Vierduizend jaar geleden kregen bewoners van het gebied waar later Tiel zou ontstaan een glimmende nieuwigheid in handen. Het ding, een kraal, was duizenden kilometers naar het zuidoosten gemaakt, in de omgeving van huidig Irak. Daar hadden Mesopotamische vaklieden de innovatieve kunst van het glasmaken in de vingers, en daar produceerden ze glazen kralen en andere versiersels. De meeste eindigden lokaal, maar sommige maakten een lange reis en één exemplaar belandde dus helemaal bij het latere Tiel.
Daar werd de kraal recentelijk gevonden door archeologen. Het bericht daarover, afgelopen juni, kwam in de schaduw te staan van nog opvallender nieuws uit dezelfde opgraving. Bij Tiel bleek zich namelijk een heiligdom met zonnekalender te bevinden, een ‘Nederlands Stonehenge’.
Toch verdient de glazen kraal ook aandacht. Hij illustreert dat mensen al vroeg in de geschiedenis over lange afstanden met elkaar in contact stonden. Ook toen reizen nog per voet ging. Nieuw onderzoek, zoals dat bij Tiel, maakt gestaag duidelijker hoever dat kon gaan.
Over de auteur
Geertje Dekkers is journalist gespecialiseerd in geschiedenis en schrijft o.a. voor de Volkskrant en het Historisch Nieuwsblad. Ze is auteur van twee boeken, waaronder Veel, klein en curieus. Over de wereld van Antoni van Leeuwenhoek (1632-1723).
Stokoud bewijs voor oude contacten lag in het Zargosgebergte in Irak, in een ondiepe grot. Die werd in de nadagen van de laatste ijstijd gebruikt, grofweg 17 duizend jaar geleden. Archeologen vonden er stukjes obsidiaan, een materiaal dat ontstaat als lava snel stolt en waarvan messen en andere scherpe gereedschappen kunnen worden gemaakt. De vondst was opmerkelijk, want van nature komt in het gebergte geen obsidiaan voor. Het materiaal was een heel eind naar het westen ontstaan, zo liet een analyse in 2018 zien. Het kwam uit Nemrut Dağı, een berg op 650 kilometer reizen van de grot waar archeologen het aantroffen. Dat was een flinke afstand, zeker omdat de mens nog geen paarden of kamelen gebruikte om op te rijden. Lopend kostte zo’n tocht al snel een maand.
Ruim tienduizend jaar later werd reizen in de regio een stuk makkelijker, want tegen het zesde millennium voor Christus wisten bewoners van het Nabije Oosten heel aardige bootjes te maken. Daarmee voeren ze over de Eufraat en de Tigris, de grote rivieren van Mesopotamië, en ook over de Perzische Golf. Aardewerk uit Zuid-Irak belandde toen langs de hele Perzische Golf: een duidelijk bewijs van contacten, vermoedelijk via het water.
Sindsdien nam de samenhang verder toe. Niet in een rechte lijn, want de geschiedenis van de regio was wisselvallig. Maar op de heel lange termijn was een duidelijke trend zichtbaar. Zo kwam er rond 3500 v.Chr. lapis lazuli – dat mooie, blauwe gesteente – uit het oosten van Afghanistan naar Irak, een slordige 2.000 kilometer naar het westen.
Minder kostbaar, maar zeker zo informatief, zijn stenen gewichtjes die in de volgende eeuwen opdoken, van oostelijk Griekenland tot aan de Perzische Golf. Ze werden gebruikt om op een balans het gewicht van handelswaar te bepalen. Die meetsteentjes verraden contacten in de hele regio. Verschillende streken hanteerden namelijk verschillende meeteenheden en brachten dus ook verschillende steentjes voort. Die werden vervolgens over de hele regio verspreid. Zo doken exemplaren met een Mesopotamische oorsprong op rond de Egeïsche Zee.
De handel ging intussen zelfs verder de wijde wereld in, weg van de grote beschavingen uit het Nabije Oosten. Naar de kusten van de Zwarte Zee, bijvoorbeeld. Een belangrijke route daarheen liep via de Dardanellen, aan de noordwestkant van Turkije. De bewoners van een stadje aan die kust ontvingen handelaren, die er soms moesten wachten op een gunstige wind, en ze verzamelden kostbaarheden van verre.
Heel veel later, in de 19de eeuw na Christus, onderzocht archeoloog Heinrich Schliemann de plek omdat hij overtuigd was dat het om Troje ging, de stad die tien jaar lang zou zijn belegerd door Grieken. Hij sloeg er aan het graven en verzamelde sieraden en andere kostbaarheden, die volgens hem afkomstig waren van Priamos, de Trojaanse koning uit de oorlogsverhalen.
Dat kan achteraf gezien niet kloppen, want de spullen waren rond 2500 v.Chr. geproduceerd en daarmee waren ze veel te oud om iets te maken te hebben met de Trojaanse oorlog van ruim duizend jaar later. Bijzonder waren ze wel, zo bleek eerder dit jaar opnieuw. Een technische analyse liet zien dat een deel van het goud op eenzelfde plaats gewonnen was als goud dat rond dezelfde tijd werd meegegeven aan doden in Ur, bij de Perzische Golf. Opnieuw een bewijs dus, voor verre connecties.
