De gelauwerde schrijver en tekenaar Thé Tjong-Khing wordt volgende week 90. Naar aanleiding van deze serie over troost en hoe je die in literatuur kunt vinden, haalde hij herinneringen op aan momenten die hem raakten, maar hij zegt direct dat hij eigenlijk helemaal niets heeft met ‘troost’.
Toen hij 6 jaar oud was zag Thé Tjong-Khing in de bioscoop van zijn vader, op Java, Pinokkio van Walt Disney. Het was de eerste keer dat Thé Tjong-Khing door iets werd geraakt: ‘Ik weet nog dat ik daarna thuiskwam en allemaal figuurtjes tekende uit de film.’
‘Ja, ik heb weinig herinneringen aan mijn jeugd. Maar ik herinner me dat ik thuis tekende op een groot schoolbord met krijt. Voornamelijk Pinokkio en mensen die op bezoek kwamen.’
In de woonkamer van de stijlvol ingerichte woning van illustrator Thé Tjong-Khing (1933, Purworejo, Centraal-Java) staat een grote kast met alle honderden boeken die hij heeft geïllustreerd. Volgens zijn eigen schatting zijn dat er inmiddels bijna zeshonderd en daar komt nog wel wat bij, want Thé, die volgende week 90 jaar wordt, tekent nog iedere dag. Alles in zijn tekeningen lijkt te kloppen. Houdingen en gezichtsuitdrukkingen weet hij met een paar lijnen neer te zetten.
De inmiddels overleden kinderboekenschrijver Miep Diekmann vroeg hem ooit om haar kinderboeken te illustreren. ‘Vanwege de manier waarop hij contact tussen mensen verbeeldde: beweeglijk en helder, maar zonder dat het zoetig werd’, zei ze in 2010 in Het Parool. Precies dat maakt zijn werk zo troostrijk, maar zelf heeft hij met het woord ‘troost’ heel weinig, waarschuwt hij meteen.
‘Ik moet eerlijk zeggen: niks. Vanwege dit interview heb ik het met Jan en alleman besproken. De een zegt: een kopje koffie is een bakkie troost. Maar ik drink zelf geen koffie. De ander zegt: als je een grote prijs niet wint, krijg je een troostprijs. Een troostprijs lijkt mij verschrikkelijk om te krijgen. Dus wat is troost voor mij? Als je het woord zegt, zie ik iemand huilen. Dat is het beeld dat het woord bij me oproept.’
‘Nee. Dit wordt een kort interview, haha. Een schilderij kan mij bijvoorbeeld geen troost bieden.’
‘Misschien wel. Ik kan wel bewondering voelen voor de manier waarop het is gemaakt, hoe iemand het heeft gedaan, maar ik word er niet emotioneel door geraakt. Dat heb ik wel bij muziek. Daarvan kan ik tranen in mijn ogen krijgen. Maar is dat troost? Het gebeurt me bij de gekste liedjes.
‘Ik kan niet met droge ogen naar een paar aria’s van La Bohème luisteren. Terwijl ik daarbij kan lachen hoor, ik ben dus niet verdrietig. En bij Sweet Caroline, Lea en Halleluja heb ik het ook. Ik snap zelf ook niet waarom dat zo is, terwijl ik ook nog amuzikaal ben.’
Over de auteur
Laura de Jong is boekenredacteur bij de Volkskrant. Zij interviewt Nederlandse en internationale schrijvers over hun nieuwste werk, zowel fictie als non-fictie.
Thé (zijn achternaam) groeide op in voormalig Nederlands-Indië. Nadat hij op zijn 23ste naar Nederland was gekomen, werkte hij eerst als striptekenaar in de studio van Marten Toonder. Sinds 1976 is hij kinderboekenillustrator. Generaties groeiden dus op met zijn tekeningen in de boeken van Miep Diekmann, Els Pelgrom, Dolf Verroen en recenter die van de Vlaamse Sylvia Vanden Heede, bekend van de avonturen van Vos en Haas.
Hij won veel prijzen: de Max Velthuijs-prijs voor zijn hele oeuvre, driemaal een Gouden Penseel en in 2005 de Woutertje Pieterse Prijs voor het beste kinderboek van het jaar voor Waar is de taart?, het eerste boek dat hij in zijn eentje maakte – hij was toen al in de 70. Onlangs verscheen het vierde deel in de taartenreeks, Taart voor iedereen, een prentenboek zonder tekst, waarin de taart van meneer en mevrouw Hond door een grote roofvogel wordt gestolen. Wereldwijd zijn er al meer dan 720 duizend taartenboeken verkocht.
‘Als er iets vervelends is gebeurd, kan ik niet werken. Ik ben dus kampioen in het vermijden van conflicten. En als ik niet weet wat ik moet tekenen, ga ik opruimen. Ik ben een sloddervos. Ik ben veel tijd kwijt aan het zoeken van spullen.’
‘Ja, natuurlijk. Wat ik ertegen doe? Niks. Erover praten misschien? Maar ik ben eigenlijk geen prater.’
‘Ik zie natuurlijk best mooie dingen, tijdens een reis in Georgië was ik onder de indruk van de natuur. Ook woestijnen vind ik geweldig. Hoewel ik, terwijl ik daar rondloop, voortdurend denk: hoe houd ik dit vast? Maar in het dagelijks leven let ik niet zo op schoonheid, ik zie vooral wat ik kan gebruiken. Ik jat veel en kijk naar anderen. Toen ik net was aangekomen in Nederland, woonde ik in een kamertje in Amsterdam. En elke dinsdag was het vuilnisdag. Dan ging ik de hele buurt langs en nam ik alle tijdschriften mee die waren weggegooid. En dan knipte ik de plaatjes uit die ik ooit eens nodig zou kunnen hebben. Dus ik heb archiefkasten vol met plaatjes. Nog steeds heb ik een plaatje van een tijger nodig als ik een tijger moet tekenen.’
