N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
MIdden-Oosten Israël dreigt te worden verscheurd door interne conflicten. Twee boeken over een verdeelde natie, die worstelt met een beladen verleden en haar democratische toekomst, laten dat zien.
Zijn er nog ‘mythen’ over Israël te ontkrachten? Van het stereotype kleine, bedreigde landje, ook in Nederland in de jaren zestig diep bewonderd, is al jaren weinig meer over. Repressie van de Palestijnen, oorlogen in Libanon en Gaza, voortgaande kolonisatie en de radicalisering van de Israëlische politiek zijn daar debet aan. Die laatste bereikte deze week een nieuwe, dramatische climax toen de Knesset ondanks massale protesten het Hooggerechtshof kortwiekte, op voorstel van de agressief-extremistische regeringscoalitie; een aanslag op de democratische tegenmacht in een land dat van oudsher geen grondwet en Senaat kent.
Voor progressieve en seculiere Israëli’s is dit een volgende, onheilspellende stap in de verwording van hun land tot een religieuze autocratie. Die heeft ook een demografische achtergrond: de opkomst van nieuwe, militante generaties orthodoxen, die Israël niet erkennen als natie maar alleen als land, Eretz Israël.
Anti-zionisten zullen er op hun beurt het sluitstuk in zien van een kolonisatie-project dat van meet af aan was gericht op verdringing, uitsluiting van anderen en de vestiging van een etno-staat.
In historiografische zin is die ontnuchtering over Israël, met wisselende nuances, het werk van de school van Israëlische ‘nieuwe historici’ die vanaf de jaren negentig furore maakte: Benny Morris, Tom Segev, Avi Shlaim, Ilan Pappe en, al eerder, Zeev Sternhell. Mede op basis van vrijgegeven Israëlische documenten betoogden die dat het zionisme mikte op gestage annexatie van het hele land; dat Israël in de oorlogen van 1967 en 1973 niet de underdog was die het de wereld graag presenteerde, dat het Palestijnse vluchtelingenprobleem niet – of niet uitsluitend – het gevolg was van oorlogshandelingen, maar ook van etnische zuivering (de ‘Nakba’). Ze legden de vinger op het grote dilemma van de natie: kan die Joods zijn, een toevluchtsoord voor alle Joden ter wereld, én democratisch, dus met gelijke rechten voor ook Arabische en andere niet-Joodse inwoners.
Al is het beeld van Israël nu gekanteld, Erik Ader (1944), oud-diplomaat en geëngageerd met de Palestijnse zaak, meent dat nog eens een ronde afrekenen met ‘mythes’ nodig is. Dat doet hij in Kinderen van Amalek. Mythes en feiten rond het Israëlisch-Palestijns conflict, waarbij hij leunt op de nieuwe historici en andere geschreven bronnen. Dus lezen we nog eens dat Israël niet alleen maar uit was op vrede en de Palestijnen (de kinderen van ‘Amalek’, de bijbelse aartsvijand van de Joden) dat keer op keer afsloegen, dat de oorlog van 1967 er niet een was van zelfverdediging, dat de tegenstelling tussen ‘legitiem’ Israëlisch geweld en Palestijns ‘terrorisme’ een valse is.
De opzet van zijn boek lijkt sterk op die van Ten Myths about Israel (2017) van Ilan Pappe (van wie hij twee andere titels in zijn literatuurlijst vermeldt). Pappe is een uitgesproken anti-zionist, die het onder meer met zijn collega-historicus Morris flink aan de stok kreeg. Pappe staat ook hier in de belangstelling; onlangs verscheen De Nakba, een vertaling van zijn The Ethnic Cleansing of Palestine uit 2006. Voegt Ader daar ook iets aan toe? Hij bespreekt deels dezelfde mythes als Pappe (onder meer: ‘Israël is de enige democratie in het Midden-Oosten’), maar behandelt er zes meer en doet dat soms uitgebreider. Het gemankeerde vredesproces na 1990 krijgt een gedetailleerde behandeling, waarin Aders diplomatieke ervaring doorklinkt.
Maar er klinkt ook vooral morele verontwaardiging door in zijn myth busting. De crisis rond het Hooggerechtshof zal hem niet verbazen: de Israëlische samenleving is allang ‘vergiftigd’ door het ‘racistische, haatdragende gedachtegoed’ van ultra-orthodoxe rabbijnen. Die verontwaardiging kleurt zijn bijvoeglijk naamwoorden (het ‘brute’, ‘disproportionele’ en ‘straffeloze’ optreden van Israël), de massale Nederlandse sympathie voor Israël tijdens de Zesdaagse Oorlog heet een ‘psychose’. In de beschrijving van het bloedbad in het dorp Lydda (1948) schakelt hij (waarom?) over op Duits: honderden Arabische dorpelingen werden ‘in een Blitz door de zionisten kaltgestellt.’ Plegers van Palestijnse zelfmoordaanslagen zijn op hu beurt desperaat en ‘tot het uiterste getergd’. Wel noemt Ader het ‘inderhaast’ opgestelde handvest van Hamas ‘racistisch en antisemitisch’, maar dat is aangepast; de radicale taal die Hamas nu nog hanteert (een vrij Palestina van rivier tot aan de zee ) verhult volgens hem ‘concessiebereidheid’.
