N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Reconstructie In januari 2022 werd op Schiphol een Keniaanse verstekeling gevonden in het landingsgestel van een net geland vliegtuig, onderkoeld en buiten bewustzijn. Wie is hij, en waarom deze wanhoopsdaad? „Volgens mij beweegt hij nog.”
Tekst Hugo Logtenberg Animaties en graphics Pepijn Barnard, Roland Blokhuizen
De verstekeling komt naar Nederland in een wielkast van een Boeing 747-400 F. Het vrachtvliegtuig van ruim 70 meter lang scheert op zondagochtend 23 januari 2022 als een reusachtige roofvogel met wijd uitgeslagen vleugels over de A9 en strijkt dan neer op de Polderbaan van Schiphol. Het gevaarte van 300.000 kilo is acht uur eerder opgestegen in de Keniaanse hoofdstad Nairobi.
In Amsterdam is het koud en bewolkt, maar het zicht is goed en het asfalt droog. Met lichte tegenwind maakt de piloot een feilloze landing, waarna het toestel in zuidelijke richting naar het Sierraplatform taxiet. Daar controleert een medewerker van de luchthaven het toestel van Cargolux Italia, als was het een huurauto die wordt ingeleverd. De afhandelaar loopt onder de kist door en kijkt of hij iets afwijkends ziet. Na de check kan het lossen van de lading, met onder meer bloemen, beginnen.
Bij één van de wielkasten van het toestel stokt de adem van de man: in de donkere ruimte, vier meter boven zich, ziet hij iemand zitten. Doodstil, op een dwarsbalkje en met zijn linkerschouder tegen de buitenwand van het toestel. Het hoofd hangt voorover.
Met trillende handen belt de afhandelaar de meldkamer van de luchthaven.
Marechaussee Sander Homan loopt op Schiphol Plaza als om even voor elf uur de portofoon aan zijn broekriem piept. „Lijkvinding in toestel”, luidt de melding.
Een bericht als dit ontvangt de marechaussee een paar keer per jaar. Met de ruim zestig miljoen mensen die jaarlijks via Schiphol vliegen, is het een gegeven dat er mensen overlijden. De luchthaven heeft een eigen mortuarium. Homan neemt gelijk contact met ze op en belt een schouwarts. Zelf moet de adjudant zo met zijn collega’s in het toestel sporen veiligstellen, mocht het om een onnatuurlijke dood gaan.
Een kilometer verderop heeft ambulancebroeder Björn Schuijt op de medische uitvalsbasis ook bericht gehad van de meldkamer. Met een collega rijdt hij zonder sirenes of zwaailichten naar het Sierraplatform. Daar ontfermt marechaussee Homan zich als eerste over de geschrokken afhandelaar. De man ziet bleek. Hij wijst naar de linkerachterwielen van het vliegtuig. Daar moeten ze zijn.
Op het platform heerst rust. De marechaussees hebben de mensen die niet nodig zijn verzocht op afstand te blijven. Homan weet uit ervaring dat de aanblik van een lijk nog tijden op het netvlies kan branden, zeker bij mensen die er geen ervaring mee hebben.
De verpleger richt zijn zaklantaarn nog eens op de man. Verdomd! Het lichaam trilt.
Ambulancebroeder Schuijt schijnt vanaf de grond met een zaklamp in de donkere ruimte boven hem. Het is een gat ter grootte van een terreinwagen, waar tijdens de vlucht de ingeklapte wielen en het landingsgestel in zijn verborgen. In de bundel licht wordt langs de wanden een constructie zichtbaar van balken. Er lopen allerlei leidingen en kabels doorheen.
Al snel ziet Schuijt de verstekeling zitten, schuin boven zijn hoofd, precies buiten het bereik van de opgetrokken wielen. Schuijt probeert de verstekeling in zijn gezicht te schijnen. Maar waar hij ook gaat staan, het lukt hem niet. De verstekeling heeft een mondkapje op. Verbaasd kijken Schuijt en Homan elkaar aan. Een mondkapje? Tegen de uitlaatgassen? Of tegen het coronavirus? In Nederland zijn twee weken eerder de basisscholen weer opengegaan.
De ambulancebroeder kijkt nog eens omhoog en laat de situatie op zich inwerken. Zijn eerste, intuïtieve inschatting: de man is inderdaad levenloos. Om het zeker te weten, heeft hij zijn hartmonitor nodig. Schuijt vraagt zijn collega van de ambulance om het meetinstrument te gaan halen – en precies op dat moment zegt iemand die achter hem staat: „Volgens mij beweegt hij nog.” Onmogelijk, denkt Schuijt. De verpleger richt zijn zaklantaarn nog eens op de man. Verdomd! Het lichaam trilt.
Er is geen tijd meer te verliezen. „Pak de spullen!” roept Schuijt naar zijn collega. Die weet wat hem te doen staat. Zuurstof, de tas met medicamenten, een infuus met vocht – het is nu secondewerk. In zijn groengele, fluorescerende ambulancepak klimt Schuijt op de één meter hoge wielen. Vandaar klautert hij verder omhoog. Alles wat hij vastpakt, is vet van de olie. De buizen van het landingsgestel zijn spekglad. Met zijn werkschoenen met stalen neuzen probeert hij zich schrap te zetten.
