Er zijn van die verhalen die je ouders je vaak vertellen, waardoor niet zozeer de gebeurtenis zelf, maar de telkens herhaalde versie ervan een belangrijke jeugdherinnering wordt. Zonder dat verhaal zou je de gebeurtenis waarschijnlijk nooit hebben onthouden.
Zo vertelde mijn moeder mij geregeld dat ik met kerst 1971 – toen ik net vier maanden op de lagere school zat en had leren lezen – onder de kerstboom het kerstverhaal van Dick Bruna aan mijn ouders, broertje en opa en oma voorlas. Mijn moeder herinnerde het zich waarschijnlijk vooral omdat mijn vader er, trots, een aantal foto’s van maakte, en natuurlijk omdat ik heel veel jaren later schrijver werd.
Anjet Daanje, pseudoniem van Anjet den Boer (1965), debuteerde in 1993 met Pianomuziek in de regen. De herinnerde soldaat, uit 2019, werd bekroond met de F. Bordewijk-prijs en uitgeroepen tot Beste Groninger Boek 2020. Dat laatste gebeurde ook met Het lied van ooievaar en dromedaris (2022), waarvoor ze tevens de Boekenbon Literatuurprijs en de Libris Literatuurprijs kreeg. Haar gehele oeuvre werd dit jaar bekroond met de Constantijn Huygensprijs.
Hoe ik van het voorlezen van Dick Bruna tot het schrijven van mijn eigen romans ben gekomen, is een proces dat ik niet kan navertellen, omdat het vooral een onbewuste en zeer geleidelijke ontwikkeling is geweest. Lezen is zoals leven: veel ervan meen je te zijn vergeten, maar het bestaat in een andere, vrijwel onherkenbare vorm in je geheugen voort, in voorkeuren, fantasieën, dromen, en bij het bedenken van een verhaal put je uit die onmetelijke bron. Als schrijver klim je op de schouders van je voorgangers, alleen zo kun je naar de hemel reiken, en die uiteindelijk niet aanraken, niet eens in het zicht krijgen, maar overmoedig doe je bij het schrijven van ieder boek toch telkens een nieuwe poging.
In de jaren nadat ik onder de kerstboom Dick Bruna had voorgelezen, las ik vooral wat toen nog ‘jongensboeken’ heetten. Ik had de complete Kameleon-serie van H. de Roos, en ook de boeken van Karl May, en daarnaast las ik, zoals veel kinderen in die tijd, Thea Beckman en Tonke Dragt. Ik hield ook veel van de historische boeken van Jaap ter Haar, vooral van zijn boek over de dramatische levens van Romeinse keizers, en de boeken waarin hij oude sagen navertelde, zoals die van koning Arthur of van Tristan en Isolde.
Nu nog steeds ben ik gefascineerd door geschiedenissen die eeuwenlang worden overgeleverd, en iedere keer dat ze worden naverteld een beetje veranderen en meer verhaal en minder waarheid worden. Je zou kunnen zeggen dat het basisidee voor mijn roman Het lied van ooievaar en dromedaris – over de mythes rond schrijfster Eliza May Drayden – 45 jaar teruggaat, naar de tijd waarin ik Jaap ter Haar las.
De enige scène uit een kinderboek die ik me letterlijk herinner, komt – zo dacht ik tenminste altijd – uit een roman van de Engelse schrijver Rosemary Sutcliff. Maar nu ik voor het schrijven van dit artikel de kinderboeken doorkijk die ik heb bewaard, zie ik dat ik me al die jaren heb vergist. Na wat googlen kom ik erachter dat de scène uit het historische kinderboek Black Jack van Leon Garfield komt.
Zoals ik me de scène herinnerde, werd hij door een ter dood veroordeelde moordenaar verteld die, vlak voordat hij werd opgehangen, een metalen buisje in zijn luchtpijp duwde, zodat hij tijdens zijn executie kon blijven ademen. De kunstgreep werkte en hij verrees uit de dood tussen de lijken van de andere terechtgestelden.
Nu ik de scène op Google Books herlees, blijk ik de ophanging en het buisje in de strot goed te hebben onthouden, maar de scène wordt niet vanuit het perspectief van de ter door veroordeelde man, Black Jack, verteld. Hij gaat over een jongen, met de naam Dorking, die na de executie een nacht bij het lichaam van Black Jack moet waken, dat in een kist op tafel ligt. Tot Dorkings schrik opent Black Jack midden in de nacht zijn ogen, en Dorking helpt hem het gedeukte buisje uit zijn keel te trekken, waarna Black Jack uit de kist stapt.
Onbewust moet ik me de juiste toedracht van deze scène toch hebben herinnerd, want in het eerste hoofdstuk van mijn roman Het lied van ooievaar en dromedaris opent de dode Eliza May Drayden tijdens het afleggen haar ogen – hoewel onduidelijk is of dat gebeurt omdat ze nog leeft – en als ze een paar dagen later is gekist, staat ook háár kist een nacht op een tafel.
Dat bedoel ik dus: onbewust roer je de ingrediënten die je in de loop van je leven hebt vergaard dooreen, ze gaan een reactie met elkaar aan, waaruit een nieuw mengsel ontstaat dat je in een eigen vorm giet en op papier zet.
Mijn ouders bezaten duizenden boeken, en toen ik 11 was, las ik steeds vaker romans voor volwassenen uit hun boekenkasten. Zo ontdekte ik de Engels-Ierse schrijver Iris Murdoch. In de loop van de jaren las ik al haar romans: eerst de romans die destijds in Nederlandse vertaling verkrijgbaar waren, en toen mijn Engels goed genoeg was, las ik ook haar niet vertaalde romans.
Op de een of andere manier geven haar boeken mij een gevoel van vertrouwdheid dat ik bij de boeken van geen enkele andere schrijver heb. Het is niet dat ik mezelf herken in de mensen die ze beschrijft, of in de omstandigheden waarin ze leven, want geen van haar personages heeft veel met mij gemeen. Het gaat om de manier waarop ze met veel psychologisch inzicht hun gevoelsleven beschrijft. Haar personages zijn gecompliceerd, vol innerlijke tegenstrijdigheden, arrogant, naïef, egoïstisch, kortzichtig, maar toch ook begrijpelijk, en daardoor sympathiek, kortom, zoals mensen in het echt ook zijn. Als je een samenvatting van de plot van een roman van haar leest, denk je: nee, dat kan niet, dat is volstrekt ongeloofwaardig. Maar lees je de roman, dan zijn de personages zo overtuigend dat de plotwending volkomen natuurlijk blijkt te zijn.
Later begreep ik dat Iris Murdoch haar personages niet verzon, maar baseerde op mensen die ze kende, met name op haar minnaars en minnaressen met wie ze – met medeweten van haar man, John Bayley – kortstondige relaties had, precies lang genoeg om hun karakter te doorgronden; had ze hen begrepen, dan verwaterde haar liefde. Zelf was ze hoogleraar filosofie in Oxford en ze had vaak relaties met andere hoogleraren, schrijvers of met beroemde mensen, zoals met de schrijver en Nobelprijswinnaar Elias Canetti, die ook in een van haar romans schijnt voor te komen.
Dat ze haar personages niet verzon en bestaande mensen voor haar romans gebruikte – of misbruikte, het hangt ervan af hoe zij er zelf over dachten – vond ik ontgoochelend. Maar ik kwam het pas te weten, doordat haar man, John Bayley, na haar dood in 1999, op zijn beurt een boek over haar schreef, een boek dat ik eigenlijk liever niet had gelezen, omdat het in mijn gedachten een schaduw over haar romans wierp. In de laatste jaren van haar leven leed ze aan de ziekte van Alzheimer. Dat is altijd al een afschuwelijke aandoening, maar bij een schrijver en filosoof is het zo mogelijk nog verdrietiger. Ze wist niet meer dat ze ooit boeken had geschreven, en volgens haar man bestond het hoogtepunt van haar dag uit het kijken naar Teletubbies.
Toen ik eind 20 was, maakte ik kennis met Op zoek naar de verloren tijd, de beroemde romancyclus van Marcel Proust. De eerste paar delen, in vertaling van Thérèse Cornips, waren toen al verschenen. Nadat ik die had gelezen, las ik, verspreid over een tiental jaren, telkens bij verschijnen een nieuw deel, wat lastig was omdat er veel personages in de reeks voorkomen, en ik dan inmiddels veel was vergeten. Maar de kracht van het werk zit niet in de plot – een zeer uitgebreide levensbeschrijving van de hoofdpersoon – die zit in de manier waarop gevoelens tot in detail worden ontleed. Alle mogelijkheden worden in overweging genomen, alle verbanden beschreven, alle zijpaden bewandeld, en dat alles in lange zinnen, met eindeloos veel bijzinnen. Dat klinkt alsof het onleesbaar en ontzettend langdradig is, maar dat is het helemaal niet. Alhoewel ik moet toegeven dat sommige van Prousts uitweidingen mij wel te lang waren. Ik herinner me een verhandeling van vijftig bladzijden, waarin Proust enkel vertelde dat hij als kind fantaseerde over de steden die in het spoorboekje als stations werden genoemd, en dat hij later, toen hij als volwassene die plaatsen bezocht, teleurgesteld was omdat de fantasie zoveel mooier was dan de werkelijkheid.
Dat neemt niet weg dat ik geen enkel ander boek kan aanwijzen dat zo veel invloed heeft gehad op mijn mensbeeld als Op zoek naar de verloren tijd. Hoe gecompliceerd, wispelturig, onbetrouwbaar en volstrekt niet eenduidig het gevoelsleven van ieder mens is, en hoe die onderwereld van emoties de beleving kleurt van de wereld om je heen. Het is een besef dat in al mijn romans doorklinkt, en waarvan ik me ook in het dagelijks leven altijd bewust ben, iets wat het leven niet eenvoudiger maakt, maar wel interessanter, en het is, naar mijn mening, ook de enige weg naar zelfkennis, en daarmee naar kennis over anderen en je omgeving, hoewel Marcel Proust tegelijkertijd duidelijk maakt hoe twijfelachtig die opgedane kennis is.
Toen ik 16 was, las ik Jane Eyre voor mijn schoolonderzoek Engels. Charlotte Brontë was de eerste schrijver die het gevoelsleven van een vrouw realistisch durfde te beschrijven, iets wat bij het verschijnen van haar boek in 1847 maakte dat sommigen het een zeer ongepaste roman vonden. Het was jarenlang mijn lievelingsboek, en ik las rond mijn 17de daarom van alles over en van de Brontës, ook Wuthering Heights Volkskrant