‘Nu wordt het spannend.’ Achter haar strakke zonnebril met reflecterende glazen kijkt Renate Olie (27) naar haar collega’s in de rubberen boot, een hand verwachtingsvol in de lucht. De ecoloog, haar andere hand stevig aan de buitenboordmotor, wacht op bericht van collega-ecoloog en duiker van dienst Joost Bergsma (43).
Even eerder gleed Bergsma van een andere rubberen boot het Noordzeewater in. ‘Ik zie net m’n handen’, klonk zijn stem blikkerig uit een luidspreker. Het waait harder dan gehoopt, en het zicht onder water is troebel. Bergsma is op zoek naar kratten vol babyoesters.
Namens het project De Rijke Noordzee, opgericht door Stichting de Noordzee en Natuur en Milieu, zijn de ecologen vandaag op ‘missie’. Zo noemen ze de vaartocht een paar honderd meter uit de kust van de Brouwersdam, die Goeree-Overflakkee en Schouwen-Duiveland met elkaar verbindt. Daar zetten ze afgelopen september zo’n twintig kratten met 4.500 baby-oesters van verschillende leeftijden uit. Die ‘broedjes’ hopen ze nu terug te vinden om te kijken onder welke omstandigheden die het best gedijen.
Lukt dat, dan komen de ecologen weer een stapje dichter bij een antwoord op de vraag die hen al jaren bezig houdt: wat is er nodig om de platte oester terug te krijgen in de Nederlandse zeewateren?
Ooit was de platte oester in de Noordzee net zo vanzelfsprekend als een winderige stranddag. Maar de sleepnetten van de intensieve visserij maakten de oester het leven onmogelijk. Lange tijd leek het dier helemaal verdwenen in het wild. Totdat een paar jaar geleden per toeval kleine aantallen werden gevonden. Die sporadische vondsten haalden direct de kranten. ‘Platte oester blijkt toch niet uitgestorven’, kopte de Volkskrant in 2017, na een vondst in de Waddenzee.
Zulke vondsten zijn nog altijd uitzonderlijk, vertelt Olie, in haar vrije tijd fervent Noordzeeduiker. ‘Vorige week vond ik er opeens twee, ergens op een wrak. Dat was de beste week in een jaar.’ Want de platte oester is een droomdier voor ecologen als Olie. ‘Oesters filteren water, slaan koolstof op en kunnen riffen bouwen, waarbij ze plek bieden aan veel soorten ongewervelden en vissen.’
De tijd voor de comeback van de platte oester lijkt eindelijk rijp. Vanaf maart dit jaar zijn drie natuurgebieden – goed voor zo’n 5 procent van de totale Nederlandse Noordzeeoppervlakte – niet meer toegankelijk voor bodemberoerende visserij. In 2030 moet dat 15 procent zijn.
Ook het uitdijen van de windmolenparken voor de kust kan goed nieuws zijn voor de oester. Binnen die parken mag immers ook niet worden gevist, en heerst er onder water een betrekkelijke rust. Kortom: dit is hét moment om de rifbouwer van weleer terug te brengen in de Nederlandse wateren.
Maar zo achteloos als het wegvagen plaatsvond, zo stroef verloopt de herintroductie van de diersoort. Zo bemoeilijkte een parasiet het uitzetten van jonge oesters in zee, en sleepte het getij eerder uitgezette oesters weg, waardoor die niet konden worden onderzocht. Maar bovenal is de oester zelf een ingewikkeld dier, vertelt Marco Dubbeldam (55), onderzoeker aquacultuur en lid van het duikteam.
‘De larven zijn lastig’, zegt Dubbeldam. Drie jaar lang lukte het nauwelijks om ze te laten overleven. Was het de temperatuur, het voedsel, de bacteriën? ‘We wisten het niet’, zegt Dubbeldam, ‘en bleven zoeken naar de juiste formule.’
Een belangrijk onderdeel van die formule is rust, ontdekten de onderzoekers. Hoe vaker zij de kwekerij in-en uitliepen, des te minder larven de moeders loslieten. Op rustige zondagen spuiden ze erop los. ‘We laten ze nu ook doordeweeks met rust, in een afgesloten ruimte’, zegt Dubbeldam. Na drie jaar onderzoek ging de champagne in 2022 open: het lukte het team om de larven veilig het stadium van babyoesters in te loodsen.
Nu is het tijd voor de lakmoesproef, en moet blijken hoe goed de diertjes in de echte wereld, buiten de kwekerij, overleven. ‘Ik heb alle mandjes gevonden’, klinkt de stem van Bergsma. Soepeltjes hijst de duiker stangen met begroeide kratten vol schelpen met oesterbroed op de rubberen boten, die terug varen naar de kust.
Daar volgen opnieuw arbeidsintensieve stappen: één voor één tellen hoeveel baby-oesters zijn blijven zitten en meten hoeveel ze zijn gegroeid. Gewapend met een elektronische schuifmaat en een dosis geduld noteert het team de rest van de middag scores in excelsheets. Af en toe klinkt er een voorzichtig positief geluid. ‘In mandje 38 zitten nog 74 oesters, van de 199 die we erin hadden gedaan’, zegt Joost Bergsma. ‘Geen slechte score.’
Drie lange weken na de duikmissie komt dan eindelijk het nieuws waar de ecologen op hoopten: het voedsel op de bodem van de Noordzee doet de jonge platte oesters goed. Van de beste groep had meer dan 70 procent nog in leven, stellen de onderzoekers vast. Van de slechtste 15 procent. ‘Dat klinkt misschien weinig, maar elk volwassen oester produceert jaarlijks 100 duizend larven, dus het is begrijpelijk dat ze het niet allemaal overleven.’ Het kweken en uitzetten van platte oesters in Nederland heeft lang op zich laten wachten, concludeert Olie, en kent tegenslagen. ‘Maar dit is een succesverhaal.’
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden