Home

‘Onderzoeken naar grensoverschrijdend gedrag zijn nóg slechter geworden’

Integriteitsonderzoek rammelt structureel en dat werkt in het nadeel van de beklaagde, zegt hoogleraar bestuurskunde Michiel de Vries. ‘Alle onderzoeksbureaus schrijven toe naar het belang van de opdrachtgever.’

Op de laatste pagina van zijn boek staat een zin, gericht aan mensen die beschuldigd worden van grensoverschrijdend gedrag en naar wie een onderzoek is ingesteld. Een zin die eindigt in kapitalen: ‘Wanneer u het idee heeft dat de opdrachtgever van een dergelijk onderzoek een probleem met u heeft (...): WERK DAN NIET MEE.’

Michiel de Vries (65), sinds 2005 hoogleraar bestuurskunde in Nijmegen en gespecialiseerd in methoden en technieken van onderzoek, windt er geen doekjes om. Integriteitsonderzoek rammelt aan alle kanten, altijd. Uit onderzoek dat hij deed bleek zelfs ruim driekwart zeer ondeugdelijk. Vandaar de titel van zijn boek: Kapot (Uitgeverij Blauwburgwal). Want dat is volgens hem het lot van mensen die worden beschuldigd van grensoverschrijdend gedrag. Vriendschappen gaan stuk, familie verbreekt het contact, arbeidscontracten worden beëindigd, een bankroet komt dichtbij – ze worden gesloopt, of ze nu schuldig worden bevonden of niet.

Bij rechtszaken over grensoverschrijdend gedrag wordt hij geregeld als deskundige opgevoerd. Zo was hij aanwezig bij de zaak van Volt tegen Kamerlid Nilufer Gündogan, waar advocaat Geert-Jan Knoops de voor onderzoeksbureaus desastreuze resultaten van De Vries’ contra-expertise opvoerde om aannemelijk te maken waarom Gündogan niet wilde meewerken aan een onderzoek.

Aan de keukentafel in Ede vertelt hij hoe zijn belangstelling voor het onderwerp begon met een oud-student, die directeur van een schuldhulpverleningsbank was geworden. De bank ging reorganiseren, er moesten mensen weg. ‘Hij deed dat transparant: jongens, over vier jaar zitten we hier nog met driekwart van de mensen. Dan krijg je onrust. Mensen gaan aan hun cv werken, mensen gaan anderen pesten. Zijn schuld, vonden ze. Er kwamen klachten over pesten en intimidatie. De directeur moest weg, vond het bestuur. Een bureau deed onderzoek. Hij meldde zich bij mij: ‘Michiel, kun je dat rapport eens bekijken?’ Ik vond het slecht onderzoek.’

Later kwam de Wassenaarse seksrel, waarbij na een raadsvergadering seksueel intimiderende opmerkingen zouden zijn gemaakt. Onderzoeksbureau Bing constateerde dat het ‘onwaarschijnlijk’ was dat er iets gebeurd was, de accountantskamer vond dat onderzoek onzorgvuldig. Waarop Bing De Vries vroeg te kijken of hun onderzoeksmethode goed was. Nee, oordeelde De Vries. Nog weer later raakte hij betrokken bij de zaak van procureur-generaal Mark van Nimwegen, op non-actief gesteld wegens een geheime liefdesrelatie op het werk.

In 2017 analyseerde hij samen met een student 47 rapporten om te zien of de gebreken structureel waren. De conclusie: 77 procent is echt ondermaats. Toen bureaus vorig jaar zeiden dat ze nu veel beter werken, deed hij opnieuw contra-expertise naar veertig zaken. ‘Het is alleen maar erger geworden.’ Constateerde hij tot 2017 nog gemiddeld 2,2 fouten per onderzoek, na 2017 liep dat op tot 3,1.

‘Het moralistische is dominant geworden in het oordeel. Het is hun eigen moraliteit die de doorslag geeft bij het beoordelen van gedrag.

‘Je ziet ook dat opdrachtgevers vaker vooraf hun mening geven over wat het onderzoek moet opleveren. Die zeggen: Gijs van Dijk (het PvdA-Kamerlid dat wegens seksueel grensoverschrijdend gedrag werd gedwongen terug te treden, red.) is een slechte ambassadeur van de PvdA. Ga dan nog maar eens als onderzoeker het tegenovergestelde concluderen. Ik ben geen onderzoek tegengekomen waarvan de uitkomst tegengesteld was aan wat de opdrachtgever publiekelijk zei. Er is honderd procent overeenkomst.’

‘In die zaak van de reorganisatie bij die schuldhulpverlenersbank hadden de medewerkers een heel duidelijk belang bij vertraging. Wel 40 procent van de medewerkers voelt zich onveilig, was de conclusie van het onderzoek, veel meer dan het landelijk gemiddelde. Zo kom je tot de conclusie die de opdrachtgever wil, namelijk dat die directeur een lastpost is. Dat ze zich onveilig voelen omdat de reorganisatie banen gaat kosten wordt niet meegewogen.

‘Bij de beoordeling van mogelijk grensoverschrijdend gedrag moeten verschillende invalshoeken worden meegewogen: juridisch, moralistisch, rekening houdend met de gevolgen van gedrag of contextueel, dus met inachtneming van cultuur, tijdgeest, omstandigheden en zo verder. Doe je dat, dan sta je boven dat pure moralisme, hoop ik. Mijn opvattingen kan niemand me ontzeggen. Mijn vrouw en ik zijn veertig jaar getrouwd, dat zou ik niet graag iedereen willen opleggen. Maar als onderzoekers zeggen: wij vinden relaties tussen collega’s ongewenst, dan zijn dat hún normen. Dan is dat volgens hen grensoverschrijdend gedrag, whatever that may be.’

