De staatsgreep in Niger en de anti-Franse sentimenten die daarmee zijn ontketend zorgen voor milde paniek in het Franse parlement. ‘Vandaag Niger, gisteren Mali, Centraal-Afrikaanse Republiek, Burkina Faso’, schreven bijna honderd parlementariërs afgelopen week in een open brief aan president Macron – het ene land na het andere ‘wijst Frankrijk, de Franse troepen en Franse bedrijven af. [...] Zijn we veroordeeld tot het uitwissen van Frankrijk in Afrika?’
Denk niet dat ze nostalgisch zijn, bezweren de (voornamelijk rechts georiënteerde) briefschrijvers. Maar Frankrijk wordt in Afrika militair ingehaald door Rusland, economisch door China, en diplomatiek door Amerika. En wat te denken van het Engels, dat in Afrika terrein wint op het Frans? ‘We leggen ons niet neer bij onze geleidelijke verdwijning van het continent.’
Over de auteurs
Eline Huisman is correspondent Frankrijk voor de Volkskrant. Ze woont in Parijs. Joost Bastmeijer is correspondent Afrika voor de Volkskrant. Hij woont in Dakar, Senegal.
Zelden wordt het zo duidelijk gezegd als in deze brief, verzucht Thomas Borrel, maar dit is Frankrijk ten voeten uit. Borrel is co-auteur van L’Empire qui ne veut pas mourir (Het rijk dat niet wil sterven), een lijvig werk over de Franse invloed in postkoloniaal Afrika. ‘Fransen willen nog altijd niet accepteren dat we ons imago als wereldmacht verliezen. Frankrijk moet geschiedenis schrijven, in elk geval in Afrika - dat gevoel leeft nog van links tot rechts.’
Kort na de staatsgreep eind juli, waarbij president Mohamed Bazoum werd afgezet, zegde de militaire junta de defensiesamenwerking met Frankrijk op. Daarmee komt mogelijk een einde aan de decennialange aanwezigheid van Franse troepen in Niger, waarmee Frankrijk ook na de kolonisatie een stevige greep hield in het West-Afrikaanse land.
Wie wil begrijpen wat nu in Niger plaatsvindt, kan niet zonder Françafrique – het systeem van politieke, militaire en financiële middelen waarmee Frankrijk de eigen belangen in Afrika veiligstelde, ook nadat de voormalig koloniën onafhankelijk werden. Voor generaal De Gaulle, president in de tijd van dekolonisatie, was de rol van Frankrijk op het wereldtoneel onlosmakelijk verbonden met diens aanwezigheid in Afrika. ‘De Fransen zijn erin geslaagd te doen geloven dat we vertrokken, terwijl we bleven’, vat Borrel de postkoloniale verhoudingen samen.
Bij Françafrique wordt vaak gedacht aan de schimmige, soms ronduit corrupte verhoudingen die Franse politici en zakenlui met Afrikaanse leiders onderhielden, zegt Borrel. Berucht voorbeeld is de diamantenaffaire in de jaren zeventig, waarbij minister Giscard d’Estaing, die later president zou worden, diamanten kreeg van dictator Jean-Bédel Bokassa van Centraal-Afrikaanse Republiek. ‘Maar een groot deel van de Franse greep op Afrika was openlijk en institutioneel.’
De militaire aanwezigheid van Franse troepen in de voormalige koloniën werd de ruggegraat van de postkoloniale verhoudingen, zegt Leonard Mbulle-Nziege, onderzoeker aan het Institute for Democracy, Citizenship and Public Policy in Africa aan de Universiteit van Kaapstad. ‘Met eigen legerbases en defensieovereenkomsten kon Frankrijk op ieder gewenst moment ingrijpen als de Afrikaanse staatshoofden daarom vroegen.’ Franse officieren werden gedetacheerd in de oud-koloniën, en de opleiding van leger en politie werd door Frankrijk verzorgd.
‘De ‘samenwerking’ werd verdedigd onder het mom van stabiliteit bewaken in de nieuwe onafhankelijke landen’, zegt Mbulle-Nziege. ‘In ruil daarvoor kreeg Frankrijk primaire toegang tot de waardevolle grondstoffen in deze landen, zoals olie, gas, uranium en bauxiet.’
Zo werd de militaire steun een manier om de Franse belangen te beschermen. Tientallen keren schoot Frankrijk Afrikaanse landen militair te hulp, meestal om een Frankrijk-gezinde leider in het zadel te houden. Dat het daarbij niet zelden ging om dictators met een broertje dood aan democratie of mensenrechten, werd voor de gelegenheid door de vingers gezien. ‘De persoonlijke relaties waren bovendien vaak intiem’, zegt Mbulle-Nziege. ‘Veel Afrikaanse leiders hadden in Frankrijk onderwijs genoten, waren gesocialiseerd in de Franse politieke cultuur. Sommigen hadden zelfs posities gehad in de Franse regering.’
