Home

Een landgoed maken voor vogels, vlinders en vleermuizen? Met geduld, zegt Roel Winters, lukt het

‘Dit is spannend, hoor.’ Roel Winters parkeert het elektrokarretje strategisch op een zandpad, aan de rand van zijn landgoed. We hebben zojuist een patrijs gehoord, en daarna nog een. Er is een kans, zegt Winters, dat ze het zandpad oversteken. We wachten. Winters: ‘Vogelen is veel uren maken en het is vooral heerlijk. Vorig jaar stond ik hier ook, toen kwam hier een paartje patrijzen uit met zeventien kuikens.’

Uren brengt Roel Winters dagelijks zo door op zijn particuliere landgoed De Langakkers, in Leende, grenzend aan het Leenderbos. Niet alleen vogels observeert hij, hij telt ook vlinders op vaste vlinderroutes, en vleermuizen, ’s nachts. Maar vooral beheert hij de ‘natuurtuin’, of misschien beter, zijn ‘kleinschalig cultuurlandschap’ van 22 hectare.

Over de auteur
Caspar Janssen schrijft voor de Volkskrant over natuur, biodiversiteit en landschap.

Hij kijkt vooral ook naar wat er waar en wanneer moet gebeuren op welk deel van het landgoed. Dat is onderverdeeld in verschillende gebiedjes, met daar doorheen linten van zelf gevlochten heggen, van meidoorns, afgewisseld met andere soorten. Tweeënhalve kilometer heg heeft hij ooit aangeplant, schat hij, in jargon zijn het knip- en scheerheggen. Ze dienen als veekering, maar ‘ze brengen ook symmetrie in het landschap. En ze barsten van de vogelnestjes en ander leven.’ Vanochtend nog stond hij van een afstandje te kijken naar een heg waarvan hij wist dat er een nest geelgorzen in verborgen zat. Na een half uur werd hij beloond. ‘Mannetje en vrouwtje, allebei met een groene rups in de bek, voor hun jongen.’

Geduld heb je nodig, zegt hij. We worden nu ook beloond: twee patrijzen vliegen opeens het zandpad over. Vijf paartjes patrijzen heeft hij dit jaar op zijn land. Dat zijn dichtheden die bijna nergens worden gehaald.

Patrijs en geelgors zijn typisch soorten voor het landschap dat Roel Winters hier heeft gemaakt. Want dat is het, gemaakt landschap, het zit tussen cultuur en natuur in. ‘Als ik hier niets zou doen, werd het bos.’

Maar Winters wilde zo veel mogelijk biodiversiteit toen hij hier 25 jaar geleden begon of, in eerste instantie: zo veel mogelijk vogelsoorten, en zeker kwetsbare en bedreigde vogels van het boerenland. ‘Dit is in feite een variant van het landschap dat hier een eeuw geleden was. Hier kun je zien hoe biodivers cultuurland in het beste geval kan zijn.’

Van de overheid valt al jaren weinig te verwachten als het gaat om het beschermen van natuur, biodiversiteit en landschap. Dus nemen particulieren het heft in eigen hand, al of niet in de geest van de punkcultuur, eind jaren zeventig, toen de toestand ook uitzichtloos leek. ‘Dan doen we het zelf wel’ is een korte reeks van Caspar Janssen, die zelf zijn stadsbalkon omtoverde tot oase voor bijen en andere beestjes.

En weer door, in het karretje. Het is lastig voor te stellen dat dit kleine Arcadië 25 jaar geleden nog aspergeland was. Twintig jaar lang teelde Winters hier asperges. Maar als kind was hij al ‘bezeten van vogels’. Later begon hij zich zorgen te maken over de achteruitgang van natuur. En al teelde hij zijn asperges zo milieuvriendelijk mogelijk, toch gooide hij het roer om. Hij betrok het ouderlijk huis dat uitkijkt op het gebied, en begon met de tuin. De coniferen en rododendrons haalde hij weg. En het keurige gazon. ‘Ik heb alle exoten verwijderd. Eigenlijk alles dus. Alleen de notenbomen en een paardekastanje bleven staan.’

Dat was nog maar het begin. Hij besloot ook het aspergeland deels om te zetten naar ‘natuur’, deels naar ‘akkerreservaat’. Hij vroeg de status aan van landgoed in het kader van de Natuurschoonwet (NSW). Daarna begon hij inheemse planten en bomen te planten en heggen te vlechten. Met ‘bloemrijk grasland’ daartussen. Een deel bleef landbouwgrond, maar die gebruikte hij ook alleen om vogels te gerieven. Roggeveldjes met veel kruiden dienen als broedgelegenheid, voor voedsel en dekking. De rogge wordt wel gemaaid, maar niet geoogst. En wintervoedselakkertjes, met gewassen die hij in de winter liet staan, en waar nu honderden vogels ’s winters van eten: ‘Groepen van dertig, veertig geelgorzen, kneutjes, putters, groenlingen, noem maar op.’

Hij bekostigt bijna alles uit de verhuur van het bedrijventerreintje dat bij het landgoed hoort. Er staan een paar loodsen op en het wordt omgeven door bomen, door houtwallen en bloemstroken. Op het terrein ligt een enorme composthoop. ‘Dat is het maaisel dat ik van mijn land haal. Het gaat straks als supercompost weer de akkertjes op.’ In de loodsen zijn nestkasten voor kerkuilen en gierzwaluwen, beide volop in gebruik. Op het dak liggen zonnepanelen. Er is geen buitenverlichting. ‘De huurders weten dat ik een milieufreak ben.’

