Home

Door de opkomst van AI maakt een geliefd filmgenre een comeback: de paranoiathriller

Er was een tijd dat het filmkwaad een Perzische kat op schoot had. Ernst Stavro Blofeld, uit de James Bond-boeken en -films, die al bedachtzaam aaiend zijn sinistere plannen ontvouwde. Doel: wereldheerschappij. Middel: meestal een massavernietigingswapen. Bedreigend zeker, maar ook wel weer geruststellend in het retro-idioom van het James Bond-universum. Knip het juiste draadje door en de rode knop werkt niet meer of de klok komt tot stilstand.

Heel wat anders dan de recente tegenstander van Ethan Hunt (Tom Cruise) in Mission: Impossible – Dead Reckoning Part One, een op hol geslagen computerprogramma met een eigen wil, die voor het gemak ‘the entity’ wordt genoemd. Deze entiteit is ‘overal en nergens... zonder God, zonder land, zonder moraal’. Ze manipuleert informatie, zodat ‘het hele begrip waarheid wordt bedreigd’. Of, zoals de door Vanessa Kirby gespeelde wapenhandelaar handenwrijvend zegt: ‘De wereld verandert. De waarheid is aan het verdwijnen – de oorlog arriveert.’

Over de auteur
Mark Moorman is kunstredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over series, fotografie en populaire cultuur.

Allereerst complimenten dat Cruise met zijn blockbuster precies op het moment komt dat de wereld, inclusief de acteursvakbond, zich druk maakt over de razendsnelle opmars van artificiële intelligentie (AI), programma’s met een zelflerend vermogen, dat maar al te makkelijk met ‘een eigen wil’ kan worden verward.

Dat de plotgaten groot genoeg waren voor ‘de Oriënt Express om doorheen te rijden’ (aldus The Guardian) mocht de apocalyptische pret van de film niet drukken. Waarom was er een ingewikkelde huissleutel in twee delen nodig om de ‘broncode’ (hierbij instemmend knikken) in handen te krijgen? En waarom bevond die zich aan boord van een gezonken Russische onderzeeër, kilometers onder het poolijs? Zomer 2024, mensen, waarin Part Two alle antwoorden geeft.

Mission: Impossible 7 behoort tot de nieuwe generatie films en series die de paranoiathriller heeft doen herleven. Het thema is nog altijd de ongrijpbaarheid van de waarheid, maar steeds vaker is het kwaad een algoritme, artificiële intelligentie, of in onze broekzak de eigen smartphone met dat glimmende alziende oog. Het gevoel dat we in de gaten worden gehouden en gemanipuleerd, is bepaald niet minder geworden. Big tech (zonder God, land of moraal) heeft de wereldheerschappij al lang binnengesleept.

Het genre (ook wel samenzweringsthriller) is nooit helemaal weggeweest sinds de hoogtijdagen in de jaren zeventig met Amerikaanse meesterwerken als Francis Ford Coppola’s The Conversation (1974), Alan J. Pakula’s The Parallax View (1974) en All the President’s Men (1976), en Sydney Pollacks Three Days of the Condor (1975), waarin op verschillende manieren werd gereageerd op de politieke moorden in de jaren zestig, de Vietnamoorlog en het Watergateschandaal.

Ook een film noir als Roman Polanski’s Chinatown (1974) sloot aan bij een algehele atmosfeer van een corrupt gezag dat zijn eigen regels schrijft, verborgen achter quasidemocratische instituties. Schimmige organisaties ondermijnden de Amerikaanse samenleving en probeerden vanuit de schaduwen de waarheid met geweld te manipuleren. De filmhelden mochten paranoïde worden genoemd door hun opponenten, zonder uitzondering waren ze de waarheid op het spoor. Niet zelden kwamen ze niet meer uit het labyrint, of met de overtuiging dat gerechtigheid en een happy end altijd buiten bereik blijft. Forget it, Jake. It’s Chinatown.

Het is niet gek om deze gouden periode van de paranoiafilm te laten beginnen bij het 8mm-amateurfilmpje van Abraham Zapruder, in het dagelijks leven een kleermaker, die op 22 november 1963 het bezoek van president Kennedy en zijn vrouw aan Dallas wilde vastleggen. Terwijl zijn camera 26 seconden, 486 filmframes lang, meebeweegt met de limousine van de Kennedy’s over Dealey Plaza, legt hij ook de moord op de 35ste president vast. Frame voor frame lijkt ‘het meest bestudeerde filmstrookje uit de geschiedenis’, zoals het ook wordt aangeduid, te leiden naar de officiële versie van de gebeurtenissen. Die staat ook wel bekend als de lone gunman theory (‘theorie van de eenzame schutter’), waarin Lee Harvey Oswald vanuit een schoolboekenopslag langs de route de fatale schoten loste.

