Van het feit dat ik afwijk van de ‘norm’ ben ik mij als 28-jarige al lange tijd bewust. Op de basisschool had ik vriendinnen – andere jongens uit mijn klas niet. Nadat ik bij een open podium verkleed had opgetreden, moest ik vervelende opmerkingen incasseren. Blijkbaar was dat niet hoe het hoorde. Een aantal jaar later vielen de puzzelstukjes op hun plek: ik val op mannen.
In de periode dat ik dat ontdekte, moest ik ook keuzen maken over mijn toekomst. Denk bijvoorbeeld aan een profielkeuze, studie en carrièrepad. Dan helpt het als je voorbeelden hebt. De homoseksuele rolmodellen die ik zag, waren echter voornamelijk stereotypen: een homo was of een over de top, zachtaardige gay best friend of een goedlachse, tikkeltje valse ‘relnicht’. Homoseksuele ceo’s, voorzitters of bestuurders zag ik niet. Het is dan ook niet gek dat ik, wanneer ik nadacht over wat ik later wilde worden, mijzelf niet meteen in een toppositie voorstelde.
Over de auteur
Pim Blom zet zich in voor lhbti-emancipatie op de werkvloer, zowel bij zijn werkgever Vinted als daarbuiten.
In de Verenigde Staten wordt dat gebrek aan lhbti-leidinggevenden bevestigd door de cijfers. Een enquête van belangenorganisatie Out Leadership toont aan dat binnen de Fortune 500, de vijfhonderd grootste Amerikaanse bedrijven, slechts 24 van de 5.670 bestuurders zich als lhbti’er identificeert. Dat is minder dan een half procent, terwijl van de gehele Amerikaanse bevolking naar schatting 4,5 procent lhbti’er is.
Nederlandse statistieken om het gebrek aan lhbti-representatie in de top te onderbouwen ontbreken. Desondanks kunnen we volgens Jojanneke van der Toorn, bijzonder hoogleraar inclusie van lhbti’ers op de werkvloer, ook in Nederland spreken van een roze plafond. ‘Veel mensen denken dat seksuele geaardheid en genderidentiteit niets met werk te maken hebben’, zegt van der Toorn. ‘Toch ondervindt de gemiddelde lhbti-persoon wel degelijk belemmeringen in de loopbaan.’ Net als bij het glazen plafond zijn het deze belemmeringen die voorkomen dat lhbti’ers doorstoten naar de top van organisaties.
Rolmodellen zijn juist voor minderheidsgroepen heel belangrijk, zegt van der Toorn. Daarom ging ik op zoek naar de rolmodellen aan wie het mij in mijn jeugd ontbrak. Drie succesvolle leiders die tot het lhbti-spectrum behoren vertellen tegen welke obstakels zij zijn aangelopen en of zij ook positieve invloed ondervinden van hun seksuele geaardheid of genderidentiteit.
Karen de Lathouder (45), ceo van BP Nederland
‘Van jongs af aan hebben mijn ouders mij gestimuleerd om eigen keuzen te maken en de consequenties daarvan te ervaren. Zo mocht ik altijd zelf kiezen welke kleren ik droeg. Verkeerde kleuren bij elkaar kon me niks schelen, ik deed waar ik zin in had. Daardoor zag ik er vaak bijzonder uit en dat leidde geregeld tot opmerkingen van klasgenoten. Bij thuiskomst zei mijn vader of moeder dan: ‘Wat maakt het uit wat anderen vinden, jij vindt het toch mooi?’ Dat is een grote bron van zelfvertrouwen geweest.
‘Toch vond ik het spannend om mijn ouders te vertellen dat ik op vrouwen val. Niet omdat ik bang was voor hun reactie, maar omdat je door de maatschappij toch voelt dat je ‘anders’ bent. Dat vinden we als mens niet fijn. We zijn nu eenmaal sociale wezens. Wanneer je jouw anders-zijn openlijk moet erkennen, vooral ook aan jezelf, dan riskeer je buiten de groep te vallen en dat is spannend. Zeker als tiener, maar in nieuwe groepen heb ik dat gevoel nog steeds. Gelukkig heeft het me er nooit van weerhouden open te zijn over mijn seksuele voorkeur, ook niet op mijn werk.
‘Uiteindelijk is mijn anders-zijn zelfs een kracht geworden. Doordat ik me altijd al anders voelde, sta ik sterker in mijn schoenen. Zie het als een spier die je traint. Als ceo durf ik makkelijker een mening te uiten die niet overeenkomt met die van de groep. Durf er maar eens tegen in te gaan, als iedereen aan een grote tafel zit en het met elkaar eens is – door vaak genoeg anders te zijn geweest, durf ik dat nu aan.
‘Daarnaast denk ik dat ik een ruimere bandbreedte heb om in te opereren dan mijn heteroseksuele vrouwelijke collega’s. Ik kan met mannen meepraten over mooie vrouwen en men kijkt niet raar op als ik een keer op sneakers en in spijkerbroek kom opdagen. Doordat ik queer ben en dus sowieso al afwijk van de norm, heb ik het gevoel dat ik vrij kan bewegen zonder aan bepaalde verwachtingen te moeten voldoen. Dat is voor heteroseksuele vrouwen in de corporate wereld wel anders. Alleen al qua kleding is de standaard hakken of andere nette schoenen.
