N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Joan Didion Niemand is dieper afgedaald in de rusteloze Californische ziel dan Joan Didion. Jutta Chorus reist in het spoor van Didion en haar voorouders, negentiende-eeuwse settlers. „Het weegt nu eenmaal zwaar op ons slag dat we het misschien niet zullen halen met de huifkar.”
Een ijskoude nacht op de Noordpool, de vrouw leek dood te vriezen. Maar bij het aanbreken van de dag bevond ze zich in de woestijn, waar ze nog voor de lunch zou sterven van de hitte. Joan Didion, die bekend zou worden als een van de beste chroniqueurs van het Amerikaanse politieke en culturele discours, schreef dit verhaal toen ze een jaar of zes was, in een blauw schrift van het merk Big Five. „Het laat een zekere voorliefde zien voor het extreme die me in mijn volwassen leven is blijven achtervolgen”, schreef ze in het essay On Keeping A Notebook. Heet en koud, zand en sneeuw, leven en dood.
Aan dat verhaal moet ik denken als ik begin mei met een witte Chevrolet Malibu vanuit Salt Lake City de zoutwoestijn inrijd. Het is 36 graden Celsius. De lucht trilt aan de horizon en urenlang zie ik links en rechts alleen maar vuilwitte vlakten. Af en toe onderbroken door een autokarkas dat uit het zand steekt, een knalpot, een graf, een piepkleine tornado, die als een mattenklopper het stof opslaat. Geen levende ziel te bekennen.
Dit is de oer-reis door de Sierra Nevada, die settlers in de negentiende eeuw maakten, verlangend naar het paradijs Californië duizend kilometer verderop. Met door ossen voortgetrokken huifkarren door de brandende hitte over een pad dat geen weg was, 6,5 km per uur. Met een dikke krijtstreep van zout als horizon – wat een ontmoedigend uitzicht moet dat zijn geweest.
Ook de voorouders van Didion reisden in 1846 vanuit het huidige Arkansas naar het westen. Haar over-over-overgrootvader dominee Josephus Cornwall had al zijn boeken meegenomen, die zijn dochters wilden dumpen omdat ze te zwaar beladen waren voor de winterse oversteek van de Umpqua-rivier. Hun vader besloot dat ze dan liever in een hutje de lente zouden afwachten.
De Cornwalls waren een groot deel van de reis opgetrokken met een groep uit Illinois, die de Donner Party werd genoemd en die een onbekende binnendoorweg wilde nemen. Terwijl de Cornwalls vasthielden aan de gebruikelijke route, ploeterden de Donners door de zoutwoestijn. Hun uitgedroogde ossen liepen ’s nachts weg. Daardoor kwamen ze te laat aan – de winter was al ingevallen – in het woeste gebergte van de Sierra Nevada.
Als ik na anderhalve dag rijden, 120 km per uur, in de bergen aankom, sneeuwt het. Californië. Door een waas van sneeuwvlokken zie ik hoge rotsen, te onherbergzaam om te skiën. De weg uitgehold uit de sneeuw. In een tijdspanne van een etmaal is het 40 graden kouder geworden. Heet, koud. Wat in de winter van 1846 gebeurde bij het Truckee-meer tart elke beschrijving. De Donner-groep raakte verstrikt in sneeuwstormen en kon nauwelijks een onderkomen vinden. Er was te weinig eten en wat er nog was, raakte op. De hongerende leden aten uiteindelijk het vlees van hun overleden reisgezellen.
Ik koop een trui in een souvenirwinkeltje bij het meer, dat tegenwoordig Donner-meer heet. „Extreem veel sneeuw dit jaar”, zegt de verkoopster. „De bomen rond mijn huis zijn afgeknapt als luciferhoutjes.” De kolonist heeft de omstandigheden niet bedwongen, maar zich aangepast.
De Donners – hun naam staat, altijd vergezeld van het bijvoeglijk naamwoord ‘ill-fated’ (noodlottige), in de geschiedenisboeken. Het is wat de Amerikanen een cautionary tale noemen, een waarschuwing, maar ook met een soort bewondering er doorheen gemengd. De rijke Donners hadden hun comfortabele bestaan in Illinois opgegeven en het onbekende opgezocht, aangelokt door gratis land en een goed klimaat. En ze gingen onverbiddelijk naar de verdoemenis. „Een karaktervormende ervaring”, noemt een historicus het in de documentaire The Donner Party (1992) – alsof ze elkaar niet hadden opgegeten.
Didion ontleedde met chirurgische precisie het egocentrische hedonisme van de hippies
Joan Didion groeide op met dit legendarische schrikbeeld. Zou het de bron zijn geweest voor haar eerste verhaal over de vrouw op de Noordpool en in de woestijn? Op haar dertiende, vlak voor ze naar de middelbare school ging, sprak Joan haar medeleerlingen in Sacramento toe over hun ‘Californische erfenis’. Ze droeg een flets-groene jurk van organza zijde. „Zij die naar Californië kwamen waren niet de tevreden, gelukkige, genietende mensen, maar de avontuurlijken, de rustelozen en de waaghalzen”, zei ze. „Ze kwamen niet voor huizen en veiligheid, maar voor avontuur en geld.”