Tegen de tijd dat het goud aan de Dardanellen en in Ur belandde, zag het leven in het Nabije Oosten en rond de Middellandse Zee er totaal anders uit dan in de nadagen van de late ijstijd, toen het vroege obsidiaan werd verhandeld. Veel bewoners waren gestopt met jagen en verzamelen en leefden als boeren. Ze waren bovendien bij elkaar gaan wonen in stadjes en steden en er waren zelfs rijken ontstaan, zoals het Egyptische, het Assyrische en het Babylonische. De voorspoed van die mogendheden schommelde nogal, maar in stabiele tijden kon reizen er relatief veilig zijn, en dat was goed voor de handel.
Het grootste deel van Europa lag buiten die rijken, maar ook daar drongen goederen van verre door, zij het op minder grote schaal. Dat laat bijvoorbeeld de kraal uit Tiel zien, die een paar eeuwen na de ‘schat van Priamus’ werd gemaakt. Andersom reisde amber uit noordelijk Europa helemaal naar Mesopotamië. Dat bewezen onder meer twee amber kralen uit de periode, die werden gevonden in Assur (Irak).
Een stuk intensiever werd de verre handel in het eerste millennium voor Christus, en dat hing samen met de opkomst van nog veel grotere rijken, zoals het Perzische. Dat groeide vanaf de 6de eeuw voor Christus en strekte zich op zijn hoogtepunt uit van oostelijk Griekenland tot de Indusvallei. De heersers investeerden in wegen, die weer aansloten op andere handelsnetwerken verder naar het oosten en het westen. Zo konden inwoners bijvoorbeeld goud aanvoeren uit Siberië in het oosten of olijfolie uit Griekenland in het westen.
Zelfs China kwam binnen bereik, zeker toen daar vanaf de 3de eeuw voor Christus een keizerrijk ontstond. Zo kon het gebeuren dat Chinese zijde de Middellandse Zee bereikte. Daar werd het verder verspreid door bijvoorbeeld de zeevarende Carthagers uit huidig Tunesië. Hun grote vijanden, de Romeinen, droegen het graag. Als ze het konden betalen tenminste, want de verre reis maakte de stof wel schreeuwend duur.
Dat gold ook voor peper en specerijen zoals kaneel die de bovenlaag uit Azië liet komen. Mogelijk gebruikten ze zelfs kruidnagel, dat alleen op de verre Molukken groeide. Het bewijs voor dat laatste is wat vaag, en berust onder meer op Plinius de Oudere, die in de 1ste eeuw na Christus schreef dat in het oosten een boom groeide met vruchten die aan peper deden denken, maar kwetsbaarder waren en heerlijk roken. Heel helder is die aanwijzing niet. Maar veel eerder, in de 18de eeuw voor Christus, hadden kruidnagels al Terqa bereikt, in Noord-Irak. Als dat toen al mogelijk was, dan was Rome in de eerste eeuw zeker haalbaar, want de langeafstandsconnecties waren sindsdien flink toegenomen. Net als de Perzen maakten de Romeinen namelijk werk van wegen, en ook van vaarroutes in hun hele rijk, van het Nabije Oosten tot aan Engeland.
Zo raakte de ‘Oude Wereld’ in de Oudheid onderling verbonden. Ook grote delen van Afrika sloten aan op de netwerken, via kameelkaravanen die door de Sahara trokken, en via de Indische Oceaan. Maar de intensiteit van de connecties bleef afhankelijk van de politieke stabiliteit en na een paar eeuwen kreeg die in Europa een flinke knauw doordat het westelijk deel van het Romeinse rijk zwakker werd. Rond de 5de eeuw na Christus kwam het aan zijn einde.
In de vroege Middeleeuwen die volgden, waren de langeafstandscontacten aanmerkelijk minder dan in de hoogtijdagen van de Romeinen. Maar ze hielden zeker niet op te bestaan. Dat werd afgelopen juni nog eens mooi duidelijk toen archeologen meldden dat Engelse graven van rond de 6de eeuw ivoor bevatten uit Afrika, en waarschijnlijk uit het oosten van het continent.
Dat Europeanen als Columbus nog weer veel later de oceanen opvoeren, was dus niet omdat ze nieuwe gebieden wilden ontdekken. Ze dachten al te weten waar ze zouden uitkomen: in landen met specerijen en andere luxewaar die al sinds langer dan mensenheugenis naar Europa kwam. Die hoopten ze alleen te bereiken via nieuwe routes, die ze helemaal zelf konden beheersen.
Terwijl Azië, Europa en Afrika onderling verbonden raakten, volgden bewoners van de Amerika’s hun eigen geschiedenis, los van de ‘Oude Wereld’. Grotendeels, tenminste, want rond het jaar 1000 bereikten Vikingen Newfoundland en woonden ze een tijd op een plaats die nu L’Anse aux Meadows wordt genoemd.
De grote vraag is hoelang het contact tussen de noordelijke regionen vervolgens bleef besta Source: Volkskrant