Home

Waarom dromen we? Nijmeegs onderzoek moet (het begin van een) antwoord geven

Voor Sarah Schoch is het vrij normaal dat mensen die ze nauwelijks kent over haar dromen, maar de droom waarin ze nu de hoofdrol blijkt te spelen is zo gedetailleerd en fantasierijk dat ook zij er, ondanks de doorwaakte nacht, van begint te glunderen.

Het is kwart voor zeven ’s morgens en Schoch (34) heeft zojuist een deelnemer aan haar slaaponderzoek – voor de achtste keer vannacht – gewekt met de vraag wat er even daarvoor door zijn hoofd ging. De dromenonderzoeker van het Donders Instituut (Radboud Universiteit) doet dat twee tot drie nachten per week.

Over de auteur
Kaya Bouma schrijft voor de Volkskrant over psyche, brein en gedrag. Ook schrijft ze over de geestelijke gezondheidszorg.

Het onderzoek vindt plaats in het Donders ‘slaap- en geheugenlab’. Dat mag voor de argeloze buitenstaander klinken als een met slimme apparatuur volgehangen laboratorium, ingericht op optimaal slaapcomfort, in de praktijk is het een doodgewoon kantoor met systeemplafond en schel tl-licht.

De deelnemers, studenten vooral (maar ook buitenstaanders zijn welkom), slapen in totaal drie nachten in een aparte ruimte binnen dat kantoor. Hun hoofd, gezicht en buik worden de avond van tevoren beplakt met elektroden. Op een kastje naast hun bed staat een indrukwekkende stapel signaalversterkers die mee moet als ze ’s nachts naar de wc willen. Er staat een camera op hun bed gericht en ze communiceren met de onderzoekers via een microfoon.

De van oorsprong Zwitserse Schoch zit gedurende de hele nacht een paar meter verderop en tuurt naar het scherm waarop de hersensignalen binnenkomen. Gaat het lijntje dat de oogbewegingen van de slapende proefpersoon weergeeft een poos lang snel op en neer, dan weet ze dat de REM-slaap (Rapid Eye Movement-sleep) is aangebroken: de slaapfase waarin we het meest en het kleurrijkst dromen.

In de praktijk gaan die dromen vaak over het onderzoek zelf én, weet Schoch, over háár, de persoon die een deelnemer tijdens zo’n nacht in het slaaplab zo’n beetje elk uur wakker maakt om ze te vragen naar hun dromen.

Ook in de droom van de 24-jarige Chinese student die vannacht meedoet, is ze prominent aanwezig. Als Schoch hem via de microfoon met haar liefste stemgeluid wekt en vraagt naar zijn droom, begint hij aan een ingewikkeld plot dat van start gaat in het slaaplab, maar waar Schoch en hij al snel in een Japanse woongemeenschap belanden, waar ze worden achtervolgd door woeste Japanners met zwaarden.

‘Het is doodeng, we kunnen nergens heen’, klinkt het slaperig. Schochs vingers ratelen in hoog tempo over het toetsenbord om zo veel mogelijk details vast te leggen. ‘Maar dan herinner ik me dat ik zelf een zwaard heb en ik gebruik een magische truc om het zwaard te laten vliegen. We vliegen samen weg.’

Als de student even later in een apotheek zijn tanden staat te poetsen en tegelijkertijd zijn makelaar tegenkomt (in zijn droom dus), vraagt hij hem een huis te zoeken. In de Japanse woongemeenschap graag.

We dromen allemaal, elke nacht, al onthouden we er vaak weinig van. Waarom eigenlijk? Wat is de functie van de vaak onnavolgbare avonturen die we beleven in onze slaap?

Het is een vraag waarmee wetenschappers zich nog niet zo gek lang bezighouden. Droomonderzoek gold tot een jaar of tien geleden als ‘career killer’, carrièresloper, zegt Martin Dresler, neurowetenschapper en hoofdonderzoeker van het Nijmeegse slaaplab.

Dat had te maken met het zweverige imago van dit onderzoeksgebied. Het interpreteren van dromen was iets voor handlezers en sterrenwichelaars. Dat Sigmund Freud een boek gewijd heeft aan dromen (een uiting van onderdrukte verlangens, volgens de psychoanalyticus), schrok wetenschappers ook af.

Zelf deed Dresler zijn onderzoek naar dromen lang naast zijn gewone slaaponderzoek. Pas de laatste vijf jaar heeft droomonderzoek het zweverige imago van zich af weten te schudden, zegt hij. ‘Er zijn wereldwijd steeds meer laboratoria die zich hiermee bezighouden en het wordt makkelijker om onderzoeksfinanciering te krijgen.’

Los van het imago is het onderzoeken van dromen ook domweg tijdrovend en moeilijk. Proefpersonen moeten een nacht in een slaaplab doorbrengen en liever nog twee of drie: om eerst te wennen aan het slapen volgehangen met apparatuur.

Vervolgens is het de vraag in hoeverre ze in staat blijken hun dromen te reproduceren. ‘Soms moet je het doen met één woord’, zegt Schoch. ‘Laatst had ik iemand die alleen maar zei: schaal.’

In de toekomst wordt het wellicht mogelijk om met behulp van hersenscanners en AI een kijkje in het hoofd van mensen te nemen terwijl ze dromen, maar tot die tijd betekent dromenonderzoek nachtwerk voor wetenschappers.

