N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Schrijfster Dalilla Hermans, een belangrijke stem in het racismedebat in België, werd doelwit van de populairste politicus van Vlaanderen. Een stroom haatberichten volgde.
In de nok van een pand boven Cinema Lumière, hartje Brugge, verschijnt schrijfster Dalilla Hermans (37) breeduit glimlachend, alsof ze onlangs niet wekenlang met de dood bedreigd werd. Haar gesprekspartner omhelst ze, ook al is het de allereerste ontmoeting. Doet ze altijd.
„Sorry voor mijn gezwollen oog”, zegt ze nog voor ze koffie heeft ingeschonken. „Ik werd gestoken door een mug en ik ben allergisch.” Ze wijst ernaar, het valt niet op. Dat doet haar kapsel wel; opgeschoren aan de zijkanten, gekleurde vlechtjes als een rieten mandje op haar hoofd gedraaid. Ze draagt gouden oorbellen en een denim broekpak boven zwarte All Stars.
Dalilla Hermans, in Vlaanderen toonaangevend schrijfster van zeven boeken en meer dan vijfhonderd korte columns (‘cursiefjes’) op pagina 3 van de Belgische krant De Standaard, krabbelt op na wat ze een van de meest traumatische perioden van haar leven noemt. Na afloop van een uitzending van Terzake, een actualiteitenprogramma van de publieke omroep VRT, kreeg ze eind maart een stortvloed aan haatberichten en doodsbedreigingen over zich heen die haar wereld en die van haar man en drie jonge kinderen compleet op z’n kop zette. „April was een vreselijke maand.”
Dalilla Hermans (1986) werd geboren in het Rwandese dorp Musumba-Nyamabuye en als tweejarige geadopteerd door een echtpaar uit Turnhout. Ze ging studeren, maar ze maakte geen studie af. Ze schreef zeven boeken en meer dan 500 korte columns voor De Standaard. Voor Brugge mag ze proberen de titel Culturele Hoofdstad van Europa 2030 binnen te halen, en ze is Vlaams jurylid van de Libris Literatuurprijs.
Na haar benoeming als trajectcoördinator van Brugge Culturele Hoofdstad 2030, begon de extreemrechtse partij Vlaams Belang een campagne om dat tegen te houden. De lokale afdeling van die partij in Brugge eiste haar ontslag. Bart De Wever, Antwerps burgemeester namens de rechtse partij Nieuw-Vlaamse Alliantie (N-VA) en de populairste politicus van Vlaanderen, nam dat discours over en kwam in de studio praten over het fenomeen ‘woke’, waarover hij onlangs een boek uitbracht. Volgens hem is woke de opdeling van de samenleving in „een dadergroep; de beruchte blanke, hoogopgeleide, autochtone man” en „een slachtoffergroep; de mensen met minder dan zeven vinkjes”. Woke creëert polarisatie, zei hij er ook bij.
In die context moest Hermans het ontgelden, als gezicht van die slachtoffergroep, omdat ze zes jaar geleden in een interview met De Standaard in zijn ogen racistische dingen over witte mensen had gezegd, namelijk het volgende: „In de loop van de geschiedenis stonden de blanken altijd aan de verkeerde kant. In bijna elk verhaal brachten de blanken dood, verderf en miserie. […] Terwijl de zwarten hun lot telkens overstegen. Dat geeft mij een soort trots.”
De Wever zou haar vanwege dat citaat nooit hebben aangesteld als degene die voor Brugge de titel Culturele Hoofdstad van Europa 2030 moest binnenhalen, zoals toen net bekend was geworden. Vlak na de uitzending stroomde de inbox van Hermans over van haat. Het ergste vond ze het filmpje van een zwarte man wiens vingers en tong worden afgehakt. Tegen die persoon heeft ze aangifte gedaan.
Nu was ze wel wat gewend – als ze een nieuw boek publiceerde, een scherpe column schreef, als ze lezingen hield die door iemand uit het publiek als aanstootgevend werden ervaren. Ze reist uit veiligheidsoverwegingen al jaren in de eerste klas, nadat iemand die haar door Antwerpen had zien lopen mailde dat hij de volgende keer op het gaspedaal zou drukken. Maar dit, twee weken nadat ze was benoemd als coördinator van het bid, had ze nooit zien aankomen.
Ze wil eerst context scheppen over haar uitspraak van zes jaar geleden. „Mijn eerste boek is net uit en ik ben hoogzwanger. Ik word vier uur lang door twee journalisten geïnterviewd, samen met Nozizwe Dube. Zij was als eerste zwarte vrouw voorzitter van de Vlaamse Jeugdraad, waar ik persverantwoordelijke was. Het wordt een vermoeiend interview, waarin we over pijnlijke herinneringen vertellen. Aan het einde krijgen we de vraag: ‘Zwart zijn lijkt wel alleen maar kommer en kwel. Is er ook nog iets wat je goed vindt aan zwarten?’ Ik vond dat een bizarre vraag. Toen heb ik gezegd: eerlijk, als ik kijk naar de geschiedenis, dan vind ik dat blanke mensen vaak aan de verkeerde kant van de geschiedenis hebben gestaan… et cetera. Dat was het einde van het gesprek.”