Op het platform onder hem schakelen de marechaussees razendsnel. De forensische opsporing, een schouwarts en het mortuarium zijn niet langer nodig. De brandweer en de traumahelikopter uit Amsterdam des te meer.
Op de brandweerkazerne van de luchthaven is het rustig op zondagochtend. Er is een werkoverleg. De manschappen bekijken foto’s van de nieuwe bluswagen die binnenkort wordt geleverd. Dan komt er via de porto een verzoek binnen: „Hulpverlening in verband met een bekneld persoon”. De zes brandweerlieden spoeden zich naar de gereedstaande wagen. Het Sierraplatform ligt op nog geen twee minuten rijden van de kazerne.
Ambulancebroeder Schuijt heeft inmiddels via het landingsgestel de verstekeling bereikt. Hij trekt zijn medische handschoenen aan en probeert zijn apparatuur op de man aan te sluiten. Dat is nog knap lastig. De man blijkt zichzelf met een dunne, gele elektriciteitskabel te hebben vastgebonden aan de wand van de wielkast. Schuijt voelt dat het lichaam danig is onderkoeld. De man ademt heel oppervlakkig. „Hij moet er nu uit!” roept Schuijt tegen de net gearriveerde brandweerlieden.
Maar hoe krijgen ze hem heelhuids beneden? Hij is letterlijk verstijfd. Ruimte om een brancard horizontaal te laten zakken langs het landingsgestel, is er niet.
Nadat een omhoog geklommen brandweerman de elektriciteitskabel heeft doorgeknipt met een aangereikte tang, pakt hij de verstekeling onder zijn oksels vast en laat hem voorzichtig zakken. De man lijkt wel van porselein: kwetsbaar, vederlicht maar onbuigzaam. Door de intense kou blijven zijn heup- en kniegewrichten tijdens het tillen in een hoek van negentig graden staan. Alsof hij vastgeplakt zit op een onzichtbare stoel.
Halverwege het landingsgestel neemt de volgende brandweerman de verstekeling over. Af en toe horen de hulpverleners hem zacht kreunen. Hij is niet aanspreekbaar. Zijn donkere ogen gaan een enkele keer open, maar zijn blik is glazig. Beneden op het platform pakken hulpverleners de man nog één keer over en leggen hem voorzichtig op zijn rug op een brancard. Zijn benen zijn nog steeds gehoekt.
Schuijt legt in de ambulance een deken over de man heen en praat de net per traumahelikopter gearriveerde medisch specialist snel bij. Om 11.48 uur vertrekken ze met de verstekeling in de warmgestookte ambulance naar het Amsterdam Universitair Medisch Centrum.
Terwijl de sirenes in de verte langzaam uitdoven, praten de achterblijvers op het Sierraplatform met elkaar na over wat ze net hebben meegemaakt. Een van hen zoekt op zijn telefoon naar verstekelingen in vliegtuigen. Als eerste stuit hij op een Keniaan die in 2019 in het Londense Heathrow bij het inzetten van de landing bevroren uit een wielkast viel en in een achtertuin terechtkwam.
Ook Schiphol krijgt er vaker mee te maken. In april 2023 nog, toen een man uit Nigeria de gok waagde. Hij overleefde de vlucht niet, net als de verstekelingen die in 2014, 2015 en in 2021 bij aankomst op de Amsterdamse luchthaven werden ontdekt.
Door het lage zuurstofgehalte en temperaturen van min 40 tot min 50 is het zeer ongebruikelijk dat verstekelingen een vlucht overleven. Uit cijfers van de Amerikaanse arts Stephen Veronneau, die sinds halverwege jaren negentig de internationale data over verstekelingen in vliegtuigen bijhoudt, blijkt dat het in de ruim 140 gevallen vrijwel altijd om jongens of mannen gaat. Zo’n 80 procent overleeft de tocht niet. Hoe langer de vlucht, hoe kleiner de kans. „Het is een ongelofelijk gevaarlijke onderneming”, zegt Paulo Alves, collega van Veronneau bij de Aerospace Medical Association. „Mensen vriezen vaak dood, krijgen door zuurstofgebrek een hartstilstand of lopen fatale hersenschade op.”
Hoe kan het dat de man die nu is gevonden op Schiphol na een vlucht uit Kenia nog leeft? Wat maakte hem zo desperaat dat hij deze optie koos? Wist hij hoe hij buiten het bereik van het ingeklapte landingsgestel moest blijven? En waar was dat gele elektriciteitskabeltje voor?
Aan de muur van de spoedeisende hulp van het universitair ziekenhuis hangt een rode telefoon. Een bijzonder toestel waarmee ze altijd bereikbaar zijn voor de Meldkamer Amsterdam. Het heeft twee hoorns, zodat naast de coördinerend verpleegkundige ook de arts van dienst kan meeluisteren. „Zet het traumateam maar klaar”, laat de meldkamer weten op zondag 23 janu Source: NRC