Dan weer verder op het ‘natuurterrein’. Het is een slecht vlinderjaar, vindt ook Winters. Maar intussen fladderen er nogal wat vlinders, ondanks het half bewolkte weer. Veel koninginnenpages, maar ook zandoogjes, kolibrievlinders, een veldparelmoervlinder en nog wat gewone soorten. En er vliegen bijen, veel bijen. Boven de bloemrijke graslandjes, met tientallen soorten inheemse planten, in verschillende stadia van bloei. Inheems, omdat die planten een relatie hebben met de bestuivers en andere insecten die hier leven. Winters heeft veel kruidenmengsels ingezaaid, maar de bodem blijft verder onberoerd. Het geheim van het beheer is een uitgekiende mix van begrazing en maaien, en het afvoeren van maaisel, zegt hij. In de verte zien we Brandrode runderen nog op de zomerwei, die begrazen de grotere stukken. Voor de kleinere graslandjes gebruikt Winters heideschapen, en de allerkleinste stukjes maait hij, in fases. ‘Niet met een klepelmaaier, want dat overleven de meeste insecten niet, maar met de maaibalk.’

Soms laat hij een stukje bloemrijk grasland ‘overstaan’ in de winter. ‘Dit is arme grond, de kunst is om zo weinig mogelijk te maaien, maar wel net genoeg en vooral: precies op het goede moment.’ In de praktijk is dat meestal één keer per jaar, soms twee. ‘In principe ergens in oktober of november, maar soms een stukje in juni, want dan kan er nog nabloei komen.’ Het is dit soort dingen dat hij langzaam maar zeker onder de knie heeft gekregen. Variatie is de sleutel tot succes. Het resultaat, onder meer: meer dan 50 soorten broedvogels en rond de 25 dagvlindersoorten. En, zegt hij, ‘hier zijn weleens 100 nachtvlindersoorten in één nacht geteld.’

Nog even stoppen bij de vleermuiskelder die hij heeft gemaakt. ‘Dit is een ondergronds gangenstelstel van 64 meter.’ Hier overwinteren baardvleermuizen, grootoorvleermuizen en franjestaarten. Verderop ligt ook een oeverzwaluwwandje, aan zijn huis nestelen gierzwaluwen, en huiszwaluwen in een til op het landgoed. ‘Ik heb ooit een paar iepen geplant, in de hoop de iepenpage hier te krijgen. En dit jaar, 20 jaar later, was het raak. Zie je: je moet geduld hebben.’ Het aantal geelgorzen, patrijzen, grasmussen, roodborsttapuiten en zwaluwen is in die jaren flink gestegen. De spotvogel is een vaste broedvogel geworden. En dan zijn er nog de vogels die het landgoed gebruiken zonder er vooralsnog te broeden. ‘Wielewalen, pas nog, en de orpheusspotvogel. Ik heb eens een dood boompje de grond ingestoken, omdat ik weet dat draaihalzen er van houden. En wat zat er vorig jaar op die boom: een draaihals.’

Hij heeft ook foto’s van de in Nederland als broedvogel uitgestorven ortolanen, die tijdens de najaarstrek kwam uitrusten en eten op zijn terrein. ‘Dat was zo geweldig.’ Overigens: helemaal ongevoelig voor de grotere ontwikkelingen is zijn landgoed ook weer niet. De ringmus, die het bijna overal slecht doet, verdween ook bij Winters. ‘En zomertortels zijn er al jaren niet meer.’

Is het toch niet wat vreemd om landbouwgrond om te zetten in natuur? Nou ja, in dit geval niet, vindt Winters. ‘Dit is arme zandgrond, slechte landbouwgrond. Met veel kunstmest, bestrijdingsmiddelen en beregening kun je hier wel wat, maar ik denk dat je hier beter natuur kunt hebben. Ik produceer nu biodiversiteit, voedsel voor vogels en andere soorten. Dat doe ik zo efficiënt mogelijk, want ik voel me nog altijd een beetje boer, of ondernemer. Zonder kunstmest, zonder bestrijdingsmiddelen. Zonder beregening ook, ik onttrek geen water aan deze droge gronden.’

Over een paadje, met een paarse middenberm met tijm, gaat het dan terug. De oogst van twee uurtjes rondkarren: kneuen, putters, geelgorzen, grasmussen, roodborsttapuiten, patrijzen, spreeuwen, zwaluwen, torenvalk en nog veel meer. We kijken nog even naar een dood boompje, dat Winters heeft geplaatst speciaal voor de grauwe klauwier, een van zijn wenssoorten. Zo’n boompje is ideaal om vanuit te jagen en om prooien op te spietsen. ‘Ik heb hier al een paar jaar grauwe klauwieren, baltsend ook, maar een broedgeval heb ik nog niet gehad.’ We turen nog wat en dan roept Winters opeens: ‘Shit, daar zit-ie, in het boompje. Grauwe klauwier! Een mannetje! Loeimooi!’

Tips van Roel Winters voor een natuurtuin annex soortenrijk boerencultuurland

1. Niet schoffelen, geen bodembewerking, behalve in de moestuin en op de akkers.

2. Geen beregening, behalve bij de aanplant van jonge boompjes

3. Geen chemische middelen, dus ook geen kunstmest

4. Begrazen en maaien op verschillende niveaus, door koeien, schapen of met de maaibalk. Zeker niet maaien met de klepelmaaier, de ‘mulchmaaier’ of de maairobot, want daarmee dood je heel veel insecten.

5. Elektrisch, benzinevrij gereeds Source: Volkskrant

Previous

Next