‘Mijn eerste rolmodel, wel vrouw maar niet queer, herinner ik mij nog goed. Ik werkte al zo’n tien jaar en had nog nooit vrouwelijke bazen gehad. Toen ik na een aantal jaar werk in Oman begon bij BP, kwam daar verandering in. Rita was de baas van mijn baas en ik vond haar zo kick-ass. Ze was ongelofelijk scherp op de inhoud en kon een meeting echt dirigeren. Daarnaast, en dat heeft nog meer indruk op me gemaakt, was ze heel mensgericht. Voor het eerst hadden we het in vergaderingen over familietoestanden, en het mooiste aan mij vond ze mijn roze Ted Baker-jas. Zij liet mij zien dat je zowel ‘anders’ kan zijn als een goede leider.
‘Misschien zou ik me ook meer bewust kunnen zijn van mijn positie als rolmodel. Ik ben zo gefocust op mijn werk goed doen dat ik soms vergeet dat ik andere mensen kan helpen, simpelweg door te zijn wie ik ben. Voor mij maakt het geen ruk uit om wel of niet te vertellen dat ik op vrouwen val, maar voor anderen kan dat wellicht hetzelfde effect teweegbrengen als ik destijds ervoer.’
Dinah Bons (53), afgelopen jaar fractievoorzitter van Bij1 Amsterdam; Bons bekleedt daarnaast bestuursfuncties bij de ngo’s Trans United Europe en European Sex Workers Rights Alliance
‘Ik ben een kind van Molukse ouders, maar werd op 1-jarige leeftijd geadopteerd door een Nederlands echtpaar. Ik leerde in mijn opvoeding dat ik, als ik iets wilde bereiken, verantwoordelijkheid moest nemen. Te laat komen – dat deed ik geregeld – was volgens mijn vader uit den boze als ik later aan het roer wilde staan.
‘In de jaren negentig ging ik uit huis en trok ik als toen nog jonge homo de wijde wereld in. Amsterdam was op dat moment de gay capital of the world en dat gaf mij enorm veel zelfvertrouwen. Op professioneel gebied had ik de mazzel dat ik iemand kende, ook gay, die met mij het eerste geprivatiseerde telecombedrijf op de Nederlandse markt wilde brengen. Wij kregen een zak geld uit de Verenigde Staten en konden het gaan regelen. Ik mocht de sales-divisie opzetten en van die gelegenheid maakte ik gebruik om iets terug te geven aan mijn gemeenschap. De meeste van de werknemers die ik aannam, waren queer en van kleur; de collega’s die dat niks vonden, konden vertrekken.
‘Daarna heb ik meerdere commerciële managementposities bekleed, totdat ik in transitie ging. Toen ben ik al mijn zekerheden kwijtgeraakt. Mij werd – weliswaar met een gouden handdruk – vriendelijk verzocht mijn ontslag in te dienen. Hogerop hadden ze hun twijfels of ik mijn gezag als leidinggevende kon behouden en ze durfden dat risico niet te nemen. Ik gaf destijds leiding aan zo’n vierhonderd mensen. Helaas is dit de realiteit van veel transgender mensen. Je vliegt eruit en kan tegen een veel lager salaris in een volstrekt andere beroepsgroep opnieuw beginnen. Dat is mij ook overkomen en het voelde als een degradatie puur op basis van mijn gender.
‘Ondanks deze tegenslag was ik gek genoeg wel gelukkig. Ik kwam erachter dat ik niets liever wilde dan mijn transidentiteit ontwikkelen, zelfs als dat betekende dat ik opnieuw moest beginnen. Aan de andere kant doet het natuurlijk wel wat met je als je vanwege je identiteit nergens wordt aangenomen.
‘In de functies die ik na mijn transitie vervulde, afgelopen jaar als fractievoorzitter van Bij1 in Amsterdam, merk ik dat mijn transidentiteit ook voordelen heeft. Het helpt dat ik het perspectief van de vrouw makkelijker kan vertalen naar de taal van de man. Of andersom. Zo benaderde een mannelijke collega mij met de vraag hoe hij zich het beste kon wenden tot een bepaald vrouwelijk raadslid. Ik weet dat hij snel tot de inhoud wil komen – dat herken ik bij mijn vroegere zelf en bij veel mannen om mij heen – en ik adviseerde hem dat hij bij haar juist beter de tijd kon nemen.
‘Tegelijkertijd brengt het leven als transgender leidinggevende jammer genoeg ook nog steeds uitdagingen met zich mee. Net als andere personen die afwijken van de norm worden wij voornamelijk getolereerd zolang alles goed gaat. Maar zodra het moeilijk wordt, ontbreekt het aan bescherming en steun. Dat ondervond ik bijvoorbeeld na een recent interview. Daarin gaf ik een eerlijke terugblik op een jaar fractievoorzitterschap; uiteraard een verhaal dat met meerderen binnen de partij is overeengekomen. Sommige lezers waardeerden die transparantie niet en reageerden dat af op mij. In de nasleep daarvan had ik gehoopt op steun van bijvoorbeeld bestuursleden, maar dat viel helaas tegen. Als transgender persoon van kleur voelt het vaak alsof je er alleen voor staat. Het enige wat ik kan hopen is dat mijn inzet, hoe klein ook, zorgt voor minder offers voor een toekomstige generatie lhbti-leidinggevenden.’
Jeroen Geurts (45), rector magnificus van de Vrije Universiteit Amsterdam
‘Na te zijn afgestudeerd in de neurowetenschappen, begon ik mijn carrière bij wat nu het Amsterdam UMC is. Ik was betrokken bij onderzoek naar MS. Ik werd aangetrokken door het multidisciplinaire aspect ervan. Ik Source: Volkskrant