Maar de Zapruderfilm was ook het startpunt voor talloze alternatieve theorieën over de moord. In de eindeloos grofkorrelige uitvergroting van de beelden bleken meerdere versies van de waarheid schuil te gaan, die naar meer daders en daarachter naar talloze duistere belangen in de coulissen leken te leiden, van de georganiseerde misdaad naar Cubaanse terroristen. Sommige frames van de film, nummer 313 voorop, waarop we het hoofd van de president naar achteren zien schieten, hebben een heus parallel universum aan theorieën doen ontstaan. Want was dit ene beeld, dat lang bij het publiek werd weggehouden (daar heb je het al) omdat Zapruder het ‘te gruwelijk’ vond, niet het bewijs dat minstens een van de kogels uit een andere richting kwam?

Hoe langer de beelden van Zapruder en anderen werden geanalyseerd, hoe meer vragen er leken los te komen, waarbij de krankzinnigste theorieën de ronde deden. Neem the umbrella man (‘de parapluman’). Wat deed die in het zwart geklede man met een uitgeklapte paraplu langs de route op die zonovergoten dag? Aan de paranoiakant van de theorievorming was de parapluman op zijn minst een man die met zijn paraplu ‘een signaal’ had gegeven. Maar het was wellicht ook de mythische tweede schutter die het fatale shot uit frame 313 had gelost, waarbij het wapen op een of andere manier in de plu was verwerkt.

Josiah Thompson, een universitair docent die privédetective werd, schreef in 1967 het boek Six Seconds in Dallas, waarin hij uitkomt op zeker twee schutters en dus op een samenzwering. Ook hier spelen de onbeantwoorde vragen een rol over de parapluman, die zo sinister opduikt in de achtergrond van de Zapruder-beelden. De Amerikaanse schrijver en criticus John Updike besprak het boek van Thompson in The New Yorker en hij vergeleek het eindeloze onderzoek naar de Kennedymoord met deeltjesonderzoek (in 1967): hoe dieper we gaan, hoe meer raadsels we tegenkomen. Een route die nooit naar ‘de waarheid’ zal leiden, maar steeds dieper en dieper gaat, in wat we tegenwoordig een rabbit hole noemen.

Het zou het model worden voor vele andere tragedies, van politieke moordaanslagen, massaschietpartijen, tot aan 9/11 toe. Er is de officiële versie en er is een uitdijend universum van alternatieve theorieën, al lang niet meer alleen gedreven door waarheidsvinding, maar ook doordat een andere lezing bepaalde partijen beter uitkomt.

Die ongrijpbaarheid van de waarheid, die zich altijd net om de volgende hoek in het labyrint ophoudt, zou het thema worden van een aantal klassieke films in de jaren zestig en zeventig, toen het wantrouwen tegen de overheid en eigenlijk tegen elke officiële lezing tot het kookpunt steeg. Wellicht heeft Blow-Up (1966) van de Italiaan Michelangelo Antonioni nog het meest invloed gehad op de vorm van dit genre.

Blow-Up schetst een onvergetelijk beeld van Swinging London door de ogen van een beroemde modefotograaf (een rol van David Hemmings). Op een dag maakt hij in een Londens stadspark een foto van een zoenend stelletje. De vrouw eist vernietiging van het fotorolletje, waarmee de belangstelling van de fotograaf alleen maar groter wordt. In het hart van de film zit de inmiddels klassieke scène waarin hij de foto eindeloos afdrukt en uitvergroot, om te constateren dat hij wellicht getuige was van een moord. Maar ook hier schiet de fotografie tekort om greep op de werkelijkheid te krijgen, die in het psychedelische Londen van Antonioni hoe dan ook ver te zoeken is.

De ultieme paranoiafilm uit de jaren zeventig is The Conversation, het meesterwerk van Francis Ford Coppola, dat hij onwaarschijnlijk genoeg in een pauze tussen The Godfather en The Godfather Part II draaide. Gene Hackman speelt Harry Caul, een afluisterspecialist die eindeloos heen en weer spoelend op zijn geluidsbanden een samenzwering meent te ontdekken. De film kwam uit in 1974, het jaar dat president Nixon aftrad vanwege het Watergateschandaal, waarin (verdwenen) geluidsopnamen een cruciale rol speelden. De samenzwering vreet Harry zelf op, als hij uiteindelijk vermoedt dat ook hij wordt afgeluisterd. In een onvergetelijke scène sloopt hij zijn eigen appartement op zoek naar microfoons en in die eenzame puinhoop van zijn leven laten we hem achter, een filmslot waar ze in de jaren zeventig niet voor terugschrokken.

Ook in de nieuwe generatie paranoiafilms en -series speelt techniek een belangrijke rol, met een verschuiving van analoog naar digitaal, van bandopnamen naar algoritmen. Black Mirror, de dystopische serie van Charlie Brooker (Netflix), die ons altijd subtiel op onze eigen rol in de naderende ondergang wijst, had in zijn nieuwste seizoen ook een aflevering die perfect past binnen het tijdperk van de nieuwe paranoia. Een aflevering waarin we ons zorgen mogen maken over onze privacy en misschien minder over een corrupte overheid die een ideologisch gedreven samenzwering aan het smeden is.

In Joan Is Awful, de eerste aflevering van het zesde seizoen, komt techbaas Joan (Annie Murphy) thuis na een zware dag op kantoor om erachter te komen dat ze het onderwerp is van een dramaserie op haar favoriete streamingdienst Streamberry (met een op Netflix li Source: Volkskrant

Previous

Next