N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
De eerste vijf kilometer van de tocht waren niet moeilijk. Die gingen over een fietspad langs de flats in aanbouw van Loenermark en de drie jaar eerder geopende vierbaansweg naar de IJtunnel. Van de auto’s, in de file onderweg naar de Amsterdamse binnenstad, had ik hier geen last. Wel vaak wind tegen, want ik fietste van het noordoosten naar het zuidwesten. Verderop, langs het Noordhollandsch Kanaal, begon het drukker te worden en het laatste stuk tot de pont, de Tolhuispont over het IJ, legde ik af te midden van honderden fietsers en bromfietsers die allemaal maar één doel hadden: bij de pont zijn voordat de klep omhoogging.
Daar kon ik nog wel aan wennen, al was ik de eerste keer best geïntimideerd door het tempo van het peloton. De avond ervoor, toen mijn vader met me meefietste om me de route te wijzen, was het rustig geweest. Augustus 1971, ik was twaalf en ging naar de brugklas van de christelijke scholengemeenschap voor havo en vwo in Amsterdam-Zuid. Lieve mensen, ik heb nóg weleens nachtmerries van het twééde deel van de tocht, van de De Ruijterkade bij het Centraal Station en de Nieuwezijds Voorburgwal, onder het Rijksmuseum door naar het Museumplein.
Het gemeentebestuur zette toen nog in op cityvorming. Grote delen van de zestiende-eeuwse binnenstad zouden worden afgebroken om ruimte te maken voor wegen en kantoren. In 1971 was het plan volop in uitvoering: Weesperstraat, Wibautstraat. Vanaf het Waterlooplein, waar de Stopera kwam, zou de weg worden doorgetrokken naar het Centraal Station. De Jodenbreestraat en Sint Antoniesbreestraat, waar Rembrandt nog gewoond had, lagen al plat. Alles voor de auto. Niets voor de fiets. Dus moest ik van de pont af de rijweg op en tussen de auto’s en bussen door voorsorteren om links af te slaan naar het viaduct onder de sporen. Dat lukte alleen als ik keihard meefietste met de fietsers en bromfietsers die dezelfde kant uit moesten. Het Museumplein was toen ook nog een vierbaansweg en daar was het weer wachten tot de groep waarin ik meefietste genoeg massa had om het autoverkeer tot stilstand te dwingen en linksaf de straat naar mijn school in te slaan.
Overdrijf ik? In 1970, lees ik op Amsterdam.nl, waren er 114 dodelijke ongelukken in de stad. Bijna elke drie dagen één. Er kwamen actiegroepen, ‘Stop de kindermoord’, en in 1974 zei de PvdA dat de ‘doodsverachting’ die fietsers moesten opbrengen ‘overbodig’ zou moeten zijn. Ja, Amsterdammers die klagen over toeristen, e-bikes en wat heb je nog meer voor ellende op de fietspaden – ze hebben gelijk. Maar nu verongelukken er vijftien mensen per jaar. Vijftien te veel, maar toch. Vroeger was alles slechter.
U kunt ons via dit formulier informeren over taalfouten of feitelijke onjuistheden, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken worden niet gelezen.
Source: NRC