We kennen de voormalige Britse premier David Cameron vooral als de schlemiel die het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie onbedoeld onvermijdelijk maakte. Maar aan de vooravond van de Gay Pride kunnen we ook een heldenverhaal over hem vertellen.
Het is deze zomer tien jaar geleden dat Cameron het homohuwelijk door het Britse Lagerhuis loodste. Homohaat was in het Verenigd Koninkrijk in 2013 nog de normaalste zaak van de wereld. Om een indruk te geven: toen Cameron begon over het homohuwelijk, deed de voormalige aartsbisschop van Canterbury het af als een bedreiging voor ‘alles wat het land sterk maakt’.
Over de auteur
Sander Heijne is onderzoeksjournalist en historicus.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
De conservatieve achterban van Cameron was niet veel verdraagzamer. Opinieonderzoek uit 2012 toonde dat slechts een krappe meerderheid van de Britse bevolking de invoering van het homohuwelijk steunde. Slechts weinigen van hen stemden conservatief. Kortom, politiek had de premier niets te winnen met het homohuwelijk.
En toch hield hij voet bij stuk.
Fastforward naar 2023. Tien jaar later kent vrijwel iedere Brit een getrouwd homostel. De normalisatie van homoseksuele relaties blijkt een uitstekende remedie tegen haat: inmiddels is bijna 80 procent van de Britten positief over het homohuwelijk. De toegenomen homo-acceptatie in het VK wordt door het weekblad The Economist toegeschreven aan het leiderschap van David Cameron.
De komende dagen worden we ongetwijfeld overspoeld door beelden van politici die tijdens de Gay Pride willen onderstrepen hoezeer ze de vrijheid koesteren. We mogen ons hierdoor niet laten afleiden van het feit dat het Nederlandse politieke debat het afgelopen decennium ernstig is ondermijnd door het inzetten van haat als instrument om politieke tegenstanders monddood te maken. Het vertrek van Sigrid Kaag uit de politiek zou ons voor eens en altijd duidelijk moeten maken waarom haat geen plaats verdient in onze liberaal-democratische samenleving.
Wellicht ten overvloede, maar: democratie is de bestuursvorm waarin de soevereiniteit ligt bij een door het volk gekozen parlement. Die democratie is liberaal zodra iedere burger dezelfde rechten, plichten en vrijheden geniet. Binnen de liberale democratie kan het parlement het volk uitsluitend vertegenwoordigen wanneer iedere gekozen burger hier zonder vrees zitting in kan nemen.
Het is dus niet zomaar een schande dat de haters Sigrid Kaag van het Binnenhof hebben verdreven, het is een existentiële bedreiging voor onze liberale democratie zelf.
David Cameron begreep dit. Hij omarmde het homohuwelijk omdat het Britse volk pas vrij kan zijn als iedereen dezelfde rechten heeft – én hij was bereid dit uit te leggen aan zijn kribbige achterban. Het is een les die Nederlandse politici zich ter harte moeten nemen. Zodra we toestaan dat de rechten van bepaalde groepen burgers worden ingeperkt, verliezen we allen onze vrijheid en verandert onze democratie in een dictatuur van de meerderheid.
Bij de verkiezingen in november staat er meer op het spel dan de verschuiving van een paar accenten in de rijksbegroting alleen. Deze verkiezingen draaien ook om de vraag in hoeverre de leiders van de middenpartijen bereid zijn de grondbeginselen van de liberale-democratie te verdedigen. In dat licht is het een veeg teken dat een van de belangrijkste premierkandidaten, Dilan Yesilgöz van de VVD, al wekenlang flirt met een partij als de PVV, die expliciet is opgericht om de grondrechten van etnische minderheden in te perken.
De VVD kennende is waarschijnlijk uit hun eigen opinieonderzoek gebleken dat ze deze verkiezingen kunnen winnen met wat niet rechtsstatelijke uitspraken. Kennelijk is de inschatting dat de VVD-kiezer onderhand aan zoveel vrouwen- en vreemdelingenhaat is blootgesteld, dat ze best bereid is een kabinet met een donkerbruin randje te accepteren. In ons kiesrecht is er niets dat partijen ervan weerhoudt een coalitie te vormen met extreemrechts. Het is een van de fundamentele zwakheden van de liberale democratie: haar voortbestaan is afhankelijk van de bereidheid van politici om haar te verdedigen.
Daarom zouden alle premierkandidaten zich nu al de vraag moeten stellen hoe ze later herinnerd willen worden als ze eenmaal premier-af zijn. Worden zij de schlemielen die, in hun tomeloze ambitie, bereid waren onze liberale democratie te offeren? Of gaan ze de geschiedenis in als de leiders die pal stonden voor onze vrijheid, op het moment dat we dit het hardst nodig hadden?
Source: Volkskrant