Home

Scenarioschrijver Nathan Vecht over zijn persoonlijke klassiekers: ‘Ik herinner me hoe verrukkelijk het was me te verliezen in een andere wereld.’

Het eerste verhaal dat me te binnen schiet als ik denk aan mijn prilste leeservaring is niet groots en meeslepend, maar benauwd en godvrezend. De Jacobsladder van Maarten ’t Hart speelt zich af in een streng calvinistisch milieu onder de rook van Rotterdam. Als de 11-jarige Adriaan Vroklage thuiskomt, ziet hij hoe de dominee zijn ontredderde ouders troost. Dan kijkt het gezelschap verschrikt op. Adriaan is helemaal niet dood. Het is een ander jongetje uit het dorp dat van de kade is gevallen en door de schroef van het schip is vermalen. Vanaf de noodlottige ouverture staat Adriaans jonge leven in het teken van schuld en boete. Van zo’n beetje alles wat er misgaat in zijn omgeving – en dat is nogal wat – geeft hij zichzelf de schuld.

Hoop in bange dagen is Klaske Kooistra, van wie Adriaan behoorlijk ondersteboven is. Op een zomeravond tilt hij haar over een regenplas die het pad verspert. Klaske vraagt zich af hoe ze straks terug naar huis moet, als er niemand is om haar weer over die plas te tillen. En ja hoor, Adriaan maakt al rechtsomkeert en tilt Klaske nogmaals over de plas. Ze nemen afscheid en hij hervat het mijmeren. ‘Toen liep ik weer alleen onder langs de dijk en het was er nog altijd warmstil.’ Adriaan en Klaske hebben enige verwantschap met het beroemdere koppel Kees Bakels en Rosa Overbeek, uit Theo Thijssens Kees de jongen, dat een evenzo onuitwisbare indruk op me maakte.

Ik las De Jacobsladder toen ik net zo oud was als Adriaan en herinner me hoe verrukkelijk het was me te verliezen in een wereld die zo anders was dan de mijne.

Ik bracht mijn schooljaren door in Oegstgeest, vorig jaar door Elsevier Weekblad uitgeroepen tot de beste woongemeente van Zuid-Holland. Een bewoner zegt in het artikel: ‘Je zit hier ideaal. Waar moet je anders heen?’ Ik herinner me vooral het verlangen naar het avontuur dat zich ophield buiten de beste woongemeente van Zuid-Holland.

Misschien is dat wat Adriaan en Kees me hebben bijgebracht: het genot van het prepuberale smachten. De eindeloze tijd die de personages en ik hadden om relatief kleine kwesties uit te vergroten tot mythische proporties. Zo bezien is schaarste een groot goed. Alleen als er voldoende afstand zit tussen behoefte en bevrediging krijgt de verbeelding de ruimte om z’n goddeloze gang te gaan.

Nathan Vecht (1977) is toneel- en scenarioschrijver. Hij schreef toneelstukken voor onder meer Het Nationale Theater, het Noord Nederlands Toneel en mugmetdegoudentand. In 2015 brak hij door met de voorstelling Kunsthart, over hoe Nederland zich verhoudt tot de kunsten. Voor televisie schreef hij onder meer de comedyserie Missie Aarde en scènes voor Koefnoen en Het Klokhuis. Samen met Pieter Bart Korthuis schreef hij de dramaserie Het jaar van Fortuyn, waarmee hij een Zilveren Krulstaart won voor het beste scenario. De serie werd door de Volkskrant verkozen tot serie van het jaar 2022.

Als kleinzoon van vier Joodse grootouders was voor mij het verleden voelbaar, maar geen van hen heb ik er ooit met een woord over horen spreken. Dat onbestemde gevoel kreeg scherpe contouren toen een deel van de familiegeschiedenis tot leven kwam op papier. Mijn grootvader van moederskant had zijn oorlogsjaren opgetekend. Ik was 13 toen ik het las. Gedetailleerd maar met emotionele distantie doet hij verslag van zijn deportatie naar Westerbork, Theresienstadt en Auschwitz. Dit was dezelfde man die bij elk bezoek de Sam en Moos-moppen aan elkaar reeg. Het was bijna niet te bevatten.

Ik meen me te herinneren dat ik vanaf dat moment een jaar lang alleen over de oorlog heb gelezen. Het boek dat me uit die periode het meest is bijgebleven speelt zich af na de bevrijding. In de verhalenbundel Niet verstaan schrijft G.L. Durlacher over het leven na zijn terugkeer uit de vernietigingskampen. Durlacher, vader van schrijver Jessica, groeide op in Baden-Baden en vluchtte op 8-jarige leeftijd uit nazi-Duitsland naar Rotterdam. Toen de oorlog ten einde kwam, maakte hij de reis van oost naar west opnieuw en keerde terug als overlever. Hij beschrijft hoe hij als jongvolwassene zijn leven probeerde vorm te geven, maar niets bleek vanzelfsprekend. Het aanhoudende antisemitisme op de universiteit, de schuchtere verliefdheid op een katholiek meisje die gedoemd was te mislukken, de onoverbrugbare kloof met zijn niet getraumatiseerde leeftijdsgenoten, het benam me de adem.

