Home

Tegen de dijken van de toekomst golft de bloemenzee: Nijmeegse wetenschappers boeken veelbelovende resultaten

Zomerser kan het niet, in de Ooijpolder bij Nijmegen: de zon schijnt volop, de verslaggever en fotograaf staan samen met ecoloog en milieuadviseur Cyril Liebrand tot aan de knieën in een bloemenzee die tegen de dijken aan ligt. In de verte roept een koekoek, achter ons broeden zwarte sterns op eilandjes in het water van de Oude Waal.

Fietsers slingeren voorbij en vergapen zich aan de velden vol gele en witte bloemen. Hun verrukking is begrijpelijk: aan de gemiddelde dijk in Nederland is weinig meer te zien dan gras waarop hooguit wat schapen. Hier bij Nijmegen is alles anders. Het is het proefterrein van een omvangrijk project: bloemrijke dijken, oftewel Future dikes – dijken van de toekomst.

Over de auteur
Jean-Pierre Geelen werkt op de wetenschapsredactie van de Volkskrant als redacteur natuur en biodiversiteit. Hij schreef onder meer het boek Blinde vink – Hoe ik vogels leerde kijken.

Door dijken natuurvriendelijk te beheren en, zo nodig, in te zaaien met zadenmengsels van de juiste inheemse grassen en kruiden, moeten ze niet alleen steviger worden (en dus beter bestand tegen toenemende droogte en wateroverlast), maar zal ook de biodiversiteit verbeteren. Wetenschappers van de Nijmeegse Radboud Universiteit boeken er veelbelovende resultaten mee.

Bij onze eerste stop wijst ecoloog Liebrand (‘Ik doe al dertig jaar dijkonderzoek, het gaat nooit vervelen. Je hebt altijd de uiterwaarden in de buurt, altijd dit uitzicht.’) op een net gemaaid stukje buitendijk. Alleen de onderste helft is gemaaid, de grens loopt in golfpatronen. ‘Gefaseerd maaien’ heet dat: ‘Wanneer je bij maaien steeds stukken bloeiende vegetatie overlaat, hebben de insecten daar meer aan dan wanneer je alles in één keer wegmaait.’

Aan de binnendijk, de meest bloemrijke kant, geldt nog een ander principe: zo laat mogelijk maaien. ‘Pas eind juni, na de langste dag, is ideaal. Dan zijn de meeste soorten wel uitgebloeid, hebben ze zaden gemaakt en zijn de insecten klaar voor het seizoen: ze hebben aan hun voortplanting gewerkt en hun eitjes gelegd, die volgend jaar moeten uitkomen.’

Het resultaat: de bloemenzee waarin we deze junidag waden. Liebrand wijst op een stuk vol witte bloemetjes: ‘Dit lijkt fluitenkruid, maar het is de grote bevernel. Best een zeldzame soort voor deze plek.’ Veel insecten zag hij dit voorjaar nog niet, maar daar gaat toch echt een koninginnenpage, een prachtige lichtgele vlinder met sierlijke zwarte vleugelranden. ‘De vierde pas dit jaar’, zegt hij met zorgelijke blik.

Even verderop staan enkele bijenorchissen in bloei, dit jaar voor het eerst aangetroffen op deze dijken. Waar voor de leek veel hoog gras staat, groeit in werkelijkheid van alles daartussen. Liebrand wijst aan: de paarse bloemetjes van de grote centaurie, de grote gele bloemen van de oosterse morgenster. Die soortnamen: de harige ratelaar, de roze bloeiende beemdkroon en natuurlijk de klavers: de hopklaver, de rode klaver, de kleine klaver. En kijk, wijst Liebrand: daar vliegt de knautiabij, een ‘paraplusoort’: ‘Als die ergens zit, zit er altijd een reeks van andere soorten insecten.’

Nog één plek dan, weer een paar honderd meter verderop op de dijk: een witte zee vol bloeiende margrieten.

Leuk voor de fietsers en wandelaars in de Ooijpolder, maar de wetenschappelijke ambities van dit experiment overstijgen de esthetische. De bloemenzee is een wapen in de strijd tegen droogte en wateroverlast. Tot 2031 heeft Rijkswaterstaat 7,9 miljard euro gereserveerd om de 1.500 kilometer aan dijken op zo’n driehonderd plekken te versterken. Geen overbodige luxe: niet alleen stijgt de zeespiegel door opwarming van de aarde, door de toenemende droogtepieken raken veendijken instabiel. Waar ze normaal water opnemen als een spons, verliezen ze door droogte die sponswerking en dreigen scheuren te ontstaan. Na een hittegolf in 2003 brak zo in Wilnis een dijk door, waardoor een woonwijk overstroomde en 1.500 inwoners moesten worden geëvacueerd.

‘Bloemrijke dijken’ zoals in de Ooijpolder zijn misschien wel de oplossing. ‘Future dikes’ dus, zoals de naam luidt van het onderzoeksproject van de Nijmeegse Radboud Universiteit. Onder toeziend oog van Hans de Kroon, hoogleraar experimentele plantenecologie en leider van het project, bevindt de broedplaats van dit alles zich in een onopvallende hoek achter wat parkeerplaatsen en gebouwen van de Nijmeegse campus. Daar, op een stukje grond ter grootte van een half voetbalveld, liggen vier langgerekte heuveltjes achter elkaar. Het zijn aangelegde minidijkjes van nauwelijks een meter hoog, die in verhouding geheel overeenkomen met ‘echte’ dijken. Dat wil zeggen: de kern bestaat voor 30 tot 40 procent uit klei, daarover ligt een toplaag van lichtere grond, zo’n 30 centimeter dik.

