Home

Hoyte van Hoytema is niet de enige Nederlandse cameraman met succes in Hollywood. Waar zit ’m dat in?

Het zal de Nederlandse filmacademie nog wel even achtervolgen: dat ze de cameraman van Christopher Nolan hebben afgewezen voor het cameraklasje. Tweemaal zelfs. Toch een beetje als de platenmaatschappij Decca, waar men op een auditiedag koos voor Brian Poole & The Tremeloes, en niet voor The Beatles.

Verzachtende omstandigheid: Hoyte van Hoytema was nog jong, een jaar of 19, vers uit Dinteloord. En gelukkig opende de gerenommeerde Poolse filmacademie in Lódz wel haar poorten. Van Hoytema werd door zijn moeder op de trein van Hengelo naar Moskou gezet, uitstappen bij Warschau. Om het na een spoedcursus Pools dan maar daar te proberen; het land van zijn opa Dolek, die als Pools-Joodse soldaat de geallieerden had geholpen Nederland te bevrijden.


Bor Beekman is sinds 2008 filmredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft recensies, interviews en langere verhalen over de filmwereld.

Cameraman Mick van Rossum (King of the Road, Dirty Lines) is behalve de huidige voorzitter van de Netherlands Society of Cinematographers (NSC) ook studieleider van de cameraklas van de Nederlandse academie. ‘Voor de acht plekken die we hebben komen jaarlijks nu zo’n 110 aanvragen binnen. Zeker de helft ervan noemt Hoyte als voorbeeld. Er zit ook wat romantiek aan vast: ze denken dat je zo doorrolt naar Hollywood.’

Hoewel hij nooit een Nederlandse film draaide, is Van Hoytema wel lid van de Nederlandse vakvereniging; op de titelrol van zijn Amerikaanse films wordt NSC altijd keurig vermeld achter zijn naam. Van Rossum: ‘Goh, zei ik eens tegen hem. In hetzelfde jaar dat jij werd afgewezen, werd ik toegelaten. Ik geef nu les op de academie, jíj draait James Bond.’

Na het behalen van zijn diploma in Polen en een stage bij de Nederlandse cameralegende Robby Müller (Paris, Texas, Dead Man), kwam Van Hoytema nog steeds niet aan de bak in de Nederlandse filmwereld. Clapperloader bij All Stars was hij wel nog; bordjesklapper (degene die de takes bijhoudt) op de set van Jean van de Velde’s voetbalvriendenkomedie uit 1997. De Scandinavische route bood uitkomst: via een Noorse lowbudgetfilm en later ook tv-series en films in Zweden, het land van zijn vriendin. Met Tomas Alfredsons coming-of-agevampier-hit Let the Right One In (Låt den rätte komma in) zag Van Hoytema plots alle ogen op zich gericht; wie was de cameraman met die fluwelen, innovatieve cameravoering? Hij was zéker niet van plan zich in Los Angeles te vestigen, en voelde zich eigenlijk toch het meest thuis bij die wat meer artistieke Europese cinema, stelde Van Hoytema toen de Volkskrant hem opzocht in Zweden. ‘Stockholm is een uitstekende uitvalsbasis.’

Dat bleek niet houdbaar. Na zijn eerste Engelstalige films, The Fighter en Tinker Tailor Soldier Spy, verhuisde Van Hoytema met zijn gezin naar Californië. Spike Jonze vroeg hem voor de moderne artificial intelligence-klassieker Her, daarna wachtte het 007-avontuur Spectre met Sam Mendes. En de alliantie met Christopher Nolan, de regisseur die een torenhoog budget wél combineert met creatieve vrijheid, als uitzondering op de Hollywood-regel. Van Hoytema nam de enorme Imax-camera’s gewoon op de schouder voor hun eerste sciencefiction-samenwerking Interstellar. Hij draaide vervolgens ook Nolans oorlogsspektakel Dunkirk (Oscarnominatie voor beste camera), diens tijdreisthriller Tenet en recent de atoombiografie Oppenheimer.

‘Voor mij was Amerika nooit een droom’, zei Van Hoytema een paar jaar geleden nog tegen de Volkskrant, videobellend vanuit zijn huis in Los Angeles tijdens het staartje van de pandemie. ‘Het was noodzaak: werk. Als je in Zweden met een interessante regisseur werkt, moet je daarna vijf jaar wachten tot hij of zij genoeg geld bijeen heeft geschraapt voor een volgend project. In Hollywood is er gewoon zo veel meer te doen.’

John van den Broek moet de eerste zijn geweest. De in 1895 geboren Rotterdammer draaide zo’n twintig films voor de vanuit New York werkzame Franse cineast Maurice Tourneur. Hoog aangeschreven zwijgende films, ook met de toenmalige ster Mary Pickford, waarvan een behoorlijk deel is zoekgeraakt. De Nederlandse cameraman overleed in 1918 op 23-jarige leeftijd aan de kust van Maine, toen een golf hem tijdens het filmen van een klif spoelde; Van den Broeks lichaam werd nooit teruggevonden.

Pas in de jaren tachtig waagden meer Nederlandse cameramannen de oversteek. ‘O absolutely’, antwoordt Jan de Bont (79), op de vraag of Nederlandse directors of photography het – verhoudingsgewijs – goed doen en deden, daar in Hollywood. ‘Neem Theo van de Sande (de Nederlandse cameraman van blockbusters als Blade en Volcano, red.) geweldige carrière. Onderschat ook niet hoe zwaar het is om ergens anders te gaan werken. Je stapt in een grotere wereld: plots zijn er duizend regisseurs, in plaats van die een of twee met wie je in je eigen land werkte. Het is heel opwindend allemaal, maar de keuzes zijn ineens ook zo enorm.’