Hermans voelde meteen: dit gaat gevoelig liggen. Ze vroeg om haar uitspraak wat te nuanceren – ze had het woordje ‘altijd’ graag in ‘meestal’ veranderd en opperde context – maar daar reageerden de journalisten niet op. Er ontstond geen commotie, tot haar grote opluchting. Maar zes jaar later dus wel. „Chapeau voor het communicatieteam van De Wever hoor”, zegt ze nu. „Alles wat ik in al die jaren heb geschreven, is zo gematigd. Dit was een stijlbreuk voor mij. En nu hebben ze één ding kunnen vinden om tegen mij te gebruiken.”
Dalilla Hermans was bijna drie toen ze met haar zusje van bijna vijf door een Belgisch gezin werd geadopteerd. Van haar prille jeugd in een dorpje bij Gitarama in Rwanda herinnert ze zich niets meer, hoewel ze bij terugkeer jaren later op een of andere manier precies wist op welke hoek er een kapperszaak moest zitten.
Ze groeit op in een wit gezin bij liefhebbende ouders, niet ver van Turnhout. Op school doet ze het goed, ze doorloopt de lagere klassen zonder problemen. Ze heeft veel vrienden, vriendjes, gaat uit – „I was all good”, zegt ze. Wel heeft ze altijd het gevoel gehad te willen rennen, zo veel mogelijk te willen doen met het leven dat ze heeft gekregen. „Als je geadopteerd wordt, komt er een knak in je levenslijn. Ik denk dat er daardoor altijd een soort drang is geweest om mijn eigen verhaal te schrijven.”
Waar al haar vrienden naar Antwerpen en Leuven gaan, vertrekt zij op haar achttiende naar Gent. Ze gaat er „op kot” om sociologie te studeren. Ver weg van haar ouders zijn vindt ze niks, dus die studie breekt ze gauw weer af. Via de kunstacademie in Antwerpen, een lerarenopleiding en journalistiek – studies die ze allemaal niet afmaakt – komt ze in het jongerenwerk en later bij de Vlaamse Jeugdraad terecht, waar ze als persverantwoordelijke aan de slag gaat.
Het is een periode waarin ze frictie voelt in de Belgische maatschappij. Theo Francken is in 2014 namens de N-VA staatssecretaris voor Asiel geworden en sprak in die rol over „kut-Marokkanen”. Meer en meer besefte Hermans dat ze een kind van kleur op een wereld zou gaan zetten waarin ze zelf ook „kwetsuren” had opgelopen. „Uit bescherming” begon ze de politiek beter in de gaten te houden, waar ze tot dan toe matig in geïnteresseerd was. „Ik zag overal incidenten, en kon er ook niet meer van wegkijken.”
Op een middag gaat ze tijdens een lange autorit tekeer tegen haar man Willem. Hij zegt: volgens mij moet je dit eens op papier zetten. Het resultaat is een open brief met als titel ‘Ik ben het beu om te doen alsof het allemaal wel meevalt’, die ze eind 2014 gepubliceerd krijgt op de website De Wereld Morgen.
Hermans vertelt in de brief dat ze als kind niet op verjaardagsfeestjes mocht komen, dat ze niet slaagde voor haar rijexamen omdat haar instructeur zei dat ‘haar volk’ niet kon rijden, dat ze eens onder werd geplast door een groep skinheads. Het moet allemaal maar eens besproken worden, fulmineert ze, en niet zonder effect.
„De brief ging ‘viral’. Alle kranten schreven erover op de voorpagina. Eerst waren de reacties louter positief. Iedereen was geschrokken; dat dit nog bestond! Maar toen iemand van de N-VA een blog schreef waarin stond dat ik witte mensen een schuldgevoel aanpraatte, begonnen de haatberichten.”
Ineens is ze een belangrijke stem in het racismedebat. Hermans gaat in de jaren die volgen op alle aanbiedingen van de media in. Ze doet mee aan tv-programma’s, helpt acht jaar lang achter de schermen bij de omroep VRT „zonder ook maar één factuur” te sturen. „Ik dacht: ik wilde zo graag zwarte representatie, dan moet ik het nu allemaal doen ook.” Door een interviewserie in een feministisch tijdschrift over racisme valt ze op bij een uitgeverij. In 2017 schrijft ze binnen vijf maanden, tijdens de zwangerschap van haar tweede kindje, haar eerste boek: Brief aan Cooper en de wereld. Daarin vertelt ze haar oudste zoon hoe het is om op te groeien „als bruin wolkje in een zee van wit”.
Al bijna tien jaar wordt ze eens in de zoveel tijd geconfronteerd met haat. „Waarom? Omdat ik de eerste Vlaamse van kleur was die een ruim platform in de mainstream media kreeg om op een directe manier over de gevolgen van racisme te schrijven.”
Ze dacht met bedreigingen altijd goed om te kunnen gaan, bijvoorbeeld door haar sociale media door iemand te laten filteren, of door „een extra glas wijn” te drinken. Maar omdat het eind maart zo onverwacht kwam en zo lang aanhield, werd ze er harder dan ooit door getroffen.
Zelfs haar zoontje Cooper kon ze er niet van weghouden. Hij zat op YouTube t Source: NRC