‘Ongeveer. Maar ik ben al honderd jaar bezig, hè.’
‘Daar zorgt mijn vrouw voor. Maar het brengt mij geen troost. Als mijn vrouw chagrijnig is, gaat ze de tuin in. En na een half uurtje komt ze terug en is dat chagrijn weg. Als ik de tuin in ga, kom ik even chagrijnig terug. Tuurlijk, het is prachtig, maar ik heb er geen verbinding mee.
‘In Indonesië waren wij ook niet zo van de natuur. Ons huis was functioneel. Zo stond er een ijskast in de kamer. We waren laatst op bezoek bij een Indo-Chinese familie in Haarlem. De helft van de woonkamer was gevuld met ingepakte dingen. Ik weet niet wat erin zat. Koffers en dozen, alles was ingepakt. Ik herkende het uit mijn jeugd. Nederlanders hebben meer oog voor een mooi interieur.’
‘Haha, ik hoop dat ik dat wel heb, ja. Maar ik zie mezelf niet als kunstenaar.’
‘Zo’n tekening komt niet uit mezelf. Ik heb een verhaal nodig. Zelfs het idee voor de Waar is de taart-boeken kwam niet uit mijzelf, maar van de uitgever van Vos en Haas.
‘Daar zit misschien iets ... creatiefs. Ik vind dat een vreselijk woord. Maar creativiteit komt er zeker bij. Als ik het verhaal lees, krijg ik allerlei ideeën. Dat heeft niet iedereen. Dat geef ik toe.
‘Maar weet je, iemand die een mooie stoel maakt, is toch hetzelfde? Noem je een stoelmaker een kunstenaar? Nee. Tenminste, het is geen algemeen gebruik.’
‘Ja, ja. Dat is waar. Maar bij mij moet je je dan voorstellen dat ik een model krijg, dat is het verhaal dat ik krijg, en daarmee ga ik spelen. Dus ik krijg iets aangereikt. Als ik bijvoorbeeld een tafel krijg, maak ik een vijfde poot. Is dat kunst? En als ik lees wat die kunstenaars allemaal zeggen over hun eigen werk, dan denk ik: oké, nou ja.’
‘Ze verhouden zich tot de wereld. Ze willen een verband leggen tussen dit en dat. En dan zie ik een hoop stenen op elkaar en denk ik: ik zie dat verband helemaal niet.
‘We waren eens in een museum in Spanje. En er hing daar een lamp. Toen zei ik tegen mijn vrouw: we gaan daar heel lang naar kijken, zien wat er gebeurt. En ja hoor, andere mensen gingen naast ons staan kijken naar dat lampje, haha.’
‘Niemand in de familie begreep het. Ze hadden er geen bezwaar tegen, maar ze dachten wel: wat moet er van die jongen terechtkomen?’
Thé groeide op in een gegoede Indo-Chinese familie met vier oudere zussen, zijn vader was zakenman. ‘Ons deel van de familie ging naar Nederlandse scholen. Een ander deel van de familie ging naar Chinees-Indonesische scholen. Toen de Japanners kwamen, tijdens de bezetting, beseften wij dat wij toch ook Aziatisch waren. En toen kregen wij Chinese les thuis. Ik leerde verhaaltjes schrijven in het Chinees. Nu ben ik het allemaal vergeten.’
‘Zeker. Een Chinees penseel luistert heel nauw. Gewone penselen hebben geloof ik hardere haren, de haren van een Chinees penseel eindigen in een punt. Je kunt met het penseel een puntje op het papier maken. Hij luistert heel precies: hij registreert elke beweging, je moet er dus een vaste hand voor hebben. En die ben ik helaas kwijt. Nu teken ik met een pen. Deed ik normaal een dag over een illustratie, nu is dat zeg maar drie dagen.’
‘Ik had geen leuke tijd daar. Er werden daar helemaal geen boeken gemaakt. Dus voor mij was er absoluut geen werk geweest. Nee, het was dramatisch met mij afgelopen daar... Want ik kan verder helemaal niks, hè? Ik ben ook helemaal niet handig.’
‘Jawel. Toen de Nederlanders in de oorlog in kampen werden gezet, kwamen al hun bezittingen op straat. Mijn vader kwam soms thuis met een hele koffer vol met boeken die hij ergens had gekocht. Dat waren voornamelijk meisjesboeken voor mijn zussen, zoals Joop ter Heul van Cissy van Marxveldt, maar die heb ik ook allemaal gelezen.’
‘Nederland was voor mij zo’n andere wereld. Het was een soort Hollywood voor me. Een droomwereld. Het was een klein wonder dat ik in 1956 naar Nederland kon komen. Want iemand moest financieel garant voor me staan, ik moest een vast adres in Nederland hebben en ik moest iets studeren. Eerst ging ik naar de kunst- en nijverheidacademie, de huidige Rietveld Academie. Maar ik moest van mijn vader de reclametak doen, en dat was niets voor mij. Toen heb ik de lerarenopleiding gedaan, dat was nog minder iets voor me. En toen kwam ik bij de striptekenstudio van Marten Toonder terecht. Daar liep ik stage. De vreemdelingenpolitie kwam achter me aan, want Source: Volkskrant