Nee, hij weet niet meer wat hij vannacht gedroomd heeft. En nu hij er over nadenkt: ook van de afgelopen weken kan hij zich amper een droom herinneren. Paul Klemann (63) wijt het aan de hectische periode die hij achter de rug heeft. De kunstenaar was zo druk in de weer met zijn exposities, dat hij amper nog acht sloeg op zijn dromen.
Voor Klemann is dat waarschijnlijk uitzonderlijker dan voor u of mij. Zijn oeuvre is gebouwd op dromen. Al dertig jaar maakt hij dagelijks potloodtekeningen van wat zijn geest ’s nachts fabriceert, duizenden en nog eens duizenden in totaal. Sommige ervan dienden ook als ruw materiaal voor de grote schilderijen die Klemann sinds enkele jaren vervaardigt.
Over de auteur
Stefan Kuiper (1979) is kunsthistoricus en journalist. Hij schrijft sinds 2013 voor de Volkskrant.
Het Centraal Museum in Utrecht wijdt er nu een bescheiden, maar bijzonder aantrekkelijke presentatie aan. Ik droom nog steeds van Utrecht, zoals de expositie heet, is verbonden aan de Utrechtse Boellaardprijs die Klemann in 2020 won. Het geschilderde werk vormt hier de hoofdmoot. Veertien van de veertig schilderijen die Klemann maakte, hangen er. Deze doeken zijn bont en absurd zoals Klemanns tekeningen dat kunnen zijn, al ervaar je die kwaliteiten nu veel intenser. Ze verhouden zich tot de tekeningen zoals theater tot poppenkast.
De vrijheid die dromen bieden, wordt in deze schilderijen ten volle benut. De beperkingen van het fysieke lichaam lijken er bijvoorbeeld opgeheven. We kunnen er zweven als een havik, en beschikken ook over het zicht van zulke vogels. We zijn er op verschillende plekken en in meerdere tijden tegelijk. Wat we zien is ongerijmd, zoals dat gaat in dromen: de afgebeelde beesten, planten, meubels en gebouwen zijn van zichzelf niet per se vreemd, niet altijd in elk geval, maar hun schaal, gedrag en onderlinge verhoudingen zijn dat vaak wel. Reusachtige Panter-sigaren decoreren de rotonde van een drukke stad. Een bed groeit uit de muur van een huis. Een leeuw likt aan een blauwe steen. De penis van een man is verbonden met de slurf van een olifant. Het is vreemd, beklemmend vreemd soms, al wordt de beklemming enigszins gerelativeerd door de vrolijke kleuren. Echt angstaanjagend wordt het nergens.
Het Centraal Museum is de aangewezen plek om deze werken te tonen. Klemann is Utrecht, zoals de Domtoren of de diepliggende grachten dat zijn. Zijn werk past naadloos in de surrealistische kunsttraditie (Joop Moesman, Pyke Koch) van de stad. Hijzelf is er geboren en getogen. Utrecht figureert daardoor regelmatig in Klemanns werk, zoals op het schilderij De Utrechtse Domtoren wil vastgroeien aan de Domkerk (2019), een publiekslieveling. Onze ontmoeting vindt er eveneens plaats. In de tuin van het Centraal Museum. Op een drukkende zomermiddag. Gezeten aan een tafeltje tussen een afstudeerborrel en een kinderfeestje nipt Klemann van zijn cola. Eerder vandaag zette hij de puntjes op de i van de inrichting van een tentoonstelling met outsider art in de verderop gelegen Nicolaïkerk – nóg een project waarbij hij betrokken was. De kunstenaar wrijft in zijn ogen. Hij is toe aan vakantie, zegt hij.
‘Als twintiger was ik heel gepassioneerd, maar mijn ideeën waren zo megalomaan dat ik er geen structuur in kreeg. Op de St. Joost in Den Bosch voelde ik me daardoor onbegrepen, en raakte ik voortdurend in conflict met de docenten. Nadat ik van twee kunstacademies was getrapt, dacht ik: het is goed zo, zak er maar in. Ik heb een uitkering aangevraagd en werd kraakwacht in Utrecht. Ik lag in die tijd veel in mijn nest, en op een bepaald moment begon ik mijn dromen op te schrijven. Wat ik leuk vind aan dromen, is dat ze zowel vrij als veilig zijn. Neem zoiets stoms als seks. Als je daarover schrijft, wordt het al snel genant. Maar bij het opschrijven van een seksdroom maakt het niet uit hoe geil of bizar het is: het is immers maar een droom. Dromen worden zo een vrije zone. Als je jong bent, is dat bevrijdend.’
‘Ik vond tekenen altijd heel moeilijk. Ik had zó dat gedoe van Rembrandt in m’n kop dat ik er voor terugschrok. Maar op een dag stuitte ik op een mapje met tekeningen van Clemente, Cucchi en Chia: de Italiaanse transavantgarde (Cucchi was lid van de Transavanguardiabeweging, die zich afzette tegen de arte povera uit de jaren zeventig en het accent legde op figuratie, fantasie en mysterie, red.). Schitterend werk. Ik zat daarin te bladeren en dacht: fuck, ik heb de lat altijd te hoog gelegd, dít kan ik ook! Toen ik in 1993 voor de Prix de Rome werd genomineerd, heb ik drie maanden als een bezetene mijn dromen getekend. Ik maakte toen wel vier tekeningen op een dag.’
‘Het irrationele, denk ik. In mijn werk zoek ik een hoge mate van magie. Daar ontbrak het aan in mijn vroegere kunst. Ik kon het altijd volledig verklaren, iets dat bij dromen onmogelijk is.’
