziek enerzijds en beeld anderzijds? In een decor opgedeeld in drie ruimten (waarvan één met zwembad) en een keur aan zwijgende bijrollen, wist je niet waarnaar te kijken en bleek van een rond verhaal geen sprake. De Wiener in de orkestbak, een topensemble van de op wraak zinnende vrouwen en een erg mooi zingende Bogdan Volkov als Fenton konden de opera niet redden.

Het publiek mág klagen, want ze betalen ervoor – bedragen waarmee je in Nederland alleen grote zalen zou uitverkopen als Queen weer zou optreden met een Freddie Mercury die is opgestaan uit de dood. 465 euro kosten de eersterangskaarten. Voorafgaand aan zo’n première parkeren gepantserde Audi’s met aristocraten voor het Festspielhaus, het vliegveld staat ondertussen vol privéjets. De Festspiele zijn zeker voor de happy, maar niet zozeer voor de few. Voor deze editie werden 212.341 kaarten uitgegeven.

Het budget? Ruim 67 miljoen euro.

Dat publiek, in het net of in Alpenklederdracht, krijgt op de Festspiele de laatste jaren wel steeds vaker een spiegel voorgehouden. Bijvoorbeeld in de zelden gespeelde opera The Greek Passion (1959) van Bohuslav Martinu. Ook daarvoor was een regisseur gestrikt met meer een theater- dan een operaprofiel: Simon Stone, die in Nederland geroemde gastproducties deed bij Internationaal Theater Amsterdam. Voor iemand die erom bekendstaat werken haast blasfemisch door de blender te halen, was het opvallend dat hij het stuk zo opsmukloos bracht.

Het verhaal is gebaseerd op de roman Christus wordt weer gekruisigd van Nikos Kazantzakis. In een Grieks dorp deelt de priester mee wie volgend jaar in het passiespel de rollen mogen spelen in het verhaal over de laatste dagen van Jezus. Niet veel later trekken er hongerige vluchtelingen langs, die vragen om steun en land om te bewerken: het zijn óók Grieken, maar uit Anatolië, verdreven door de Turken. Priester Grigoris is niet blij met de nieuwkomers en vraagt wat de vluchtelingen dan voor zonden hebben begaan, dat ze dit over zich hebben afgeroepen.

De schapentrimmer Maniolos, die in het passiespel Christus moet spelen, begint zich steeds meer te vereenzelvigen met zijn rol. Onder zijn invloed schieten steeds meer dorpelingen de nieuwkomers te hulp. Dit tot afkeer van de priester, die zijn invloed ziet afnemen.

Stone heeft ervoor gewaakt het moralisme aan te dikken. Goed, want de boodschap is helder genoeg en de effectieve muziek – soms heel eenvoudig, op sleutelmomenten heel weelderig en eigen, met oratoriumachtige koren – doet het werk. De dorpelingen, gevangen in hun patronen, worden eenvormig uitgebeeld; ze dragen allemaal grijsblauw. De asielzoekers die hun tentenkampen opzetten, zoals in het Griekenland van nu, zijn gehuld in kleurige kleding en dragen langzaamaan kleur op de verlichte dorpelingen over. Stone maakt uitstekend gebruik van het brede podium van de Felsenreitschule, een tot theater omgebouwde manege.

Sebastian Kohlhepp is een meer dan overtuigende Maniolos/Christus, en Sara Jakubiak is fenomenaal als Katerina. Anders dan bij Falstaff merk je aan alles dat iedereen op de bühne er echt in gelooft. Dirigent Maxime Pascal heeft een hechte muzikale eenheid gesmeed. Het kan niet anders dan dat deze productie de wereld verovert: de tijdgeest, én het gewicht van Salzburg.

Naast van die kostbare watertandproducties is er ook veel ogenschijnlijk gewoners. Het Mozarteumorchester speelt ’s ochtends Mozart-programma’s in het Mozarteum. Ook een goed orkest, maar het is even wennen: in de kleine, neobarokke zaal klinkt het orkest al snel hard. Dubbeltalent Jörg Widmann, meesterklarinettist en componist die de Romantiek nog niet heeft verwerkt, heeft zich nu ook op het dirigeren gestort.

Widmann de dirigent blijkt ’s zondags in de Linzer-symfonie net zo onminimalistisch als Widmann de componist. Met luidruchtige ademteugen probeert hij Source: Volkskrant

Previous

Next