N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Antropologie Waarom hebben mensen geen pels? En wat is de functie van de haren die de mens nog wel heeft?
Bij sommige mannen gaat de haargrens al wijken na de puberteit. Maar de algeméne menselijke haargrens ligt vast. Op ongeveer anderhalf miljoen jaar geleden.
Deze zomer zoekt NRC de grenzen op. De meest fascinerende wetenschap is te vinden bij de uitersten.
Want toen verloren voorouders van de huidige mensen hun pels. Toen konden ze hun kinderen niet meer op de rug meenemen zoals de meeste andere primaten wel kunnen, vastgeklemd aan een dikke vacht. Toen ook kreeg de mens zijn donkere huidskleur, omdat de oude witte apenhuid zonder haar niet bestand was tegen felle zon. Toen ook werd de menselijke huid steviger dan van de andere primaten, omdat niet langer dat dikke haar de eerste klappen kon opvangen. En toen ook dus ontstond de lokale menselijke haargrens, want niet alle bedekking verdween. Op het hoofd en in de schaamstreek is altijd haar blijven groeien.
De datering op ongeveer anderhalf miljoen jaar geleden werd al twintig jaar geleden gedaan op basis van berekeningen aan het MC1R-gen. Dat is een van de vele genen die coderen voor een donkere huidskleur, maar wel een met kenmerken van extreme natuurlijke selectie. Bij Afrikanen komt geen variant voor die invloed heeft op het resulterende eiwit van de betrokken receptor – een cruciale schakel in de vorming van een donkere huidskleur. Bij mensen buiten Afrika, met veel meer variatie in huidskleur, zijn wel allerlei mutaties in het gen ontstaan die dat eiwit veranderen, op allerlei manieren.
Met het ontstaan van Homo erectus verschijnt echt iets nieuws in Afrika
Kaalheid is een uniek menselijke kenmerk: alleen wij zijn onbehaarde apen. Andere apen hebben wel énige onbehaardheid, maar altijd beperkt: in het gezicht en soms op de billen.
Bij de mens vindt het algemene haarverlies plaats op een kernmoment in de evolutie van het geslacht Homo. Daarvan zijn wij moderne mensen, Homo sapiens, de enig overgebleven soort.
Allerlei specifieke kenmerken van dat geslacht Homo die het onderscheiden van zijn nog veel aapachtiger voorganger Australopithecus, zijn ouder dan die anderhalf miljoen jaar, zoals de typerende smallere kaakvorm, de rechtere vingers en bijvoorbeeld ook de schouders, die niet erg geschikt meer zijn om mee van tak naar tak te zwaaien. De eerste Homo-leden die leefden rond twee miljoen jaar geleden, zoals Homo habilis en Homo georgicus, waren ook nog relatief klein, en hun herseninhoud was niet heel veel groter dan die van Australopithecus (zo’n 500 à 700 cc). Met de komst van het biologische geslacht Homo is de mens niet in één klap ‘modern’ geworden. Belangrijke veranderingen in de evolutie gaan vaak geleidelijk.
Met het ontstaan van Homo erectus rond 1,8 à 1,6 miljoen jaar geleden verschijnt echt iets nieuws in Afrika. Niet alleen de veel betere werktuigen – de vuistbijlen van de Acheulien-cultuur – maar ook een mens met een veel groter lichaam dan voorheen, tot wel 1,80 meter lang, met langere benen. En: flink grotere hersenen, tot bijna een liter. En precies dán dus wordt de mens kaal. H. erectus krijgt vele nazaten. Tot 20.000 jaar geleden liep nog de Denisovamens op aarde, tot 40.000 jaar geleden nog Homo neanderthalensis, tot 50.000 jaar de kleine Homo floresiensis en Homo luzonensis, en misschien leefde diep in Java ook nog steeds de oude Homo erectus. Allemaal kaal. Ongeveer 300.000 jaar geleden verschijnen in Afrika de eerste mensen met duidelijke sapiens-kenmerken.
Het menselijk lichaam is nog altijd bedekt met dun vellushaar: kleurloos, kort, dun en donsachtig
Ooit lag in het denken over menselijke evolutie grote nadruk op de omvang van ons brein, en niet ten onrechte, maar een jaar of twintig geleden werd ontdekt dat ons lichaam niet alleen goed kan denken maar bovenal uitzonderlijk geschikt is voor hardlopen. Het is een compleet samenhangend systeem van verende achillespezen, spieren die ons hoofd in evenwicht houden bij het rennen, veel langzame dijspieren én een uitzonderlijke hoeveelheid zweetklieren (vijf keer zo veel als de chimpansee), dat door de antropoloog Daniel Lieberman in kaart werd gebracht. Die ontwikkeling begint bij Homo erectus. Die voorouder begon een nieuwe jachtmanier om in een sukkeldrafje in het vrije veld urenlang achter prooidieren aan te rennen tot die uitgeput zijn, een revolutie in primatenbeweging.
