‘Schoenen uit, lieverd’, zegt mijn moeder als we het strand op lopen en ze haar slippers in haar hand neemt. ‘Anders zitten we straks thuis met al dat zand.’
Mijn vader gaat voorop. Hij draagt de koelbox. Op zijn hoofd het vaalgele zonnehoedje dat hij dertig jaar geleden bij het passeren van de Tourkaravaan heeft gevangen. Hij tuurt in de verte en kijkt op zijn horloge.
‘Na twaalven komen de beste plekken vrij’, weet hij.
‘Een Fransman slaat geen middagmaal over’, mompel ik.
‘Want een Fransman slaat geen míddagmaal over!’
Daar loop ik dan. 42 en kalend, achter mijn ouders aan op zoek naar een geschikte ligplaats op een strand in de buurt van Montpellier. Het is zaterdag en druk. Glimmende lichamen, spelende kinderen en een zeewindje dat een zomerse melange van strandgeluiden onze kant op blaast. We passeren twee jonge vrouwen in bikini.
‘Je hoeft niet bij ons te liggen, hoor, als je dat niet wilt’, zegt mijn moeder.
Afgelopen winter had Anna me op straat gezet. ‘Moederskindje!’, riep ze me na. Sindsdien leefde ik achter de gordijnen in een flat aan de rand van Diemen. Merel, die zo nu en dan wat boodschappen bracht, wist me na een half jaar bij een therapeut op de bank te krijgen. Aangeleerde hulpeloosheid, luidde de diagnose. Kwam in de best functionerende gezinnen voor. En misschien juist daar. Ik had nooit geleerd om zelf beslissingen te nemen, om invloed uit te oefenen op mijn leven, wat volgens haar tot stilstand en depressie leidde.
‘Maar denk erom, je bent géén slachtoffer’, zei de therapeut toen ik haar kamer verliet. ‘Du mußt dein Leben ändern!’
‘120 euro om van haar en een dode Duitse dichter te horen dat die navelstreng nu toch echt door moet’, zuchtte ik tegen Merel toen ze vroeg hoe het was gegaan.
‘Dat kun je toch gewoon terugkrijgen van de verzekering?’
‘Geen idee, dat moet ik aan mijn vader vragen.’
‘Gottegot, die lieve ouders van je hebben geen idéé wat ze je hebben aangedaan. Heb je trouwens nog over dat aanbod van ze nagedacht?’
‘Twee weken Frankrijk, ik weet het niet, hoor.’
‘Soms moet je eerst ergens naar terug om te begrijpen waarom je ervan weg moet gaan.’
Ons vakantiehuis ligt op een uur rijden van Montpellier.
‘Wie kan ik straks aan zee allemaal verblijden met een stokbroodje?’, vroeg mijn moeder vanochtend alsof we met z’n zessen waren.
‘Ik heb besloten dat ik jullie ga trakteren, mam, op een menu du jour aan de boulevard.’
‘Dat is toch veel te duur’, zei mijn vader.
En dus verdeelde mijn moeder aan de keukentafel een baguette in drieën. Ze belegde de hompen met emmentaler, jam en brie. In de koelbox gingen ook drie yoghurtjes, drie blikjes Orangina, drie flessen water en een trio nectarines.
‘Iedereen naar de wc geweest, jongens?’
Ik ging zitten op de voorverwarmde bril. Dichter bij een aanraking met mijn vader kwam ik al jaren niet. Nadat hij zijn iPad onder een kussen van de bank in de woonkamer had verstopt, reden we weg.
‘On y va!’
Ik steek de parasol in het zand, mijn moeder rolt haar rieten strandmat uit.
‘Zo, hèhè.’
Mijn vader blaast in kleermakerszit een strandbal op.
‘Dat jullie die nog hebben.’
‘Wie wat bewaart, die heeft wat, jongen.’
Hij gooit de blauw-witte Niveabal, die ze honderd jaar geleden gratis kregen bij de opening van de eerste Kruidvat in het dorp, naar me toe.
‘Goed zo!’, roept mijn moeder als ik de bal vang boven mijn hoofd.
Sinds we uit Nederland zijn vertrokken doen ze hun best om het me naar de zin te maken. Mijn moeder vraagt elke ochtend wat ik ’s avonds wil eten, mijn vader probeert vooral niet over Anna – op wie hij erg gesteld was – te praten.
‘Jongens, eerst gaan we smeren.’
Mijn moeder haalt de fles zonnemelk tevoorschijn en mijn vader verhuist meteen naar haar strandmat.
‘Kom naast papa zitten, dan doe ik jou daarna.’
‘Hoeft niet hoor.’
‘Toe, straks krijg je een verbrande rug zoals die meneer daar.’
Ik kijk naar een kale vijftiger op een handdoek naast ons. Rode vlek tussen zijn schouderbladen waar hij zelf net niet bij kon. Het brandmerk van een mens alleen.
Ik moet mijn leven veranderen.
Ik ga naast mijn vader zitten en staar voor me uit. Een streep zonlicht schittert op het water tot aan de horizon. Mijn moeder masseert mijn vaders schouders nog even na en knijpt hem zachtjes in zijn oorlel als hij klaar is.
‘Zo, volgende patiënt.’