De Bont draaide begin jaren tachtig zijn eerste, dan nog bescheiden gebudgetteerde producties in Amerika, waar hij toen al een reputatie genoot als de cameraman van Turkish Delight (Turks Fruit). ‘Die eerste, kleine stap ín Amerika heb je nodig. Dat je kunt zeggen: ik héb al eens gewerkt met een Amerikaanse crew. Daarna moet je ook geluk hebben. Ik kon goed overweg met John McTiernan, die al mijn films uit Nederland bleek te hebben gezien. Voor Die Hard wilde hij die vrije, zwevende stijl waarmee ik filmde: alsof de camera overal per ongeluk aanwezig is, en steeds beweegt. Ik bediende mijn eigen camera, iets wat niet was toegestaan bij de grote studio’s.’ (In het Amerikaanse studiosysteem gelden strikte vakbondsregels. De director of photography hanteert zelden zelf de camera’s, dat doen zijn ‘operators’, red.). ‘Totaal illegaal, maar Paramount stond er helemaal achter. Ze huurden een gepensioneerde operator in die er alleen maar bij hoefde te staan op de set, zodat niet kon worden beweerd dat ik iemands baan afpakte. We werden vrienden trouwens, die man en ik. En de studio zag wat ik deed en geloofde erin: daarna werkte ik ook zo voor The Hunt for Red October.’

Van Hoytema ontmoette hij nog niet, al wonen ze allebei in Los Angeles. ‘Het grappige aan directors of photography is dat die elkaar zelden tegenkomen: ze zijn altijd aan het werk, meestal ergens op locatie. Zelfs tijdens grote evenementen, zoals de Oscars. Maar Hoyte is duidelijk op zijn plek hier. Hij viel op, werd opgepikt. Great! Voor Hoyte komt het nu aan op lange adem. Hij is begin 50, nog steeds jong voor een cameraman.’

Wie iets wil weten van Nederlandse cameramannen in de VS komt automatisch uit bij Kees van Oostrum (70). Die is zelf zo’n in Amerika werkzame cameraman (Gods and Generals), nu al een halve eeuw. Maar hij is tevens oud-voorzitter van de in 1919 opgerichte American Society of Cinematographers (ASC), waarbij alle grote in Amerika werkzame camerapersonen zijn aangesloten. Hij was het ook die zijn verontwaardigde vakgenoten aanvoerde toen de Academy in 2019 bedacht dat de camera-Oscar (samen met enkele andere categorieën) ook wel tijdens de reclamepauze van de show kon worden uitgereikt. De beslissing werd prompt teruggedraaid. ‘Het grappige is’, zegt Van Oostrum, ‘dat iedereen altijd in Hollywood wil werken, terwijl het hier eigenlijk voorbij is. Je hoeft hier niet meer te zitten voor je contacten: vooral de laatste tien jaar is de hele industrie geglobaliseerd. Je eerste gesprek gaat toch altijd via zoom, daarna vliegen ze je naar Los Angeles, of meteen naar de locatie van de set. De business zit hier, maar het draaien gebeurt op andere plekken. Londen is nu het centrum van de grotere en middelgrote speelfilm, en daarna Boedapest. In Los Angeles worden vooral televisieshows gedraaid. Vorige week sprak ik Russell Carpenter, cameraman van Avatar, die me vertelde dat hij naar Bali verhuist: ook vanuit daar kan hij prima de volgende delen draaien. Hoyte zou inmiddels ook overal kunnen wonen.’

De gebruikelijke manier om als camerapersoon in het Hollywoodcircuit terecht te komen is onveranderd: die ene opvallende film. ‘Daarbij ben je toch afhankelijk van de regisseur. Jan de Bont had Paul Verhoeven, Rogier Stoffers (John Q, Disturbia) had Karakter, van Mike van Diem. Robby Müller kwam via Wim Wenders de wereld in. Je ziet het nu met Jasper Wolf gebeuren (die zijn eerste Amerikaanse film draaide met Halina Reijn, Bodies Bodies Bodies, red.).’

Dat de Nederlandse speelfilm nu al een hele poos droog staat wat Oscarnominaties betreft, heeft effect. ‘Omdat Nederlandse regisseurs momenteel niet echt slagen op internationaal vlak, breken hun directors of photography ook minder snel door. Mark van Aller bijvoorbeeld, zou het hier ook kunnen lukken (Bankier van het verzet), net als Lennert Hillege (De slag om de Schelde) of Myrthe Mosterman (Vlekkeloos, Goud). Een cameraman doet in zijn carrière zo’n veertig à vijftig films, een regisseur misschien tien. Dat kan ook iets van een disbalans gaan vormen, in ervaring.’

Belgische regisseurs doen het wel opvallend goed over de grenzen, ook bij de Oscars. Zo was Lukas Dhonts drama Close eerder dit jaar genomineerd; het camerawerk is van de in België opgeleide Nederlander Frank van den Eeden.

Van Oostrum woont in dezelfde buurt van Los Angeles als Van Hoytema. ‘Af en toe s Source: Volkskrant

Previous

Next