Ook financieel-economisch hield Frankrijk de oud-koloniën stevig in zijn greep. Nog altijd gebruikt een groot aantal landen in West- en Centraal-Afrika de munteenheid CFA, die werd gekoppeld aan de Franse franc en later de euro. Frankrijk was dat gunstig, omdat het grondstoffen tegen lokaal tarief kon inkopen. Bovendien moesten Afrikaanse landen een aanzienlijk deel van het geld dat ze met de export verdienden als reserve stallen bij de Franse Centrale Bank. Zo hield Frankrijk invloed op het monetair beleid. Hoewel acht van de veertien CFA-landen in 2019 besloten de ‘koloniale’ munt te vervangen door een nieuw systeem, wordt de munt in de praktijk nog altijd gebruikt.
‘Wat we nu zien in Niger, en eerder in Mali, Centraal-Afrikaanse Republiek en Burkina Faso, is dat die Franse invloed zich tegen Frankrijk zelf keert’, zegt Mbulle-Nziege. ‘Het blijft impopulaire leiders steunen enkel omdat ze bondgenoot van Frankrijk zijn, maar niet omdat ze de bevolking dienen.’
Het anti-Franse sentiment broeit volgens de onderzoeker al sinds de jaren negentig en richt zich niet alleen tegen Franse troepen en politici, maar ook tegen Franse bedrijven die nog altijd grote delen van havens, infrastructuur en telefonie in handen hebben. Mbulle-Nziege noemt als voorbeeld Togo, waar de Franse miljardair Bolloré een groot deel van de havenconcessies in hoofdstad Lomé in handen had. ‘Togo had zelf slechts 5 procent van de aandelen in handen, terwijl het een belangrijke pijler van de economie is.’
Betekent het Franse echec in de Sahel, met de staatsgreep in Niger als recentste voorbeeld in een reeks pijnlijke aftochten, het einde van Françafrique? Die vraag dringt zich op bij iedere nederlaag of strubbeling in de Frans-Afrikaanse betrekkingen. Maar een systeem dat decennialang is opgebouwd en zich steeds weer heeft aangepast, is niet in een paar jaar ontmanteld, zegt Mbulle-Nziege.
Zelfs niet als Frankrijk dat zelf zou willen. President Macron kondigde eerder dit jaar het einde aan van Françafrique, zoals ook zijn voorgangers François Hollande en Nicolas Sarkozy al hadden gedaan – tevergeefs. ‘Macron zegt de geschiedenis achter zich te willen laten om een nieuwe verhouding te zoeken. Maar de geschiedenis laat zich niet zomaar uitwissen', zegt ook Antoine Glaser, die daarover het boek Le piège africain de Macron schreef (De Afrikaanse valkuil van Macron). Zolang Frankrijk militaire bases houdt in oud-koloniën zullen de leiders een beroep op hem doen, en zal de reflex van eigenbelang beschermen blijven.
Van Macrons goede intenties is niet iedereen overtuigd. ‘Alle aangekondigde hervorming van Françafrique, ook door zijn voorgangers, zijn erop gericht geweest om de essentie ervan te kunnen behouden’, zegt Borrel. ‘Ons collectieve denken is nog ten diepste koloniaal.’
Maar terwijl Frankrijk de gendarme van Afrika blijft spelen, heeft het zijn werkelijke invloed al grotendeels verloren, zegt Glaser. ‘Het heeft zich ook na de dekolonisatie altijd gedragen alsof ze in Afrika thuis is en de eigen invloed totaal overschat. Economisch heeft het terrein verloren aan Turkije, aan China en aan andere westerse landen.’
Niger moest het voorbeeld worden van wat 'het Françafrique van morgen’ kon zijn, zegt Glaser. Met een minder zware permanente aanwezigheid van Franse militairen in een land dat geprezen werd als wonder van democratie en stabiliteit. ‘Dat is uitgelopen op een vernedering', zegt Glaser, ‘en dat maakt de Fransen razend.’
Historisch gezien heeft Frankrijk altijd een bovenmatige interesse gehad in Senegal, dat met zijn ligging op de westelijkste punt van het Afrikaanse vasteland van grote strategische waarde was. Vanuit Saint-Louis, en later Dakar, bestuurden de Fransen decennialang ‘hun’ Frans-West-Afrika. Nadat Senegal in 1960 onafhankelijk was geworden, bleef het warme banden met zijn ex-kolonisator houden.
Die Franse invloed is in de hoofdstad Dakar nog overal zichtbaar. Midden in de stad ligt een militaire basis waar 350 Franse soldaten zijn gelegerd en in zakenwijk Plateau is de grootste Franse ambassade van Sub-Sahara Afrika gevestigd. Senegalezen tanken bij Total, bellen en internetten met Orange, doen boodschappen bij Casino en Auchan en rijden over tolwegen die zijn aangelegd door Eiffage. Al die Franse bedrijven zijn samen verantwoordelijk voor een kwart van het Senegalese bbp.
Met name jonge Senegalezen ergeren zich aan al die Franse bedrijvigheid in hun land. Zo ondermijnen de lage prijzen volgens hen de lokale voedingsindustrie en zouden de tolwegen van Eiffage alleen maar een kloof creëren tussen de rijken en de armen, voor wie de tolwegen te duur zijn en die dus uren in de file moeten staan.
Dat anti-Franse sentiment wordt gebruikt door oppositieleider en zelfbenoemd ‘economisch nationalist’ Ousmane Sonko die wegens zijn felle uitspraken regelmatig wordt opgepakt en aangeklaagd, tot grote woede van zijn jonge achterban. Sonko Source: Volkskrant