Home

Kenners over de ongrijpbare zanger Nick Drake: ‘Zijn stem en timbre, daar word je mee geboren, dat kun je niet nadoen’

Nick Drake blijft generaties muziekliefhebbers inspireren. In het jaar dat hij 75 zou zijn geworden, verschijnen een album met covers van zijn werk en een gloednieuwe biografie. De Volkskrant vroeg drie muzikanten over hun ervaring met de liedjes van de onnavolgbare Engelse zanger.

Hij werd maar 26 jaar en maakte niet meer dan drie platen, een halve eeuw geleden, en toch wordt de Engelse zanger en gitarist Nick Drake (1948-1974) steeds opnieuw herontdekt. Zijn muziek was dan ook bijzonder. Hij speelde onnavolgbaar gitaar, gaf een liedje als River Man een ongebruikelijke vijfvierde maatsoort en zong al zijn nummers fluweelzacht en zonder enige stemverheffing.

Zijn zang en gitaarspel zijn niet te imiteren. De opdracht die de erven van Nick Drake gaven aan de artiesten die meededen aan het onlangs verschenen eerbetoon The Endless Coloured Ways, was niet voor niets: blijf zo ver mogelijk van het origineel.

Want hoe mooi, puur en zuiver Drakes liedjes ook zijn: alleen wie er echt iets anders van maakt, lukt het de betovering van het werk op te roepen. Zoals bijvoorbeeld Fontaines D.C. doet met Cello Song of John Grant met Day Is Done. Ze halen het pastorale en akoestische uit de arrangementen en bouwen met respectievelijk rockgitaren en zoemende synths een nieuwe omgeving waarin de melodielijn knap overeind blijft.

Over de auteur
Gijsbert Kamer is sinds 1992 muziekjournalist. Hij schrijft voor de Volkskrant recensies, interviews en beschouwingen over pop en jazz.

Met Drakes authentieke en unieke muziek maakte in 1999 een hele nieuwe generatie kennis toen Volkswagen het nummer Pink Moon gebruikte voor een reclamespot. Pink Moon is het titelnummer van het derde en laatste album van Drake, uit 1972. Een moeilijk, soms abstract klinkend, zwaarmoedig werk van 28 minuten waarmee zelfs zijn grootste bewonderaars, zoals zijn manager en platenbaas Joe Boyd of de gitarist Richard Thompson, grote moeite hadden. Ze misten het contrast tussen licht en donker dat eerdere platen kenmerkte. Er was alleen nog maar duisternis.

Drake was toen ook al een getroebleerd man, die leed aan zware depressies. Hij werd op 25 november 1974 dood aangetroffen in zijn ouderlijk huis in Tanworth-in-Arden in Engeland, waar hij de laatste drie jaar van zijn leven werd verzorgd door zijn ouders Molly en Rodney. Een overdosis van een anti-depressivum (tientallen pillen) was hem fataal geworden. De lijkschouwer stelde zelfmoord vast.

Met die diagnose hebben de inmiddels overleden ouders van Drake en zijn zus Gabrielle (nu 79) nooit kunnen leven. Zij gingen uit van een ongeluk en werden daarin gesterkt door een bevriende psychiater die Drake nog onder zijn hoede had gehad. In een lange empathische brief stelt hij dat er te weinig bekend was van de aard van Drakes ziekte (de diagnose ‘een simpele vorm van schizofrenie’ noemt hij betekenisloos) om te te concluderen dat er een causaal verband tussen ziekte, medicatie en zelfmoord zou bestaan.

Deze brief besluit de vuistdikke nieuwe biografie Nick Drake: The Life, geschreven door Richard Morton Jack. Hij kreeg als eerste toestemming het familiearchief te raadplegen. Vooral door de vele bewaard gebleven brieven die Rodney Drake aan zijn zoon schreef krijg je een andere indruk van Drakes korte leven dan uit eerdere biografieën, zoals die van Patrick Humphries uit 1997.

Het beeld van Nick Drake, zoals dat na zijn dood steeds duidelijkere contouren kreeg, was dat van een miskend liedjesschrijver die aan podiumangst en ander psychisch ongemak leed. Mensenschuw, niet begrepen door zijn ouders en moeilijk in de communicatie. De diagnose ‘zelfdoding’ droeg bij aan de mythevorming van de verdoemde kunstenaar.

Richard Morton Jack weerlegt met zijn forensische aanpak veel hiervan. Hij heeft zo ongeveer met alle nog levende mensen gesproken die Drake in zijn korte leven heeft ontmoet. Vooral waar het de beschrijving van Drakes adolescentie en zijn laatste jaren in Far Leys, zijn ouderlijk huis, betreft, levert dat veel nieuwe inzichten op.

Drake was een opgewekte, intelligente maar weinig opvallende leerling. Goed in sport en bepaald geen eenling. Hij trok er als tiener met zijn vrienden op uit naar Zuid-Frankrijk en Marokko, waar hij The Rolling Stones ontmoette en zelfs een moppie gitaar speelde en zong terwijl Mick Jagger goedkeurend toeluisterde.

