Home

Na zijn jeugd in Ruinerwold leerde Israel van Dorsten: ‘Het is nooit te laat om aan iets nieuws te beginnen’

Vijfentwintig jaar lang wist niemand van zijn bestaan. Israel van Dorsten (1994) en zijn jongere broertje en zusjes stonden niet ingeschreven bij de burgerlijke stand, ze gingen niet naar school en ze kwamen nooit van het erf van de boerderij in het Drentse plaatsje Ruinerwold. De kinderen stonden onder absolute controle van hun vader, die hen geestelijk en lichamelijk mishandelde en hun een krankzinnige geloofsleer oplegde.

In 2019 liep Van Dorsten weg. Aan de barman van de kroeg in de buurt vertelde hij dat hij hulp nodig had. De politie werd ingeschakeld. En het verborgen en ongeregistreerde gezin in Ruinerwold was meteen wereldnieuws. Veel over de gruwelijkheden die de kinderen moesten ondergaan kwam al naar buiten via de documentaire De kinderen van Ruinerwold uit 2021 van Jessica Villerius. Maar in zijn boek Wij waren, ik ben – Weg uit Ruinerwold, uitgegeven door Pluim en inmiddels meer dan 130 duizend keer verkocht, gaat Van Dorsten dieper in op zijn onvoorstelbare jeugd met een vader die zichzelf als de Messias zag.

Over de auteur
Laura de Jong is boekenredacteur bij de Volkskrant. Zij interviewt Nederlandse en internationale schrijvers over hun nieuwste werk, zowel fictie als non-fictie.

Zo beschrijft Van Dorsten hoe hij als jongetje maandenlang op zolder zat opgesloten in een hokje van een vierkante meter, geïsoleerd van zijn broertje en zusjes. Regelmatig werd hij daar door zijn vader in elkaar geslagen, soms met een honkbalknuppel. Dat alles omdat hij volgens zijn vader was bezeten door slechte geesten. Vanaf zijn 11de jaar werd hij gedwongen als medium te dienen en moest hij honderden geesten in zijn lichaam ontvangen, waarmee zijn vader naar eigen zeggen communiceerde. Eigenlijk kwam het hierop neer: ononderbroken moest hij paraat staan om mee te doen met de gekte van zijn vader.

‘In mijn jeugd was weinig ruimte voor troost’, vertelt Van Dorsten in een vergaderzaaltje van zijn uitgever in de Amsterdamse binnenstad. ‘Ik zal niet zeggen helemaal niet, maar niet op dezelfde manier als bij anderen. Mijn jongere broertje en zusjes waren er wel (zijn oudere twee broers en zus liepen al eerder weg en leefden geïsoleerd van de rest van het gezin, red.), maar omdat het niet mogelijk was open te zijn of te vertellen waar je mee zat, konden we weinig met elkaar delen. Op bepaalde momenten kon ik wel verlichting vinden door buiten te zijn, naar vogels te luisteren en naar de sterren te kijken.

‘Mijn moeder kon soms wel troost bieden. Niet altijd, want ze deed ook mee met het systeem dat mijn vader opzette, maar op bepaalde momenten stond ze ervoor open. Dan gaf ze me een omhelzing of zei ze iets aardigs waardoor ik me beter voelde als het weer een paar dagen vervelend was thuis. Mijn vader deed het ook weleens, maar minder. Maar toen ik 10 jaar was overleed mijn moeder.’

‘Die boeken waren een ontsnapping aan het leven waarin ik zat. Het ging niet zozeer om de inhoud van het boek maar dat ik me kon inleven in een andere wereld, wegvluchten uit de ellende thuis. Dat ligt wel tegen troost aan. Ik denk dat er veel manieren zijn waarop je troost kunt vinden en het heeft allemaal zijn waarde.

‘Samen met mijn broer las ik alle Winnetou-boeken van Karl May, we waren 8 of 9 jaar. We lazen om en om een ander deel. En dan spraken we erover. De serie bestond uit veel delen, dus dat maakte dat het Wilde Westen, met zijn indianen en cowboys, kortstondig onze wereld werd.’

‘Ja, voor mij was het in mijn jeugd een manier om meer controle op mijn leven te krijgen. Mijn vader was onvoorspelbaar en ik had op weinig dingen greep, maar hier had ik wel controle over. Daaruit kon ik dus verlichting halen. Enigszins vergelijkbaar met het wegdromen in de andere wereld in een boek. Dat had ik ook door met deze projecten bezig te zijn. Ik kon dan nergens anders meer aan denken, ik stortte me er helemaal in. Het kon niet altijd, er waren periodes dat er geen ruimte voor was, maar soms dus wel. En dat was absoluut troostend.’

‘Ja, dat is een belangrijke stap geweest. Maar troost? Het is meer een ontdekkingstocht geweest, ik deed het uit nieuwsgierigheid. Ik voelde me nooit goed als ik online was geweest, misschien omdat het niet mocht. Want vrijheid is wel nodig om ook troost te hebben, maar je haalt niet per se troost uit de vrijheid zelf. Voor mij is het internet een poging geweest om meer vrijheid te zoeken. Maar ik zou niet zeggen dat je daar per se werd getroost.’

‘Er zat een bepaalde vorm van troost in die gevangenis, in die controle en in dat geloof van mijn vader. Je heel erg daaraan verbinden kon ook troost geven. En daaraan ontsnappen, die vrijheid opzoeken, werkte eigenlijk lijnrecht daartegenin.