Ik sla mijn boek open, en weer dicht. Ik voel me onwennig in mijn rol, in welke mal ik hier moet passen, maar mijn ouders hebben de draad van vroeger probleemloos opgepakt, alsof er geen half mensenleven voorbij is gegaan. Mijn moeder leest een boek en voert de regie over de inhoud van de koelbox, mijn vader maakt zijn kruiswoordraadsel. Hij moet er elke dag een oplossen, anders ontploft de aarde. Zo nu en dan roept hij onze hulp in.
‘Theatervoorstelling, vijf letters, eerste een d.’
‘Drama’, antwoordt mijn moeder zonder op te kijken van haar boek.
Ik staar naar een vrachtschip aan de horizon. Een paar kansen heb ik in mijn leven gehad. Anna was de laatste boot die ik heb gemist. ‘Je belt goddomme eerst je moeder en dan pas 112!’ riep ze tijdens een van onze laatste ruzies.
‘Ik lust al wel een lekker stokbroodje’, zegt mijn vader.
Mijn moeder gaat op zoek in de koelbox. Twee vrouwen lopen topless door de branding voorbij. Het ontgaat ook mijn vader niet.
‘Ik heb er twee mét kontje en één zonder’, zegt mijn moeder.
Nadat we alle drie een yoghurtje hebben leeggelepeld, staat mijn moeder zonder iets te zeggen op. Ze loopt tot haar middel het water in, waar ze afwezig lijkt te staan mijmeren.
‘Pap?’
‘Ja, jongen?’
‘Maakten jij en mama vroeger weleens ruzie?’
Mijn vader morrelt aan zijn gehoorapparaat.
‘Zit zand in. Ruzie, mama en ik?’
‘Over hoe jullie mij moesten opvoeden?’
‘Zulke dingen kun je beter aan je moeder vragen, jongen.’
Ik staar naar het water.
‘Staat ze daar nou te plassen?’
Mijn vader haalt zijn schouders op.
‘Dat verdunt vanzelf in zee.’
Zodra de Fransen zijn vertrokken voor hun middagmaal, gaan mijn ouders op zoek naar een beter plekje.
‘Blijf jij maar lekker hier, schat’, zegt mijn moeder terwijl ze haar handdoek in haar mat oprolt. ‘We snappen heus dat je even zonder je ouwelui wil.’
Mijn vader haalt een snorkelset uit de strandtas.
‘Voor jou! Gevonden in de garage van het huisje.’
‘Weet je nog dat je vroeger altijd onder water wilde wonen?’, zegt mijn moeder.
Niet alleen vroeger.
‘Leuk pap, maar ik denk dat hier weinig te zien is.’
‘Het is natuurlijk geen Curaçao, maar prima, dan gaat-ie gewoon weer terug in de tas.’
Mijn ouders verzamelen hun spullen en stichten een nieuwe kolonie op een meter of vijftig achter me.
Eindelijk alleen. Ik durf wat langer om me heen te kijken. Een groep rokende tieners links van me, een jong stel met een kruipend kind. Achter de man met de verbrande rug ligt een vrouw met lang blond haar. Ze leunt op haar ellebogen en staart naar het water. Ik loop met mijn buik ingehouden naar zee. Een kind trekt met een schep een lange streep in het zand. HELP! zie ik mezelf erboven schrijven. Ik voel de schelpen onder mijn voeten, het zeewater om mijn enkels. De zon brandt op mijn oogleden als ik ze dichtknijp.
Hoe moet ik loskomen van mijn ouders als ik nooit geleerd heb hoe? Kom, stel je niet aan, je bent géén slachtoffer. De zee wordt dieper. Ik dein mee met de golfslag, voel de wind tegen mijn schouders. Vanaf de eerste dag dat ik bij Anna introk had ik het idee dat mijn leven eindelijk was begonnen. Dat ik mijn vlot zonder mijn ouders naar open zee had weten te loodsen en dat alles daarna vanzelf zou gaan, een huis, tuin, kind, tot ik ineens door een monstergolf werd teruggeworpen.
Als ik ben opgedroogd en mijn boek pak, staat mijn moeder ineens naast mijn handdoek.
‘Moet je Jacques Cousteau daar zien gaan.’
We kijken naar de witte rug van mijn vader die zich snorkelend tussen de badgasten begeeft.
‘Het is meer lopen dan zwemmen’, zegt mijn moeder.
‘Pap ziet geen steek, toch, zonder zijn gewone bril?’
‘Hij heeft die set niet voor Piet Snot meegenomen, zegt-ie.’
Met de afdruk van de duikbril op zijn gezicht stapt hij terug aan land.
‘Zo’, zegt mijn moeder, ‘wie lust er straks een ijsje?’
Ik leg mijn handdoek weer bij mijn ouders. Mijn moeder wenkt een strandverkoper. De man sleept zich met een koelbox van de ene naar de andere zonaanbidder. Mijn vader wil een cornetto en anders niets.
‘Hello happy people!’, zegt de verkoper als hij op zijn knieën voor ons neerploft in het zand.
Hij blijkt bijna door zijn voorraad heen te zijn. Hij heeft alleen nog blikjes icetea en plutoniumgroene calippo’s.
‘Dan laat maar’, zegt mijn vader, maar mijn moeder bestelt twee calippo’s.
‘Steunen we die arme man een beetje.’
Als ik het gesmolten bodempje in mijn keel giet, knoei ik op mijn zwembroek.
‘Dat moet je meteen even gaan schoonspoelen in zee, lieverd.’
Ik open de koelbox, pak een fles water en boen het vlekje weg.
‘Mam, pap?’
‘Wat is er, jongen Source: Volkskrant