Na bijna een jaar wil voormalig Kamervoorzitter Arib weleens weten waarvan ze nou precies wordt beschuldigd. Het is onbestaanbaar dat ze daar zelf achteraan moet.
Het antwoord zullen we nooit kennen, maar de vraag is inmiddels gerechtvaardigd: zou het presidium van de Tweede Kamer vorig jaar ook hebben besloten tot het instellen van een onderzoek naar het gedrag van voormalig voorzitter Khadija Arib als het had geweten wat dat teweeg zou brengen?
In het Volkskrant Commentaar wordt het standpunt van de krant verwoord. Het komt tot stand na een discussie tussen de commentatoren en de hoofdredactie.
Arib hield de eer al snel aan zichzelf en zag een glansrijke politieke carrière alsnog eindigen in de vangrail, de complete ambtelijke top van de Kamer volgde niet veel later, het presidium zelf – met voorzitter Vera Bergkamp voorop – ligt sindsdien onder het scherpe vergrootglas van de rest van de Kamer. Met vuur betoogde Bergkamp in het najaar dat ze niet anders kon dan een onderzoek gelasten naar de klachten: ze dreigde anders als werkgever in gebreke te blijven. Maar in een belangrijk deel van de Kamer overheerst nog altijd de verbijstering over de manier waarop ze een gevierde oud-voorzitter op basis van niet-traceerbare, anonieme klachten in de wind zette. De kans dat ze na de aanstaande verkiezingen wordt herkozen als Kamervoorzitter is niet bijster groot.
Maar dat zijn slechts de politieke gevolgen. Op menselijk niveau zou het presidium zich het zeer moeten aantrekken dat Arib nu al bijna een jaar wordt achtervolgd door klachten die ze zelf niet kent. Ze moet het doen met de melding dat er in twee anonieme brieven over haar is geklaagd en met de berichten die er daarna in de media over zijn verschenen. Ook na al die maanden is ze nog niet formeel tot in detail op de hoogte gebracht, door het presidium noch door het bureau dat de zaak onderzoekt.
Dat is onverteerbaar. Natuurlijk kunnen er omstandigheden zijn waarin de anonimiteit van klagers gewaarborgd moet worden, zeker als het gaat om seksueel overschrijdend gedrag of om slachtoffers in een ondergeschikte, kwetsbare positie. Uit onderzoek van deze krant bleek echter dat alle signalen erop duiden dat het in dit geval in hoge mate ging om een arbeidsconflict tussen Arib en de ambtelijke top van de Kamer, zonder duidelijke machtsverhouding. Zoiets zou gewoon met open vizier moeten worden uitgesproken. En op z’n minst hebben alle betrokkenen er recht op te weten waarover het gaat.
Tot die conclusie kwam eerder dit jaar ook regeringscommissaris Mariëtte Hamer, in haar handreiking voor organisaties die te maken krijgen met klachten over grensoverschrijdend gedrag. ‘Betrek ook de beschuldigde in een vroeg stadium bij het proces’, was daarvan een belangrijke pijler. ‘Bedenk dat er voor hem of haar eveneens een grote impact kan zijn.’
De zaak rond Arib liep toen al, maar ook daarna hadden de onderzoekers nog kans genoeg om Arib uitdrukkelijk op de hoogte te stellen van wat er speelt. Alleen het aanbod om ‘op locatie’ een en ander te kunnen lezen, volstaat niet. In een strafzaak zou geen enkele verdachte daarmee genoegen nemen. Het is dan ook eigenlijk een wonder dat Arib nu pas een advocaat heeft ingeschakeld om de stukken op te vragen en te zorgen dat ze zich ordentelijk kan gaan verdedigen.
Source: Volkskrant