De heuvels zijn verdeeld in vakken van 1 bij 2 meter. Zo ontstonden twintig proefvakken in elk van de vier dijkjes. Vorig jaar oktober werden ze ingezaaid. In het ene veldje groeien drie grassoorten en een klaver. Maar het naastgelegen veldje ‘D2’ bevat naast vier andere soorten gras ook roodzwenk, dat snel dichtgroeit. Ook maakten de onderzoekers een eigen mengsel, met onder meer scherpe boterbloem, margriet, knoopkruid, duizendblad. Elk zaadmengsel wordt op twee vakken (op elk van de vier ‘dijken’) gebruikt. Aan de einden van de dijken liggen braakliggende veldjes, om te zien wat er spontaan opbloeit uit zaden die al in de bodem zaten.

Hier en daar steken pijpen uit de grond. Het zijn transparante buizen waarmee de onderzoekers fotoscans maken van de wortels die tegen de buis aangroeien. Hetzelfde gebeurt bij de uiteinden van de dijkjes: als je het afdekzeil daar verschuift, zie je een dwarsdoorsnede van de bodem, met een fraai kijkje op de wortelstelsels en ander bodemleven daar. Daarnaast nemen de onderzoekers geregeld een cilinder bodem uit de proefvakken voor moleculaire analyses, om exact te bepalen hoeveel wortels op welke diepte zitten en van welke plantensoort. Eerste ervaringsfeitje: ‘Naarmate je dieper gaat, zie je dat het gehalte Engels raaigras afneemt, en dat bijvoorbeeld glanshaver nog wel aanwezig is.’

De tijd moet leren wat dit alles met de stevigheid van de dijken doet. Het is volgens onderzoeksleider De Kroon nog te vroeg voor conclusies, laat staan voor een ‘winnaar’ onder de samenstellingen, maar een paar dingen worden al wel duidelijk.

Zo bestaan de gebruikte mengsels uit inheemse soorten, maar het handjesgras komt veel meer voor in zuidelijke landen. Dat zou weleens het gras van de toekomst kunnen worden, aangezien het beter tegen droogte kan dan andere inheemse soorten.

Ook hangt veel af van de combinaties van grassen en kruiden. Die moeten de juiste balans hebben, zodat niet de ene soort de andere gaat overvleugelen. Twee of drie soorten zijn wellicht te weinig, leert de ervaring: afhankelijk van de lokale omstandigheden kan een soort dan al snel gaan domineren. Voorlopige conclusie, zoals ecoloog Cyril Liebrand het formuleert: ‘Hoe soortenrijker de vegetatie, hoe sterker de dijk en hoe beter die bestand is tegen droogte.’

Dat laatste hangt dan weer nauw samen met de wortelstelsels. Het lijkt wel duidelijk dat die de dijken veel stevigheid kunnen brengen. Sommige plantensoorten wortelen wel 60 centimeter diep. Daarmee wordt de toplaag verankerd en het zorgt ervoor dat de plant minder gevoelig is voor (tijdelijke) droogte dan grassoorten die maar enkele centimeters diep wortelen.

Dat is meteen de makke van veel ‘traditionele’ Hollandse dijken, van oudsher aangelegd door aannemers die vooral op gewoonten en zakelijkheid draaien: ‘Ze gebruiken veel te ondiepe toplagen, soms van maar een paar centimeter diep, en stampen die met zware machines aan. Logisch dat planten daar met hun wortels niet doorheen komen’, zegt Liebrand.

Het ondergrondse is waar het veel meer om gaat dan om de bloemenpracht die het experiment ook oplevert. ‘Dit is geen tuinieren, maar eco-engineering’, zegt Hans de Kroon. ‘Eco-engineering’, dat is zelf iets opbouwen, volgens strikt geformuleerde doelstellingen. Zoals De Kroon het in dit specifieke geval omschrijft: ‘Eerst nadenken welke mengsels je gaat gebruiken en welke natuurlijke processen je dan in stelling brengt, waarmee je zo snel mogelijk een stabiele gemeenschap opbouwt die zichzelf in stand kan houden. Je gaat dus manipuleren en vooruitkijken, dat is toch anders dan alleen maar een proces analyseren.’

De Kroon doet al 25 jaar onderzoek naar de beworteling van plantensoorten en hun onderlinge concurrentie. Zo’n tien jaar geleden ontdekte hij dat kruiden en grassen elkaars wortelstelsels eerder versterken dan beconcurreren. ‘Dat was een verrassing: we hadden gedacht dat de sterkste zou overheersen en de zwakkere eruit zou drukken, maar dat gebeurde niet.’

Zou dit ook gelden voor de begroeiingen van dijken, dan zou dit aansluiten bij de wens van sommige waterschappen om hun dijken te ontwikkelen tot soortenrijke, bloemrij Source: Volkskrant

Previous

Next