‘Gebruik die term niet meer, zou ik zeggen. Noem verkrachting gewoon verkrachting, noem aanranding aanranding, pesten pesten en intimidatie intimidatie. Als iemand beschuldigd wordt van grensoverschrijdend gedrag, denken mensen aan dickpics of aanranding. Terwijl het om onschuldige dingen kan gaan. Mariëtte Hamer, regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag, geeft in haar brochure het voorbeeld van Sonja, een marktkoopvrouw, aan wie wordt gevraagd: mag ik een foto van je maken want je bent zo mooi. Is dit het ernstigste voorbeeld dat je kunt bedenken? Dan pas ik niet meer in deze samenleving.’

‘Dus de ander bepaalt: nu overschrijd je mijn grenzen. Dat vind ik problematisch. Je kunt niet altijd weten of een ander zich er prettig bij voelt. Er zou moeten staan: doorgaan met gedrag terwijl een ander laat merken dat niet fijn te vinden.

‘In een organisatie is nu eenmaal hiërarchie, ook dat speelt een rol. Er zijn mensen die andere mensen beoordelen of opdrachten geven. Als je als leidinggevende een functioneringsgesprek voert, kan dat negatief uitpakken. Is dat reden om de baas te beschuldigen van intimidatie, van machtsmisbruik? Zoiets hoort bij de functie, en dat vergeet Mariëtte Hamer.

‘Als collega’s met dergelijke klachten komen, ben je meteen verdacht. Dan ben je al een lastpak of heb je andere ideeën. Zo was het met Gündogan, met Kamervoorzitter Khadija Arib en met Van Dijk. Dit zijn heel milde klachten, oordeelde de rechter bij Gündogan.’

‘Sinds de uitzending van Boos over The Voice is dat geëxplodeerd. Per onderzoeksbureau gaat het om honderden zaken. Het is big business geworden. Ik wijt het aan een doorgeschoten wokecultuur. Ik heb niks tegen woke, ik ben voor gelijkheid van man en vrouw, van blank en zwart. Maar als iemand op je werk verdriet heeft en je slaat je arm om haar schouder, dan wil je niet beschuldigd worden van grensoverschrijdend gedrag.’

‘Hoor en wederhoor is een basisprincipe in een rechtsstaat. Ze zeggen dat die vertrouwelijkheid ter bescherming van de melders is. Maar als een beschuldigde niet weet waarvan hij of zij beschuldigd wordt, is dat vreselijk. Tegen anonieme klachten kun je je niet verweren. Gündogan heeft lang moeten wachten voordat ze wist wat de klachten waren, Arib weet het nog steeds niet precies.

‘Er loopt nu een zaak van een klinisch psycholoog in Amsterdam. Die mocht driekwart jaar niet werken, zonder te weten waarom. Ze ging eraan onderdoor. Wat blijkt: een junior medewerkster had fantastische ideeën over hoe de praktijk te verbeteren. Die werden niet meteen overgenomen. Dan voel ik mij heel onveilig, zei die medewerkster en diende een klacht in. Ik zie u al met een juniorjournalist. Die zegt: meneer Ariejan, ik weet precies hoe u het beter kan doen. En als dat niet gebeurt, wordt u beschuldigd van een onveilige cultuur.

‘Er zijn belangen van de melder, de beschuldigde, de organisatie, de onderzoekers. Onderzoekers nemen alleen het belang van de opdrachtgever mee en dat van hen zelf. Ze zullen melders nooit vragen of er misschien een oneigenlijk belang achter de melding kan zitten. Bij Gündogan was de klager een medewerker wiens arbeidscontract beëindigd werd. Zoiets moet je meenemen.’

‘Interviews leveren nauwelijks controleerbare resultaten op. Collega’s praten op hun afdeling met elkaar: wat heb jij gezegd, wat hebben ze jou gevraagd, hoe heb je geantwoord? Dan zijn de antwoorden niet meer onafhankelijk. Soms willen mensen hun baas kwijt, of willen bazen hun medewerker kwijt. Ze bespreken onderling hoe ze dat moeten aanpakken.’

‘Vaak is het een optelsom. Integriteitsonderzoek is een vrije markt die gereguleerd moet worden. Bijvoorbeeld door ook de beschuldigde ondersteuning te geven. Die kun je begeleiden naar een interview, zodat een meer gelijk speelveld ontstaat. Er moeten ook regels komen voor de mate van openbaarheid. Nu kan het gebeuren dat een beschuldigde met zijn advocaat een uur met het eindrapport in een kamertje mag zitten, alleen om de verwijten aan zijn adres in te zien, dus zonder context. Ze mogen ook geen aantekeningen maken.’

‘Over individuele bureaus wil ik niet praten. Ze maken allemaal ernstige fouten. En ze schrijven allemaal toe naar het belang van de opdrachtgevers. De een maakt zich schuldig aan het verkeerd gebruiken van statistieken, de ander zoekt het in een vaag feitenrelaas.’

‘Ik zie het niet. Het is eerder denken in termen van belangen dan van deugdelijk onderzoek. Heb je mensen die verstand hebben van onderzoek? Heb je mensen die forensisch onderzoek kunnen doen, die kennis hebben van statistiek, verstand van ethiek, van personeelszaken? Ik heb niet het idee dat de commissie-Van Rijn dat allemaa Source: Volkskrant

Previous

Next