Mathieu van der Poel is de sprankeling van de sport. Zijn wereldtitel wielrennen is de beloning voor durf en volharding, de lauwerkrans voor de kampioen die niet gewoon wil winnen, maar bijzonder. Die aanvalt als hij vorm voelt vloeien door het lijf en die van sport kunst maakt, in alle kleuren van de regenboog. Zijn zege is ook een metafoor voor het leven. Vallen. Opstaan, geloof houden, doorgaan. Overleven. Winnen.
Adembenemend was de uithoudingsproef in Glasgow. Een gil van ontzetting klonk in duizenden Nederlandse huishoudens na De Val. Je zit op de bank en precies op het moment dat je tegen je familie zegt dat Mathieu van der Poel de eerste Nederlandse wereldkampioen gaat worden sinds Joop Zoetemelk in 1985, veel meer dan een half leven geleden, glijdt hij weg in de krappe bocht naar rechts, door de plassen op het asfalt. Zestien kilometer voor de finish, met dertig tellen voorsprong.
Over de auteur
Willem Vissers is meer dan 25 jaar voetbalverslaggever. Hij versloeg acht WK’s. Vissers schrijft elke week een sportcolumn voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
.
Hup, zo het hek in. Zet de beelden stil en kijk naar de toeschouwers, achter hek en plantenbak. Eentje slaat de hand voor haar mond, een ander maakt een foto. Is Van der Poel gewond? Is het voorbij? Ja. Nee, toch niet. Hij staat op, springt op zijn fiets, krijgt een duwtje en maalt door. Waar zijn de anderen? Is de tijdwaarneming stuk? Niet dus. De voorsprong groeit alleen, omdat de achtervolgers blijkbaar niet weten dat hij is gevallen in een wedstrijd zonder oortjes. Leve de oortjesloze tijd. Van der Poel was weggereden op de stadsheuvel, met een verzengende krachtsexplosie, op het moment dat de groep renners uit de hoogste kaste van de sport neerstreek op vluchter Alberto Bettiol. Ram, ram, ram, weg.
Ach, dat rare stadsparcours ook, het aangeklede criterium met al die bochten en het matige wegdek. De slagregens. Regen na zonneschijn, zonneschijn na regen. Droge weg. Natte weg. En dan valt hij potverdorie als hij bijna kampioen is. Dat kan toch niet. Fiets kapot? Valt mee. Elleboog kapot? Ja, bloed, maar maakt niet uit. Shirt kapot? Ja, dat kan straks naar het Museum van de Heroïek. Schoen kapot? Ja, de bovenste sluiting. Hij repareert onderweg.
De louterende laatste kilometers, als hij weet dat hij gaat winnen en als het gejuich langs de kant intens klinkt. Oeoeoeoe. Genieten, als bondscoach Koos Moerenhout even naast hem komt rijden, zijn blije hoofd uit het raampje hangt, op de autodeur tikt en ‘historie jongen’ roept. Van der Poel hoeft geen risico’s meer te nemen. Tijdens het laatste stukje prevelt hij in zichzelf over deze overwinning en over revanche op vorig jaar, toen zijn voorbereiding naar de filistijnen was omdat hij ruzie kreeg met een paar rumoerige meiden op de gang van het hotel.
Hij schudt het hoofd en legt de handen van ongeloof op de witte helm. De wereldkampioen veldrijden is nu ook wereldkampioen op de weg en wie weet, later, wereldkampioen mountainbike. Wat een podium: 1. Van der Poel, 2. Van Aert, 3. Pogacar. Het is een zege die over 38 jaar nog indruk maakt, een overwinning voor de eeuwigheid.
Source: Volkskrant