In juli daalden de Chinese consumentenprijzen met 0,3 procent, blijkt uit cijfers van het Chinese statistiekbureau. Vooral de kosten van voedsel, transport en huishoudelijke artikelen daalden hard in het Aziatische land.
Dat betekent dat China geen last heeft van inflatie, zoals veel Europese landen, maar juist vreest voor deflatie. Terwijl we bij inflatie spreken van een stijging van de prijzen van goederen en diensten, is er bij deflatie sprake van een daling.
In veel landen gingen consumenten meer besteden nadat de coronabeperkingen werden opgeheven. Bedrijven hadden moeite om de vraag bij te houden. Toen de energiekosten omhoog gingen tijdens de oorlog in Oekraïne werden de prijzen steeds hoger. Dat leidde tot inflatie.
In China stegen de prijzen in het land juist niet toen de coronamaatregelen verdwenen. Dat betekent dus dat de Chinese bevolking en bedrijven juist bijna geen geld uitgaven.
Wanneer mensen minder uitgeven, zijn bedrijven vaak genoodzaakt hun producten en diensten voor lagere prijzen aan te bieden. Dat zorgde ervoor dat de Chinese economie in het slop raakte.
In China zijn er nog twee grote aanjagers die ervoor zorgen dat het niet goed gaat met de economie. Dat zijn de export en de huizenmarkt. Problemen in de export en de vastgoedmarkt remmen de economische groei in China. Het is daarom cruciaal voor het herstel van economie dat het snel beter gaat in die twee sectoren.
Deflatie is vooral een probleem als een land hoge schulden heeft, omdat die dan moeilijker terug te betalen zijn. En dat heeft het Aziatische land op dit moment. Toch blijft de overheid ontkennen dat het land wegglijdt in deflatie. "Over het algemeen is er geen deflatie in de Chinese samenleving, en dat zal ook in de toekomst niet gebeuren", verklaarde Fu Linghui, een werknemer van het Nationaal Bureau voor de Statistiek, vorige maand op een persconferentie.
Source: Nu.nl economisch