Home

We kunnen kapitalisme ook inzetten om de natuur te redden, zegt milieuactivist. ‘Zet een prijs op onze planeet’

Het verwijt gaat dat economen van alles de prijs kennen, maar van niets de waarde. Maar dat geldt voor veel mensen. We vinden het normaal om een bak geld neer te tellen voor een huis met zeezicht, terwijl we de koraalriffen die deze woning beschermen tegen catastrofale stormen financieel waardeloos lijken te vinden. We stoppen er namelijk geen geld in om ze te doen gedijen.

Het is een van de prikkelende voorbeelden die Paula DiPerna opwerpt in haar onlangs verschenen boek Pricing the Priceless. Daarin bestrijdt de Amerikaanse milieuactivist Luceberts stelling dat alles van waarde weerloos is, weliswaar zonder de Nederlandse dichter bij naam te noemen. De natuur is weerloos, juist omdat we er nu geen prijs op plakken. En dat is precies wat DiPerna wil veranderen.

Over de auteur
Daan Ballegeer is economieverslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft onder meer over financiële markten en centrale banken.

DiPerna (74) was onder meer directielid bij de Chicago Climate Exchange (CCX), het eerste emissiehandelssysteem ter wereld. Van 2003 tot 2010 stemden de bedrijven, overheden en universiteiten die vrijwillig deelnamen aan CCX ermee in om jaarlijks hun emissies volgens een afgesproken schema te verminderen. Als ze bijvoorbeeld door investeringen in koolstofarme technologie onder dat plafond bleven en dus minder CO₂ de lucht in stootten, konden ze dat overschot verkopen aan partijen met meer uitstoot dan rechten.

Via CCX wilden de ongeveer 450 deelnemers, waaronder autobouwer Ford, chemiereus DuPont en technologiebedrijf Motorola, zich voorbereiden op een wettelijk opgelegd emissiehandelssysteem om de klimaatverandering te bestrijden. Maar toen eenmaal duidelijk was dat daar in de Amerikaanse politiek weinig animo voor was, hield het experiment op. DiPerna ging zich op andere manieren met de klimaatverandering bezighouden, onder meer bij CDP, een non-profitorganisatie die overheden en bedrijven helpt om hun milieu-impact te berekenen.

De natuur verdient een prijs, zegt ze, videobellend vanuit haar woning in New York. ‘We zijn er als mensheid aan gewend geraakt om te pakken wat we kunnen. Wat gratis is, nemen we, tot het extreme toe. Het resultaat? Vervuiling, verval, klimaatverandering en de misvatting dat de natuur altijd zal blijven leveren, hoe driest we ook tekeergaan.’

Die gevolgen laten zich onder meer voelen in de koraalriffen. Als de klimaatverandering en de vervuiling doorzetten, kunnen die tegen 2070 volledig verdwenen zijn, waarschuwt de Internationale Unie voor Natuurbescherming. ‘Het beuken van steeds intensere oceaanstormen, ook al een gevolg van de opwarming van de aarde, kan dat verval enkel versnellen’, merkt DiPerna op.

Natuurlijk getuigt het gebrek aan bescherming van een gebrek aan milieubewustzijn, zegt ze, maar het is meer dan dat. Het gaat ook in tegen de financiële logica. Koraalriffen hebben immers een groot economisch belang. Volgens een rapport van het Global Coral Reef Monitoring Network, een internationaal samenwerkingsverband, leveren ze jaarlijks voor 2.700 miljard dollar aan goederen en diensten (dat is zowat de omvang van de Franse economie) in de vorm van toerisme, kustbescherming, visvangst, biodiversiteit en als bron van medicijnen. Een storm die koraal vernietigt is dus voor iedereen slecht nieuws.

Hoe kunnen we deze fauna beter beschermen? Via financiële innovatie, zegt DiPerna. Overheden moeten er een verzekering voor afsluiten. Zodra de windsnelheid – die een goede voorspeller is van de golfkracht – een bepaalde grens overschrijdt, keert de verzekeraar een vergoeding uit waarmee duikers en materialen kunnen worden betaald om de riffen snel te helpen herstellen.

Sinds 2021 loopt er een dergelijk experiment voor de koraalriffen die lopen vanaf de kust van het Mexicaanse schiereiland Yucatán tot aan Honduras. DiPerna droomt van een wereldwijde verzekering voor koraalriffen waarvoor alle landen een deel betalen. ‘Het moeten niet noodzakelijk overheden zijn die hierin investeren. Het kunnen ook private partijen zijn, zoals banken en investeerders, die er zelf belang bij hebben om de natuur te beschermen.’

Het mag duidelijk zijn dat DiPerna het kapitalisme niet ziet als de grote vijand, maar als een bondgenoot. Het maakt van haar nog geen neoliberaal of ultrakapitalist. Ze gaat zich niet het vuur uit de sloffen lopen om het kapitalisme te verdedigen, en ze begrijpt en deelt de verontwaardiging over de uitwassen van het systeem. Toch mogen we niet blijven hangen in boosheid, zegt ze. Het kapitalisme is ook in staat om fouten recht te zetten, daar is ze van overtuigd. ‘Natuurlijk kun je zeggen dat geldstromen vies zijn, maar beter is het om die stromen zo te sturen dat er positieve gevolgen zijn voor mens en milieu.’