‘En toch is het belangrijk dat wel te doen. Ik heb geleerd dat alleen maar zoeken naar troost niet gezond is. Soms moet je juist een stap eruit zetten om je te ontwikkelen en weer een nieuwe vorm van troost te vinden. Alleen maar vasthouden aan troost werkt dus niet.’

‘Het was eng. Het was een grote stap. En ik voelde me ook erg alleen. Ik ben uiteindelijk via de hulpverlening opgevangen bij mensen in Friesland. In het begin stonden die niet dichtbij genoeg, maar inmiddels zijn dat mensen bij wie ik troost kan vinden. Maar dat is pas gekomen doordat ik uit die andere situatie ben weggegaan. Je hebt dus ook altijd een periode waarin je een oude vorm van troost opgeeft, terwijl je iets nieuws opbouwt.’

‘Ik lees veel en divers. Maar het boek waaraan ik het meeste heb gehad, en dat ook mijn lievelingsboek is, is De keuze van Edith Eger. Zij overleefde Auschwitz en werd op latere leeftijd psycholoog. Er zit veel in dit boek waaraan ik iets heb. Ze heeft een positieve manier van denken, van kijken naar het leven, en je kunt er veel uithalen als je zelf wordt geconfronteerd met moeilijke dingen in je leven. Anderhalf jaar geleden heb ik het voor het eerst gelezen.’

‘Eger is in de 50 als ze zich realiseert dat ze graag haar eigen praktijk wil hebben. Maar ze vindt zichzelf te oud om daar de papieren nog voor te halen, dat duurt zeven jaar. Daar spreekt ze over met iemand, die tegen haar zegt: ‘Je kunt het niet doen en zeven jaar iets anders doen; dan ben je in de 60. Maar je kunt ook besluiten wel zeven jaar die opleiding te doen en dan ben je ook in de 60. Dus dat maakt eigenlijk niet uit.’ Toen is ze het inderdaad gaan doen. En nu is ze 95 jaar en een wereldberoemd psycholoog.

‘Het heeft me geleerd dat het niet uitmaakt wanneer je met iets begint. Dat als je iets echt wil, het altijd nog kan. Eger kon niet eerder haar doelen bereiken omdat ze last had van haar oorlogstrauma’s, die decennialang hebben doorgewerkt in haar leven. Haar voorbeeld geeft me kracht.

‘Het werkt veel beter om bezig te zijn met wat je nu doet in je leven, dan bezig te zijn met de dingen die je hebt gemist en wilt inhalen. Dan loopt je vast, omdat je ze niet kúnt inhalen. Het is maar een kleine switch in perspectief, maar het maakt een groot verschil over hoe je je voelt in het dagelijks leven. Het kost wel tijd, hoor, om dit alles te internaliseren. En ik praat er ook veel over met mijn psycholoog. Dat is soms beter dan alleen maar in je eigen hoofd te zitten.’

‘Aanvankelijk schreef ik gewoon voor mezelf, niet met het idee dat het uitgegeven zou worden. Dat kwam pas later. Als ik ergens mee zat en er was niemand in de buurt tegen wie ik het op dat moment kon vertellen, schreef ik het op. Het schrijven was in die zin een vorm van troost, een verwerkingsproces. Op een gegeven moment ben ik wel gaan schrijven met het idee dat het gelezen zou worden, maar door een select gezelschap.’

‘Op een bepaald moment dacht ik dat het misschien wel handig was als mijn psycholoog het zou lezen, zodat hij beter zou begrijpen wat er speelde. En ook voor politie en andere hulpverleners die soms moeten dealen met sektarische situaties als waarin wij zaten.’

‘Ja dat klopt, er was veel onwetendheid. Maar uiteindelijk heeft de politie gevraagd of ik een keer bij ze wilde spreken om meer te vertellen. Dat heb ik gedaan, ik kreeg het gevoel dat ik iets kon bijdragen.

‘En het deed me inzien dat ons verhaal toch ook een verhaal is met een goed einde. Dat het inspirerend kan zijn voor meer mensen te lezen dat ondanks alle ellende dingen ook goed kunnen komen.’

‘Voor mij was het spannendst wat mijn broers en zussen ervan vonden. Bij mijn familie en de mensen om mij heen is er meer begrip ontstaan over hoe het geweest is voor mij. Dus dat is gelukt. En omgekeerd snap ik nu ook beter hoe het voor hen was. Omdat zoiets twee kanten uit werkt. Als ik ervaringen deel, gaan zij er ook weer meer over vertellen. Dat dit delen nu lukt en dat we elkaar beter begrijpen, is een vorm van troost. In onze jeugd, onder de terreur van mijn vader, konden we niet vertellen waar we mee zaten en wat voor gevoelens we hadden.’

‘Het is een proces geweest, maar uiteindelijk zijn ook mijn jongere broertje en zusjes blij dat ik de politie heb ingeschakeld en dat we niet meer in Ruinerwold wonen.’

‘Op mijn vensterbank heb ik een verzameling spulletjes. Het gaat me niet om de voorwerpen zelf maar om de herinneringen die eraan vastzitten. Die geven troost. In het midden staat een foto van mijn moeder. Daarnaast een sneeuwbol uit Antwerpen en eentje uit Londen, waar ik naartoe ben geweest met mijn broer Edino. Een schaap, omdat het me doet denken aan de familie in Friesland waar ik werd opgevangen. En een vogel van papier-maché die ik kreeg van mijn zusj Source: Volkskrant

Previous

Next