Dat doe je niet als je podiumangst hebt, stelt de auteur terecht vast. Drake was ook bepaald niet onzeker over zijn eigen liedjes, die hij als student aan Cambridge begon te schrijven. Hij ging er zelf mee de boer op, en vond een welwillend oor bij Chris Blackwell van platenlabel Island, die hem op dat moment (1967) niet tussen zijn artiesten vond passen.

Het was door een optreden in de Roundhouse in Londen dat Drake werd ontdekt door Ashley Hutchings, die zelf in Fairport Convention speelde. Hutchings tipte manager Joe Boyd, die zeer onder de indruk was van Drakes gitaarspel en zang en met hem een plaat wilde maken. Dit debuutalbum Five Leaves Left verscheen in 1969 op Island, het label waar Drake zelf eerder had aangeklopt.

Boyd is tot op de dag van vandaag misschien wel de grootste Drake-fan gebleven. Hij was bij alle postume re-issues en Drake-tributes betrokken en verwijt zichzelf onder meer in zijn eigen memoires (White Bicycles, 2005) dat hij zich niet meer met zijn nieuwe act heeft beziggehouden, zowel op persoonlijk vlak als met de promotie van zijn muziek.

Net als Island-baas Chris Blackwell ging hij ervan uit dat Five Leaves Left sterk genoeg was om zichzelf te verkopen. Ze namen er genoegen mee dat Drake liever geen promotieoptredens deed. Niet omdat hij podiumangst had, maar omdat hij zich in rumoerige concertzalen met zijn akoestische gitaar en zachte, omfloerste zang zo moeilijk verstaanbaar kon maken. Ook hoefde hij geen interviews te geven, omdat hij daar geen zin in had.

Uiteindelijk kregen ze Drake toch zover om in de grote Londense Royal Festival Hall (capaciteit 2.500 bezoekers) het voorprogramma van Fairport Convention te laten doen. Het werd goed ontvangen, maar hier viel al op dat Drakes podiumgedrag niet erg uitnodigend was. Hij had tussen de nummers minuten nodig om zijn gitaar in de juiste stemming te krijgen.

Drake maakte gebruik van zogeheten open stemmingen. Hij stemde niet standaard EADGBE, van laag naar hoog, maar in een open D- of G-akkoord, dat ontstaat als je alle snaren open aanraakt. Dat vereiste steeds veel bijdraaien van snaren, wat tijd kostte die hij niet vulde met leuke praatjes. Drake sprak geen woord tegen het steeds ongeduldiger wordende publiek.

Toch bleef hij optreden. Hij ging zelfs even mee als voorprogramma van de toen opkomende band Genesis. Maar na een stuk of dertig concerten had hij er genoeg van en zou hij zich alleen nog toeleggen op platen maken.

Helaas, ook zijn tweede album, het wat uitbundiger Bryter Layter (1971), werd niet het succes waarop was gerekend. Boyd betreurt nog steeds dat hij te veel in Amerika was voor andere zaken om zich goed met zijn protegé bezig te houden.

Het is te gemakkelijk om het gebrek aan succes van Nick Drake te koppelen aan zijn depressies, maar die werden in die tijd wel steeds ernstiger. Wanhopig stelt Drake aan Boyd, als die weer even in het land is, de vraag hoe het toch kan dat kenners hem zo briljant vinden, maar dat hij zijn platen nauwelijks verkoopt.

Een antwoord daarop geeft ook Morton Jack niet in zijn biografie. Behalve dat er in die tijd gewoon te veel singer-songwriters platen uitbrachten om opgemerkt te worden, en dat Drake daar meer last van had omdat hij geen promotie wilde doen.

Maar steun was er volop. Zijn platenmaatschappij bleef in hem geloven en hoewel zijn vader hem regelmatig brieven stuurde met het verzoek om zijn studie te verkiezen boven muziek maken, bleef Rodney zijn zoon ook financieel bijstaan toen die de brui gaf aan zijn studie Engelse letteren.

In 1972 kwam Pink Moon uit. Toen ging het al erg slecht met Drake. Vader Rodney is dan aan een dagboek begonnen waarin hij minutieus beschrijft hoe de situatie van zijn zoon is. Richard Morton Jack citeert er rijkelijk uit in de laatste honderd pagina’s van zijn boek. Tot op het laatst is Drake gestimuleerd om nog muziek te gaan maken, het leverde onder meer het aangrijpende liedje Black Eyed Dog op, met de hond als personificatie van de dood. Het kwam in 1979 met drie andere nagelaten nummers als bonustrack op de box Fruit Tree met het verzameld werk van Drake.

Zijn muziek is, op uitdrukkelijk verzoek van Joe Boyd, altijd leverbaar gebleven en werd door steeds weer nieuwe generaties popliefhebbers omarmd. Een onnavolgbaar oe Source: Volkskrant

Previous

Next