In het laatste verhaal van de bundel keert Durlacher terug naar zijn geboorteplaats om een lezing te geven. Het blijkt een gemengd genoegen. Het voelt als een triomf dat hij als volwaardig burger terugkeert naar de plek vanwaar hij verjaagd is, maar als hij tijdens de signeersessie zijn oud-klasgenoten in de rij ziet staan, slaat het ongemak toe. Dit zijn de mensen die alles hebben laten gebeuren. Na afloop vraagt zijn vrouw hoe het hem vergaan is. Durlacher, die voor het eerst na lange tijd weer Duits heeft gesproken, is in vertwijfeling. ‘Ze hebben me verstaan, maar hebben ze me ook begrepen?’

Het lezen over de oorlog was ook een eerste confrontatie met de willekeurigheid van het bestaan. Dat Durlacher terugkeerde, was het gevolg van een reeks toevalligheden. Hetzelfde gold voor mijn grootouders en in het verlengde daarvan voor mijn eigen bestaan. Zo maakte de geschiedenis me niet alleen bewust van de banaliteit van het kwaad, maar ook van de absurditeit van het leven. Dat besef heeft me sindsdien niet meer verlaten.

Of het een reactie was op deze donkere bladzijden weet ik niet, maar vanaf een jaar of 16 verslond ik alle humoristen die ik tegenkwam. De langspeelplaten van Wim Kan en Fons Jansen, de verzamelde stukjes van Carmiggelt, de absurdistische verhalen in het Vlaamse Humo. Maar de meeste uren bracht ik door met Het Groot Bescheurboek van Koot en Bie. In de bloemlezing van ruim een decennium scheurkalenders staat een eindeloze hoeveelheid liedteksten, interviews, dialogen, tekeningen, krantenknipsels en rijmpjes. Logischerwijs is niet alles even briljant, maar dat maakte het juist zo verleidelijk. Alsof ik stiekem inzage had in de notulen van de twee beste komieken van het land.

Ik heb Het Groot Bescheurboek, zo denk ik nu, als lesboek gebruikt. Hoe construeer je het volmaakte zinnetje om mensen aan het lachen te krijgen? Een aantal ervan ken ik nog uit mijn hoofd. ‘De grote trekpleister van het Melkhuisje is dit jaar de jonge Deense tennisser Hansa Plast.’ ‘De firma Black & Decker maakt vader hoe langer hoe gekker.’

De aandrang die ik bij het lezen van romans niet had, kreeg ik nu wel: ik pakte de pen op en schreef een stukje voor het schooltoneel. Ik kan me het moment nog helder voor de geest halen dat de aula vol ouders en kinderen vanuit het niets dubbelklapte van het lachen. Terwijl mijn klasgenoten doorspeelden kon ik vanaf het podium alleen nog in verbijstering toekijken. Dit was dus mogelijk als je wat woorden in een bepaalde volgorde zette.

Een paar maanden later mochten we de eenakter nogmaals opvoeren op de Dag van de Literatuur. Eindexamenscholieren uit heel het land hadden zich verzameld in het Haagse Congresgebouw om bekende schrijvers te zien optreden. Wij waren geprogrammeerd als tussendoortje. En zo stond ik in de artiestenfoyer opeens oog in oog met Maarten ’t Hart. Voor ik van de schrik bekomen was, zag ik Hella Haasse in haar koffie roeren. Mijn hele boekenlijst bleek er in levenden lijve rond te lopen: Renate Dorrestein, Remco Campert, Harry Mulisch. Het was het moment dat ik een keuze moest maken wat te doen met mijn leven. Ik kom uit een kunstminnend gezin, maar niet uit kunstenaarskringen. Dat schrijven tot de mogelijkheden behoorde, kwam niet in me op. Het zou nog een paar jaar duren voor ik me waagde aan een volgend stukje.

Toen er twee vliegtuigen in het World Trade Center in New York vlogen, was ik van de ene op de andere dag politiek ontwaakt. In de jaren die volgden, met de moorden op Fortuyn en Van Gogh, probeerde ik iets te begrijpen van de toestand in de wereld. Er zijn van die boeken die een punt markeren in je bestaan. Voor mij is er de periode voor en na Het land is moe van de Britse historicus Tony Judt.

‘Something is profoundly wrong with the way we live today’, luidt de openingszin van Judts indringende betoog. Hij legt uit dat het materialisme en egoïsme die het hedendaagse leven kenmerken niet inherent zijn aan de natuurlijke staat van de mens. Dat wat vanzelfsprekend lijkt – de adoratie van de vrije markt, de minachting voor de publieke sector, de belofte van oneindige groei – is slechts een verhaaltje, bedacht in de jaren tachtig. Zijn inzet is glashelder: ‘We cannot go on living like this.’

Judt raakt in Ill Fares the Land (de originele titel dekt de lading beter) aan weinig zaken waar ik nog nooit van had gehoord, maar toont een samenhang waar ik me tot dan toe niet bewust van was. Hij raapt de maatschappelijke brokstukken op, beschrijft hoe ze ooit verbonden waren, reconstrueert hoe ze uiteen zijn gevallen en geeft een handleiding voor de wederopbouw. Het verpletterende effect van zijn beschouwing was dat hij me opnieuw liet kijken naar zo’n beetje alles wat ik tot dan toe voor waar had aangenomen. Nadat ik het boek uit had, ging ik de straat op en wilde uitroepen: ‘Jongens, lees dit!’

Ondertussen zette ik mijn eerste stappen als schrijver voor theater en televisie, met een voorliefde voor drama dat zich afspeelt in het publieke domein. Vaak bevolkt door personages die elkaar wel verstaan, maar niet begrijpen. Terugkijkend op wat ik sindsdie Source: Volkskrant

Previous

Next