De dromen, vertelt Klemann, brachten tevens de langgezochte structuur: ‘Ik ben van nature een twijfelaar. Stuur me naar de Perry voor gympen, en ik kom terug met lege handen. Bij droomtekeningen hoefde ik me de wat-gaan-we-vandaag-nu-weer-eens-verzinnen-vraag niet meer te stellen. Elke ochtend kreeg ik m’n onderwerp op een presenteerblaadje.’
‘Nou, ik heb wel dromen gehad die zo agressief of ranzig waren dat ik dacht: dit ga ik niet tekenen hoor. Dat waren vaak dromen waarin ik iemands kop tot moes sloeg, of waarin ik heel vreemde seks had. Ik dacht: als ik dit ga tekenen, dan vinden ze me wel een héle rare. Maar ik nam me al vroeg voor: geen censuur, en daar hield ik me ook aan. Als ik een heftige droom tekende, dacht ik: ik kan het altijd in een la stoppen. Nu ben ik daar blij mee.’
‘Ik heb natuurlijk ook de luxe dat ik me de hele dag met dat soort dingen bezig kan houden. Verhalen, schilderijen en spectaculaire locaties die ik tijdens mijn reizen heb bezocht, zijn een belangrijk deel van mijn leven, en komen dus vaak terug in mijn dromen.’
‘Soms heb ik in de nacht al schetsjes gemaakt. Dan maak ik snel een vierkantje, en daar klodder ik dan zo’n gek beest in. Tijdens het koffie drinken weet ik meestal wel: dat beeld wil ik tekenen. Regelmatig moet ik daarvoor op onderzoek uit. Bij die ombuigende Domtoren bijvoorbeeld. Toen ik daar een snelle schets voor maakte dacht ik: al die gotische rommel, dit wordt veel te ingewikkeld... Maar ik ben uiteindelijk toch naar de Dom gefietst om schetsen en foto’s van de details te maken Bij dat werk volstond één specifiek moment uit de droom. In andere werken heb ik aanvullende elementen toegevoegd. Als ik bijvoorbeeld droom over een als vrouw verklede rat en even later over een gek doosje, dan teken ik dat doosje erbij. Ik teken het in de vrijgebleven ruimte, waardoor de absurditeit van het beeld wordt verhoogd. Maar het moet wel uit dezelfde droom komen. Ik verzin er niet zomaar wat bij.’'
‘Een schilderij, daar kun je niet omheen, hè. Je wordt echt die droom ingetrokken. Bij die tekeningen had ik altijd het gevoel van… nou ja, het blijven tekeningen… Ik denk bij elke tekening nu ook: ik zou er een schilderij van moeten maken.’
‘Ik ben een tijd erg ziek geweest. Ik had gaasverband in m’n kop zitten – erín, ja. Bij de behandeling van een voorhoofdsholteontsteking waren ze vergeten het te verwijderen. Omdat je het op de röntgenfoto’s niet zag, dachten ze dat het ging om een gewone ontsteking. Zes maanden heb ik aan de antibiotica gezeten. Aan het eind was ik een wandelend lijk. Ik dacht: ik ga hier godverdomme gewoon dood. Een gedachte die me tijdens die periode obsedeerde was: je hebt die schilderijen niet gemaakt. Ik flipte daar echt van. Toen ik uiteindelijk was hersteld, was het nu of nooit. Ik heb de schilderswinkel gebeld en een vrachtwagen met doeken laten komen. Geen lullige doekjes van vijftig bij zestig. Grote doeken.’
‘Schilderen is fysiek veel zwaarder. Je staat de hele dag rechtop in een koud atelier tussen de chemicaliën: ’s avonds ben je echt kapot. Omdat je heel lang werkt aan een ding, vergt het ook veel meer discipline. En het materiaal is stugger, waardoor je verder vooruit moet denken.
‘Bij de eerste schilderijen zat ik aan het eind van de dag tot m’n nek onder de verf. Nu verlaat ik het atelier met schone handen. Gaandeweg leer je wat de verf doet. Ik heb er ook veel over gepraat met andere schilders. Philip Akkerman raadde me bijvoorbeeld aan om met lijnolie te gaan werken. Je kunt daarmee mooie transparante lagen aanbrengen. Daarvoor zat ik als een soort Van Gogh uit de tube te smeren. Hopeloos, want met dat gesmeer kom je nooit tot mooie details. Met lijnolie erbij wel. Daarmee kun je echt gaan tekenen met verf.’
‘Tja, ik ben inderdaad geen Monet die de schitteringen op het water gaat zitten vangen. Ik ben een tekenachtige schilder. Mijn schilderijen zijn in de eerste plaats verhalend. Ik wil simpelweg vertellen wat ik gedroomd heb. Tegelijk merk ik dat ik met die verf steeds meer kan bereiken. Toen ik een eerdere versie van het schilderij met de Nijlcruise af had, kwam een vriendin met haar kind op bezoek. Dat kind zat er een tijdje naar te kijken en zei toen: wat doen die bananen daar?, doelend op de knalgele lichtstralen uit de koplampen van de boot. Ik dacht: shit, het is natuurlijk niet de bedoeling dat je daar bananen in ziet. Ik heb toen dunne lagen blauw aangebracht, wat geweldig werkte. Zo leer ik elke dag nieuwe dingen.’
Paul Klemann, Ik droom nog steeds van Utrecht, Centraal Museum, t/m 20 augustus
De Keuze van Paul Klemann, Nicolaïkerk, Utrecht, t/m 10 september
De keuze van Paul K Source: Volkskrant