‘De derde nacht in de week is het zwaarst’, zegt Schoch, die net hersteld is van het postcovidsyndroom en voor de zekerheid nog een mondkapje draagt. Dat haar buren hun huis verbouwen precies als zij probeert te slapen helpt ook niet mee.

Niet vreemd dus dat veel onderzoek naar dromen kleinschalig is. ‘Er doen vaak maar 20 of 25 proefpersonen mee aan een studie. We weten binnen de psychologie dat dat niet genoeg is om betrouwbare uitspraken te kunnen doen als je een klein effect onderzoekt.’

Zelf wil Schoch meer dan negentig proefpersonen aan haar onderzoek laten meedoen. Het betekent dat ze nog zeker een jaar aan slapeloze nachten tegemoet gaat. Ze is begonnen in maart. ‘Ik snap steeds beter waarom dit nooit eerder gedaan is.’ Iedereen vindt het leuk om prachtige hypotheses te verzinnen over waarom we dromen, zegt ze. ‘Maar weinig mensen zijn bereid om het ook echt te onderzoeken.’

Dat wetenschappers vooralsnog meer vragen dan antwoorden hebben over dromen is, kortom, niet verwonderlijk.

Er bestaan zelfs wetenschappers die denken dat dromen überhaupt niet bestaan, vertelt dromenonderzoeker Francesca Siclari, die afgelopen voorjaar haar dromenlab vanuit het Zwitserse Lausanne naar het Nederlands Herseninstituut verhuisde. ‘Ze denken dat dromen verhalen zijn die ons brein verzint als we wakker worden.’

Zelf is ze ervan overtuigd dat mensen wel dromen tijdens het slapen. Ze vertelt over een onderzoek dat ze een paar jaar geleden met collega’s deed. Daarbij maakten ze 46 proefpersonen in totaal meer dan duizend keer wakker (gedurende meerdere nachten) om ze uit te horen over hun dromen.

Haar onderzoek maakte voor het eerst inzichtelijk hoe een dromend brein eruitziet en hoe dat verschilt van een brein dat droomloos slaapt. ‘Het interessante was: we konden zien dat wanneer iemand droomde over een gesprek de hersengebieden die te maken hebben met spraak oplichten.’

Hetzelfde gold voor beweging, gedachten, ruimtes en gezichten: de inhoud van de droom kwam overeen met hoe de hersenen zich zouden gedragen als ze echt naar een gezicht zouden kijken.

Wat haar betreft, zegt Siclari, maakt dat overtuigend duidelijk dat dromen echt zijn en in real time plaatsvinden terwijl we slapen. ‘Maar er zijn nog altijd hardcorecritici die niet overtuigd zijn.’

Haar onderzoek gaf ook het begin van een antwoord op een andere belangrijke vraag. Hoe ontstaat een droom? Stel je een droom voor als een film die wordt afgespeeld op een bioscoopscherm, zegt Siclari. ‘Dan weten we nu waar het scherm zich bevindt, hoe dromen eruitziet in de hersenen. Maar hoe ontstaat een droom? Hoe komt de film op het scherm? Waar staat de projector? Wie is de regisseur van de film? We weten het niet.’

Overdag is het klip en klaar waar zintuiglijke prikkels vandaan komen. Beelden komen binnen via de ogen, geluiden via de oren. Als we slapen zijn onze zintuigen afgesloten. Hoe komt het dat we in onze dromen dan toch zien, voelen, soms zelfs ruiken en proeven?

En, om terug te komen op de vraag die in dit stuk centraal staat: waarom vindt er überhaupt ’s nachts een filmvertoning plaats in ons hoofd?

Ook die vraag is verre van opgelost. Maar er bestaan wel allerlei theorieën over. De een wilder dan de ander.

Om met de meest prozaïsche theorie te beginnen: dromen hebben geen enkele functie. Dat idee is mede-afkomstig van de inmiddels overleden Amerikaanse psychiater John Allan Hobson, grondlegger van veel droomonderzoek.

Hij opperde dat dromen geen dieper doel hebben. Ze zijn simpelweg een bijwerking van de neurologische processen die zich in onze slaap voltrekken. Dromen zijn pogingen van ons brein om chocola te maken van neuronen die ’s nachts allerlei signalen uitzenden.

Het is ook wat nachtmerrie-onderzoeker Jaap Lancee (Universiteit van Amsterdam) het meest waarschijnlijk acht. Althans: in eerste instantie. ‘Van de REM-slaap weten we wat de functie is. Die slaapfase helpt onder andere de emotionele lading van een herinnering af te pellen. Ik denk dat dromen daar een uiting van kunnen zijn. Maar ik vraag me af of het verwerken zelf ook in je droom gebeurt.’

Maar, en dat is veelzeggend voor hoeveel onzekerheid er nog bestaat over waarom we dromen, halverwege het gesprek begint Lancee toch te twijfelen. ‘Ik ben gecharmeerd van de theorie dat dromen een restproduct zijn, maar eigenlijk is het vreemd om te zeggen dat we in onze REM-slaap een nare herinnering van de emotionele lading ontdoen en dat het verder irrelevant is als we op zo’n moment ook over die herinnering dromen.’

Nee, bij nader inzien, zegt de onderzoeker, lijkt hem toch logischer als er wel een w Source: Volkskrant

Previous

Next