Op zich werkt een vacht goed tegen hitte: tussen de haren bevindt zich een isolerende luchtlaag. Maar als het organisme actiever wordt en daardoor zelf veel warmte gaat produceren, gaat dat mis, zeker als het organisme groter wordt. Hoe groter de omvang van een dier hoe relatief kleiner het huidoppervlak wordt ten opzichte van de lichaamsgrootte. Er zijn genoeg actieve kleine aapjes, maar de grotere chimpansees en andere mensapen kennen slechts relatief korte intense activiteiten, en dan nog zelden in de volle zon. De vele sukkeldrafjes van de grotere Homo erectus in de volle zon verdrievoudigden zijn warmteprobleem. Zijn grotere omvang maakte het warmteprobleem erger. De isolerende werking van de pels gaat dan negatief werken. Het prachtige zweetsysteem van primaten functioneert dan averechts: doornatte haren isoleren nog veel sterker. Daarom zijn ook de extreem grote olifanten en neushoorns kaal: te groot en te actief. In dat hele veranderingscomplex van hardlopen, uitbreiding van de zweetklieren en algemene menswording heeft de mens zijn pels afgeschud. Oververhitting dreef ons tot kaalheid.
Voor alternatieve theorieën zijn te weinig bewijzen gevonden. Dolfijnen hebben ook geen haar, leefde de mens dan ooit in het water? Daarvoor is in de evolutionaire tijdlijn te weinig tijd. En sowieso is de mens evident ook een landdier gebleven, en dergelijke zoogdieren hebben juist wél een dikke pels: bevers, otters. En juist tegen parasieten die in het water leven is de mens bijzonder slecht bestand. Er is ook nog een hypothese dat de mens zijn pels vooral verloor door een te hoge parasietendruk. Maar dat is ook nooit aannemelijk geworden, waarom hebben al die zich krabbende en elkaar vlooiende andere primaten dan eigenlijk wel hun pels behouden? Ook is er de sympathieke hypothese dat de mens eigenlijk nooit echt bloot is geweest, maar pas zijn beharing verloor toen hij kleren ging dragen. Maar in de warme tropische gebieden waar de mens en zijn voorouder evolueerden is nooit veel reden voor kleding geweest. Waarschijnlijk pas in de laatste paar honderdduizend jaar zouden neanderthalers en denisoviërs kleding gaan dragen, in leefgebieden op meer noordelijke breedtegraden. Gehuld in „een toga van beestenvellen”, zo typeerde een onderzoeker ooit deze ijstijdmode. De belangrijkste datering voor het dragen van ‘kleren’ is ergens voor 170.000 jaar geleden. Rond die tijd splitsten de kleerluizen zich af van de menselijke hoofdluizen.
Helemáál kaal is de mens overigens nooit geworden. Het menselijk lichaam is nog altijd bedekt met dun vellushaar: kleurloos, kort, dun en donsachtig. In aantal – tweeënhalf tot vijf miljoen – hebben mensen evenveel haren en haarzakjes als een chimpansee met zijn machtige zwarte vacht. Maar op het overgrote deel van ons lichaam zijn het totaal andere haren: verwaarloosbare vellusharen die bij mensapen alleen bij jonge baby’s voorkomen. Alleen de huid op de handpalmen, voetzolen, de onder- en zijkanten van de vingers en tenen, de lippen, de eikel en binnenkant van de schaamlippen is echt haarloos – overigens plekken waar ook andere mensapen geen haar hebben…
Bij jonge chimpansees, orang-oetans en sommige makaken raakt het hoofdhaar nog tot aan de wenkbrauwen
Haar van enige substantie groeit bij de mens alleen nog op het hoofd, in de schaamstreek, onder de oksels, en bij mannen op de kin en vaak ook nog een beetje op de borst. De ongeveer half miljoen hoofdharen beschermen tegen de zon en verzachten ook een beetje klappen tegen het hoofd. Los van die biologische oerfunctie is het hoofdhaar ook een belangrijk uiterlijk signaal in culturele en sociale context geworden. De cultuur kan een flinke draai geven aan dit evolutionaire signaal van gezondheid. Als signaal van goede verzorging of juist rebellie (de punk-hanenkam) of bijvoorbeeld door kaalscheren als uiting van rouw of straf. Iedere cultuur heeft zijn eigen hoofdhaar-ideeën. In het Westen gelden vrouwen met lang haar als aantrekkelijker, jonger en gezonder, maar in Afrika geldt dat traditioneel juist weer voor kórt haar.
Bij mannen en vrouwen wordt het hoofdhaar in de loop van het leven dunner. Of daarachter een andere oorzaak ligt dan veroudering is onduidelijk. En bij mannen kruipt op het voorhoofd ook nog de haargrens langzaam omhoog. Zo’n verschil tussen mannen en vrouwen is interessant voor antropologen en evolutiebiologen. Maar veel meer dan elkaar tegensprekende onderzoeken over aantrekkingskracht en uitstraling van mannelijkheid of zelfs ‘interessante ouderdom’ levert dat nog niet op. Er Source: NRC