‘Life is meals’, schreef James Salter in 1975. Nu zouden we zeggen, iets minder fijnzinnig: eten is identiteit.
Op het populaire Instagramaccount @havermelkelite, waar een bepaald type stedeling zowel gevierd als bespot wordt, kwam ik deze week een geestige meme tegen. Ik wil graag een wake-upcall, zegt een man in een hotelbed aan de telefoon tegen de receptioniste. Zij antwoordt: ‘Uit eten gaan is geen persoonlijkheid.’
Dat zal ze leren, die jonge, saai-knappe welvarenden die je overal in de grootstedelijke horeca ziet opduiken. Ze zijn zo verrekte zorgeloos, denk ik als ik ze zie, en meteen daarna: ze zijn vooral zo leeg. En nog iets later: ze lijken misschien meer op mij dan ik wil.
Ja, ik erger me ook aan de havermelkelite, hoewel velen die mij passeren op straat of koffie horen bestellen me vermoedelijk in deze groep indelen. Al vaker viel me op: je hebt de grootste hekel aan de mensen die veel op je lijken, maar het net helemaal verkeerd hebben begrepen.
‘Er is een groep die zich moreel verheven voelt omdat ze havermelk van Oatly verkiezen boven koemelk’, zei een voedseldeskundige een tijdje terug in Het Parool. Een observatie die je vaker tegenkomt. Daar zal inderdaad een deel van de ergernis van veel mensen zitten, net zoals ze zich moreel geïntimideerd voelen door Frans Timmermans of Sigrid Kaag. Ze ervaren minachting, zelfs als die niet werkelijk wordt geuit.
Maar ik wil toch beargumenteren waarom die observatie – pardon my French – bourdieuaanse bullshit is. (Sorry dat ik deze column wat schools opbouw; soms is het lekker om te weten waar je aan toe bent. Zin in, toch? Oké, gaan we.)
Het idee van eten als moreel statussymbool is een verre nazaat van de distinctietheorie uit 1979. Voor sociologen die in Bourdieu een soort god zien, positioneer je je met je gedrag in een klasse of veld. Kritiek van een schrijver op een medeschrijver wordt dan geduid als: zie mij een positie innemen ten opzichte van diegene.
Er zijn, kortom, altijd verborgen intenties. Je voorkeuren voor kleding, muziek, films en boeken komen volgens de Bourdieu-school in de eerste plaats niet voort uit je bewondering voor de kwaliteit, nee, je onderscheidt je ermee van anderen. Je laat je cultureel kapitaal zien: ik luister Animal Collective en lees Annie Ernaux omdat ik een filosofiestudent op de UvA ben met een Cineville-pas op zak. Of: ik begin een column met een James Salter-quote zodat insiders weten hoe belezen ik ben.
Er zit een kern van waarheid in. Natuurlijk is ons gedrag deels performatief, des te meer sinds we onszelf online zo goed aan anderen kunnen tonen. Natuurlijk word je gevormd door klasse en achtergrond. En natuurlijk spelen er onbewuste processen mee bij smaak. Soms besluit je zonder het goed te beseffen al van tevoren dat je Tár of Aftersun een meesterwerk gaat vinden (zijn ze ook, maar dat terzijde).
Het publieke debat is nu, decennia later, doordrenkt met het distinctiedenken. Zeker als het over duurzame keuzen gaat. Minder vlees eten, geen zuivel drinken, niet meer vliegen – het zouden expressies zijn van een goed afgesteld moreel kompas. Zo kun je laten zien dat je deugt en tot welke groep je behoort.
De impliciete boodschap is: die keuzen zijn niet oprecht, ze zijn volgzaam, en de enige beloning is de bevestiging van je soortgenoten. Een nogal cynische conclusie die bovendien geen bewijs nodig heeft – een verborgen intentie kun je bij een ander alleen met een onderbuikgevoel aanwijzen. Elke keuze wordt zo gereduceerd tot strategisch gedrag om de bubbel te pleasen.
Ja, we zijn kuddedieren. Als veel mensen om je heen veganistisch eten, is de kans groter dat je daarover gaat nadenken. En dat nadenken doe je doorgaans pas als je tot een comfortabele klasse bent toegetreden. Maar dat is wat anders dan: ik doe dit om te laten zien dat ik die positie heb bereikt.
Ik vermoed dat de meeste mensen het statusaspect nauwelijks belangrijk vinden. Minder vlees eten is – voor de meesten – een vervelende opoffering. Als ze er niet overtuigd van waren dat het beter is voor dieren en planeet, hadden ze het niet gedaan. Eten doe je nu eenmaal vaak in het bijzijn van anderen, elke keuze is in your face, maar daarmee nog niet opschepperig.
Een havercappuccino bestellen is eerder lichtelijk genant – omdat het zo’n dom symbool is geworden. Of probeer eens, als je in Nederland ergens te gast bent, te zeggen dat je liever vegetarisch eet. Dat levert zelden applaus of status op. Behalve als je houdt van de status: wat een hoogdravende lul dat hij ons een kutgevoel geeft over onze entrecote.
Je kunt de moreel-verheven-uitspraak dus beter herformuleren: er is een groep die havermelk verkiest boven koemelk, vanwege het klimaat of dierenwelzijn, en omdat het legitieme redenen zijn, krijgen anderen het gevoel dat ze moreel inferieur zijn. Dat is zielig voor die mensen (maar kennelijk ook weer niet zo zielig dat ze hun gedrag aanpassen). Als troost mogen ze eindeloos clichématig haten op deze elite.
Source: Volkskrant