Ader maakt dus allesbehalve een geheim van zijn parti pris en engagement: dit is een verontwaardigd en polemisch boek, dat de lezer wil overtuigen. Dat noopt wel tot behoedzaam lezen – ook van wat er niet staat. Ontmythologiseren van historische conflicten kan ook weer leiden tot eenzijdigheden of zelfs nieuwe mythes. Zo laat Ader, die zich concentreert op de staat Israël na 1948, veel weg van de lange aanloop van het conflict. Met de ‘meest fundamentele’ mythe, die van Palestina als een ‘land zonder volk’, de enige van vóór 1948 die hij behandelt, is hij al in een halve pagina klaar.
Nee, natuurlijk was Palestina, een administratief district van het Ottomaanse Rijk, niet ‘leeg’. Maar er was wel iets meer over te zeggen geweest, alleen al in vergelijkende zin. De mythe van een ‘leeg’ of ‘onproductief’ land diende ook – het had zijn punt versterkt – als legitimatie van kolonisatie in Noord-Amerika en zuidelijk Afrika. Anderzijds, over de mate van ontwikkeling, welvaart en de vorming van een nationale identiteit onder een Palestijnse elite, die Ader in een paar zinnen samenvat, lopen de interpretaties ook onder de nieuwe historici uiteen.
In plaats daarvan springt het boek van het ‘lege’ land naar het verdelingsplan van de VN in 1947 en de stichting van de staat Israël. Wie wil weten wat in de tussenliggende periode gebeurde, moet zich behelpen met een jaartallenlijst en korte verwijzingen in de verdere tekst.
Jammer genoeg mist de lezer zo veel van het dubbelspel van de Britten, die na de Eerste Wereldoorlog en de nederlaag van de Ottomanen het mandaat over Palestina kregen. Zij hadden niet alleen de zionisten een ‘tehuis’ beloofd (in de hoop dat de ‘machtige’ Joden – ook Engeland was antisemitisme niet vreemd – Rusland aan hun zijde zouden houden in de oorlog), maar hadden tegelijk de Arabieren (in opstand tegen de Turken) soevereiniteit voorgespiegeld én het gebied alvast met Frankrijk in invloedssferen verdeeld én voelsprieten uitgestoken naar Istanbul om separaat over vrede te praten.
Die chaotische periode is cruciaal voor een begrip van de rivaliserende aanspraken op het land, de latere democratische weeffouten bij de stichting van de staat Israël én van Europa’s verantwoordelijkheid voor de geschiedenis. De leus ‘een land zonder volk voor een volk zonder land’ had medio negentiende eeuw vooral een christelijke klank. Bij monde van de Britse staatsman Lord Shaftesbury bijvoorbeeld, die het vertrek van Joden naar Palestina van harte zou toejuichen, dit ‘stijfkoppige volk met een donker hart, weggezakt in morele verloedering’.
Britse imperiale belangen, humanitaire overwegingen en christelijk filosemitisme (al te vaak gespiegeld antisemitisme) raakten zo al vroeg verstrengeld met zionistische ambities. De stem van de Palestijnse Arabieren, toen Ottomaans-Turkse onderdanen, deed er intussen niet toe, zomin als die van andere inheemsen.
Met de roemruchte Balfour Verklaring, die Ader natuurlijk wel vermeldt, committeerde Londen zich in 1917 aan ‘een Joods tehuis in Palestina’. Een cruciale doorbraak voor het zionisme van Theodor Herzl, dat na een golf van pogroms in tsaristisch Rusland en Jodenhaat in Frankrijk (de Dreyfuss-affaire) uitgroeide tot een nationalistische (en seculiere) beweging. Een van de vele die zich roerden in delen van Europa, waar de Oostenrijk-Hongaarse, Russische en Ottomaanse imperia aan het afbrokkelen waren.
Zonder die steun van een Europese grootmacht zou Herzls zionisme waarschijnlijk niet zijn geslaagd – een van de redenen waarom het niet alleen in polemieken maar ook in academische literatuur wordt geduid als een koloniaal project, een voorbeeld van settler colonialism waarbij kolonisten een geminachte inheemse bevolking wegdrukken en overheersen of marginaliseren.
Die koloniaal-racistische interpretatie maakt de morele beoordeling van de huidige natie wel zo overzichtelijk. Maar in historische zin raakt die op zijn minst gecompliceerd door het altijd sluimerende en vaak openlijke antisemitisme van diezelfde Europese grootmachten. Het zionistische vestigingskolonialisme was geen demografische voorhoede van een moederland dat uit is op exploitatie van een territorium overzee. Generaties Joodse settlers waren eerder ‘slachtoffers van Europa’, schrijft Ari Shavit in Mijn beloofde land. De triomf en tragedie van Israël (2017). Europese naties waren hen liever kwijt dan rijk. En als een Joodse staat (ook Oeganda en Argentinië genoemd) strookte met Europese geopolitieke belangen kwam dat uiteraard mooi uit.
Het zionisme speelde bewust in op die Europese ambivalenties. In Der Judenstaat (1896) speculeerde Herzl al over de brugfunctie die zijn ‘neutrale’ staat, eenmaal verkregen van ‘Zijne Majesteit de Sultan’, kon vervullen tussen Eu Source: NRC