Als ze 74 jaar later overlijdt, in 2021, heeft Joan Didion decennialang journalistiek werk, romans, toneelstukken en filmscenario’s geschreven. Van haar rouwverwerkingsboek The Year of Magical Thinking (2005, ook in het Nederlands vertaald) zijn meer dan een miljoen exemplaren verkocht. Ze is vooral beroemd om haar reportages, doortrokken van persoonlijke observaties en gedachten. Ze zijn een prominent voorbeeld van New Journalism, een Amerikaanse stroming van journalisten die vanaf de jaren zestig literaire technieken begonnen te gebruiken voor de non-fictieverhalen die ze schreven op basis van hun observaties en bronnenmateriaal.
Didion ontleedde met chirurgische precisie het egocentrische hedonisme van de hippies. De door seks gedreven doodsdrift van The Doors – die ze bewonderde als ‘bad boys’. Ze ontmaskerde de leegte van president Ronald Reagan en hoe die perfect werd gebruikt voor een neoliberale revolutie. Ze versloeg de oorlog van de machthebbers tegen de bevolking van El Salvador. Ze portretteerde vicepresident Cheney als oorlogshitser zonder ruggengraat.
In elke goed gesorteerde boekhandel staan nog altijd haar werken, ook jonge Amerikanen blijven benieuwd naar haar visie op hun land en de tijdgeest. Over zichzelf schreef ze net zo genadeloos eerlijk als over elk ander onderwerp. Over haar dreigende echtscheiding, de plotselinge dood van haar man, John Gregory Dunne in 2003 en de aangekondigde dood van hun pleegdochter Quintana twee jaar later. Het leverde haar een hoge onderscheiding op in de Amerikaanse kunsten, de National Humanities Medal, in 2013 aan haar uitgereikt door president Obama.
Jezelf altijd meten met de settlers en jezelf altijd te licht bevinden. Ze was een nerveus kind, verklaarde Didion
Niemand is dieper afgedaald in de rusteloze Californische ziel dan Joan Didion. Ook toen ze later in New York woonde, kwam ze er steeds terug. „Hoe comfortabeler mijn vliegreis was, hoe ellendiger ik me vagelijk voelde. Het weegt nu eenmaal zwaar op ons slag dat we het misschien niet zullen halen met de huifkar”, schreef ze in het essay Notes From A Native Daughter (1965). Jezelf altijd meten met de settlers en jezelf altijd te licht bevinden. Ze was een nerveus kind, verklaarde ze.
In de tijd dat Didion over Californië begon te schrijven, stortte de Amerikaanse samenleving in. De opstand van de burgerrechtenbeweging had de schijnwerper gezet op racisme in de VS, de oorlog in Vietnam eiste zo’n hoge tol dat Didion begon te twijfelen aan de conservatieve overtuigingen die ze van thuis had meegekregen. De invasie van hippies in San Francisco in het voorjaar van 1967 markeerde in haar wereld een kantelpunt. Ze besloot de angsten die haar aanvlogen, te onderzoeken. Ze niet te ontvluchten maar al schrijvend te temmen.
Dat is ze meer dan veertig jaar blijven doen, tot en met het gedachtenisboek voor haar overleden dochter, Blue Nights, in 2011. En nu de Amerikaanse samenleving aan de rand van een nieuwe instorting lijkt te staan, vraag ik me af waar zij over zou schrijven als ze niet was overleden. Zou ze de politieke saboteurs van de Republikeinse Partij op de korrel nemen? De progressieve zeloten met hun telkens weer iets perfectere encyclopedie van hoe het heurt?
In een tijd dat iedereen zich nestelt in zijn eigen gelijk, is het hoe dan ook leerzaam het oeuvre van de onbevangen Didion op te slaan. Om te zien hoe iemand die zichzelf „elke dag moest dwingen om de deur uit te gaan”, zoals een vriend van haar me zei, de chaos uiteenrafelt en van de strengen haar hoogst particuliere patronen weeft.
Ik ben in Sacramento aangekomen, de stad in de vallei waar Didion opgroeide en die ze ‘het echte Californië’ noemde. Hier arriveerde het handjevol overlevenden van de Donner Party in de lente van 1847. Voor elk huis staan twee bomen, palmen, platanen, sequoia’s, een oude toezegging van het stadsbestuur aan iedereen die er een huis bouwde. Ze geven de stad ruimte en koelte.
Maurice Read, 90 jaar, springt in zijn zwarte Tesla voor een ritje door het Sacramento van zijn jeugd. Hij was een vriend van Didion en laat de witte Victoriaanse villa op de heuvel zien, waar zij opgroeide, haar middelbare school, het huis van haar grootouders waar ze een tijdje woonde toen haar ouders buiten de stad verkeerden, het junior college waar Maurice Joan voorstelde aan haar eerste vriendje. „Ze had een zachte stem en strawberry blonde haar dat ze elke dag waste.” Als hij verkeerd rijdt: „Verdraaid, ik word oud. Ik herinner me de straten alleen nog zoals ze waren.”
De mooiste plek van Sacramento is de samenloop van de heldere, koude American River uit de Sierra Nevada en de troebele, chocoladekleurige Sacramento River. Geen lieflijk gekabbel, maar een kolkende massa. Er staan waarschuwingsborden om bezoekers te behoeden voor een verdrink Source: NRC