DiPerna weet heel goed wat ze wil beschermen. Ze heeft jarenlang voor Jacques Cousteau gewerkt en reisde mee op de Calypso, het schip waarmee de beroemde Franse oceanograaf, filmmaker en milieuactivist de zeven wereldzeeën doorkliefde. Toch was het niet op zee waar ze het meest onder de indruk was van de natuur, maar in het Amazonewoud. ‘Terwijl ik in een riviertje door het dichte bos roeide, realiseerde ik mij dat er tijdens het regenseizoen zo veel regen was gevallen dat ik naast mij de boomtoppen kon zien. Dat zal ik nooit vergeten.’

Ze looft Cousteau voor zijn grote ideeën, en zijn toegang tot de groten en machtigen der aarde. ‘Wel had hij weinig geduld voor processen. Hij kwam op het allerhoogste niveau met ideeën, maar zodra we de kamer hadden verlaten, was het mijn taak om ze in de praktijk om te zetten.’

Zo overtuigde Cousteau in 1992 George H.W. Bush om naar The Earth Summit in het Braziliaanse Rio de Janeiro te gaan. ‘Meneer de president’, zei hij, ‘als u niet zelf gaat, zult u nooit weten wat er werkelijk gaande is.’ Het was DiPerna’s taak om samen te werken met medewerkers van de president, om Cousteaus voorstel niet in de vergetelheid te laten raken. Dat lukte. Bush ging, de Top van Rio zou een mijlpaal blijken in het internationale milieubeleid.

Misschien wel het opmerkelijkste voorstel dat DiPerna in haar boek beschrijft, is om natuurlijke hulpbronnen en ecosystemen te behouden en beter te beheren door die een beursnotering te geven. Denk bijvoorbeeld aan een uitgestrekt bos. Dat kan in een beleggingsvehikel worden gestopt, waarbij de aandeelhouders niet het bos zelf bezitten, maar wel recht hebben op de inkomsten die eruit voortvloeien. Denk aan emissierechten (bomen zijn in zekere zin bovengrondse opslag van CO₂), of de opbrengst van selectieve houtkap.

Het doel van dit speciale beleggingsinstrument is om investeerders aan te trekken die geïnteresseerd zijn in zowel natuurbescherming als rendement. De logica is helder: als milieubeheer leidt tot financiële opbrengsten, zal er meer beheer zijn. Toch is er ook kritiek op het ‘vermarkten’ van de natuur. Dat zou complexe ecosystemen reduceren tot een paar meetbare diensten, en zou vanwege een gebrek aan regels vatbaar zijn voor misbruik en wanpraktijken.

Voorlopig is het een theoretische discussie, want de eerste beursnotering moet nog plaatsvinden. De Bahama’s hopen volgend jaar te tekenen voor de primeur. De eilandengroep bezit het grootste deel van de Caribische zeegrasvelden. Die vegetatie slaat CO₂ op, en daarvan kunnen de rechten worden verkocht aan bedrijven die hun CO₂-uitstoot willen compenseren. Volgens ramingen van een consultant die de Bahamaanse overheid bijstaat kan dat beleggers in die zeegrasvelden jaarlijks tussen de 300- en 400 miljoen dollar opleveren.

Dit zou vooralsnog vallen onder de vrijwillige handel in CO2-rechten, waaraan bijvoorbeeld bedrijven deelnemen die uit duurzaamheidsoverwegingen hun uitstoot willen compenseren. Idealiter worden dit soort projecten uiteindelijk geïntegreerd in wettelijk geregelde emissiehandelssystemen.

Het allerbelangrijkste dat we nu kunnen doen, zegt DiPerna, is alle verschillende systemen om een prijs te zetten op CO₂ aan elkaar koppelen en uitbreiden. ‘Die van de Europese Unie met die van de Verenigde Staten en China, bijvoorbeeld. Het is een van de weinige effectieve economische middelen om een wereldwijd probleem aan te pakken. Op deze manier koppelen we de kosten van luchtvervuiling aan vraag en aanbod. Zo zal blijken welke uitstoot onvermijdelijk is en welke simpelweg uit gemakzucht bestaat.’

Er is nog een hele weg af te leggen. Volgens de International Carbon Partnership zijn er nu wereldwijd 28 emissiehandelssystemen (en nog eens 21 in ontwikkeling). Samen zijn die goed voor maar 20 procent van de totale CO₂-uitstoot. Zelfs het meest uitgebreide emissiehandelssysteem, dat van de EU, is nog vrij beperkt. Zo vallen alleen specifieke sectoren eronder, zoals elektriciteitsbedrijven, industrie en luchtvaart. Dit dekt slechts 40 procent van alle broeikasgasemissies in de EU.

Milieuorganisaties zoals Greenpeace, Friends of the Earth en WWF zijn kritisch over emissiehandelssystemen, die complex, intransparant en ineffectief zouden zijn. Toch leert de ervaring dat ze wel degelijk goed Source: Volkskrant

Previous

Next