Zou dat vandaag nog wel kunnen? William Friedkin was zo’n bezeten regisseur die het maximale uit zijn films wilde halen. Daartoe zocht hij de grens op, en ging er geregeld overheen. Kon hem het wat schelen? Je had bij iedere film maar een kans om er iets bijzonders van te maken.
Een bullebak op de set. Zelf zou hij het eerder toewijding willen noemen, zo lezen we in zijn memoires The Friedkin Connection (2013). Het leverde, meende hij, toch maar mooi klassiekers op als The French Connection (1971), The Exorcist (1973) en To Live and Die in L.A. (1985). En dat was ook zo.
Ja, oké. Hij gold als controversieel. Hij deed gewoon alles voor een verrassend shot. Op zoek naar een schokeffect bij zijn acteurs kon hij die zomaar uit het niets een pets in het gezicht geven, of akeliger nog: bespuwen.
Een ander idee was om bij The Exorcist de temperatuur in de kamer van het door de duivel bezeten meisje Regan MacNeil (Linda Blair) tot het vriespunt te brengen. En zij zat daar in haar nachtjapon, rillend.
Dat kwam de suspense van deze bovennatuurlijke thriller zeer ten goede.
Wat je noemt een heftige regisseur, opgegroeid op de gewelddadige straten van Chicago. Met typerende stoere praat: ‘Was ik geen filmregisseur geworden, dan was ik nu seriemoordenaar.’
Van krankzinnige achtervolgingen was Friedkin trouwens ook enorm. Beroemd is die ruim zeven minuten durende chase uit The French Connection. In een Pontiac LeMans, die hij van een passant vordert, gaat Gene Hackman achter huurmoordenaar Pierre Nicoli (Marcel Bozzuffi) aan die met de A-trein naar Brooklyn dreigt te ontsnappen.
Director of photography Owen Roizman monteerde zijn camera op de voorbumper, en het effect is bloedstollend. De kijker wordt met zijn neus op het asfalt gedrukt. Op de auto ervoor is eveneens een camera geplaatst, zodat we Hackman (en zijn stunt double Bill Hickman) ook frontaal zien.
Dwars door Brooklyn scheuren, onder die spoorbaan, stuntlieden duiken in hun rol van winkelend publiek ternauwernood weg. Half gechoreografeerd, half spontaan, deze scène. Hij kreeg er zijn enige regie-Oscar voor.
Friedkin in zijn memoires: ‘Het was onverantwoord. We namen veel te veel risico.’ Maar hij wilde per se die achtervolging uit Bullet (1968) met Steve McQueen overtreffen. En ook opvallend: geen muziek eronder, maar gehengst van staal op staal. Friedkin: ‘We stonden in de studio met hamers op een aambeeld te rammen.’
Zo’n achtervolging deed Friedkin in To Live and Die in L.A. nog eens dunnetjes over. Op de snelweg, maar dan tegen het verkeer in, nu negen minuten lang. Andermaal een pandemonium. Het duurde zes weken voordat alles er perfect op stond.
De film, en niets dan de film, en niemand was veilig. Zelfs de grote acteur Gene Hackman niet. Tijdens een nachtelijke opname voor The French Connection moest hij in een kil New York als inspecteur Jimmy ‘Popeye’ Doyle posten om een drugsdeal te onderscheppen.
Gevangen in een longshot met grofkorrelig beeld krijgt hij een beker koffie aangereikt, die hij na een slok onmiddellijk wegsmijt. Niet gespeeld. Wat zat daar in die koffie? Een schep zout? Hackman stond bekend om zijn humeurige temperament. Daar gaan we eens even gebruik van maken, zo plande Friedkin vooraf.
Als regisseur behoorde hij tot de wilde generatie van wat ‘The New Hollywood’ is gaan heten. Amerikaanse filmmakers uit de jaren zeventig, een illuster rijtje dat loopt van Francis Ford Coppola, Martin Scorsese, George Lucas en Dennis Hopper tot aan Peter Bogdanovich, Paul Schrader en Michael Cimino.
Na hitfilms als Easy Rider, The Godfather en Taxi Driver claimden ze met succes bij de grote studio’s een positie als ‘auteur’ – de filmmaker als autonoom kunstenaar, naar het voorbeeld van de Europese cinema. Totdat de hele stroming in 1979/1980 door megalomane projecten als Apocalypse Now en Heaven’s Gate weer implodeerde, waar hun lifestyle van seks en drugs en rock-’n-roll ook niet echt meehielp.
Maar het was leuk zolang het duurde, en in al zijn bezetenheid paste William Friedkin daar perfect tussen. Aanvankelijk begon hij – zoon van joodse immigranten uit Oekraïne – nog in het veld van de documentaire, maar hij verhuisde in 1965 vanuit Chicago naar de westkust om maar speelfilms te kunnen maken. Precies op tijd voor New Hollywood, dus.
En ze maakten school.
In het recent verschenen boek Cinema Speculation roemt Quentin Tarantino die generatie nog eens: ‘De post-sixties anti-establishment auteurs wonnen de revolutie. En om het oude studiosysteem te zien omvallen deed ze net zoveel pijn als de Franse revolutionairen die Marie-Antoinette lachend uit Versailles verjoegen.’
Niet alles wat Friedkin aanraakte veranderde in goud. Over zijn misdaadfilms als Sorcerer (1977), Cruising (1980) of het oorlogsdrama Rules of Engagement liepen de meningen nogal uiteen. Hoort net zo goed allemaal bij het filmvak, wist Friedkin zelf ook wel. En nu is hij op 7 augustus in Los Angeles overleden, 87 jaar oud, en laat hij zijn vierde vrouw en twee zoon achter, alsook een oeuvre van twintig speelfilms.
Een definitief afscheid is het nog niet. Zijn allerlaatste film, het juridische drama The Caine Mutiny Court-Marshall, zal naar verluidt postuum en ongetwijfeld met veel eerbetoon op het komende filmfestival van Venetië (buiten competitie) in première gaan.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden