Als Hasan Aljalam zijn ogen dicht doet, hoort hij geschreeuw. In zijn hoofd weergalmen de laatste noodkreten van honderden mensen, gevangen in de buik van het omgeslagen schip. ‘Ik denk er elke seconde aan’, zegt Aljalam (29) zacht. Hij zat tijdens het omslaan op het bovendek en had dus het ‘geluk’ dat hij, toen het schip omsloeg, niet opgesloten zat maar het water ingeslingerd werd.
De Syriër is een van de 104 overlevenden van de schipbreuk bij Pylos op 14 juni. Nu woont hij in het containerkamp Malakasa, ten noorden van Athene. Zijn blik is veelal op de grond gericht, terwijl hij zijn verhaal vertelt in een café in de buurt van het opvangkamp. ‘Griekenland is voor mij een nachtmerrie’, fluistert de voormalig student diergeneeskunde. Alles in het land doet hem denken aan de rampnacht.
Over de auteur
Rosa van Gool is correspondent Italië, Griekenland en de Balkan voor de Volkskrant. Zij woont in Rome.
Op 12 april verlaat Aljalam zijn woonplaats Dera, in het zuiden van Syrië. Met de auto bereikt hij Libanon. Van daaruit vliegt hij naar Egypte, waar hij overstapt op een vliegtuig dat hem naar het Libische Benghazi brengt. Het eerste deel van de reis kost hem 1.500 dollar (1.350 euro), die hij al voor vertrek uit Dera betaalt aan een smokkelaar.
Maar het duurste, moeilijkste en gevaarlijkste deel van de reis moet dan nog beginnen. Wekenlang wordt hij samen met een groep mede-migranten door de smokkelaars van het ene naar het andere ‘pakhuis’ vervoerd, op elkaar gepropt in koeltrucks. Allemaal in de buurt van Tobroek, Oost-Libië. Totdat ze, op de vroege ochtend van 9 juni, op het strand worden gedropt.
Daar brengt een smokkelaar hen – een groep van zo’n dertig personen – met een klein sloepje naar de Adriana, een van oorsprong Egyptische vissersboot met een ruim, een beneden- en een bovendek. Er zijn pas enkele tientallen mensen aan boord als hij aankomt. Toch heeft Aljalam er geen goed gevoel bij. ‘Toen ik het schip zag, wilde ik terug.’
Maar hoe onbetrouwbaar de boot er ook mag uitzien, gewapende smokkelaars garanderen op deze route eenrichtingsverkeer. Aljalam volgt zijn medepassagiers gedwee. Eerst naar de fridge, de raamloze buik van het schip waarin ooit vis vervoerd werd, en waar zich tijdens de reis waarschijnlijk de meeste mensen bevinden.
Hij kijkt om zich heen en besluit zonder lang te twijfelen om de extra kosten neer te tellen voor een plaats op het bovenste dek: de 25 dollar extra vallen in het niet bij de 4.500 dollar (ruim 4.000 euro) die hij voor de reis neertelde. Aljalam zit dicht bij de stuurhut. In de brandende zon en opeengepakt, maar in elk geval is er frisse lucht.
Een paar meter verderop nemen ook de Syriërs Nemr (22), Zain (25) en Alloush (24) hun plaats in, na via hetzelfde procédé te hebben bijbetaald voor een plek op het bovendek. Anders dan Hasan Aljalam, die zij niet kennen en tijdens de reis ook niet ontmoeten, willen de drie jongens hun verhaal alleen onder een gefingeerde naam aan de Volkskrant vertellen. Zij willen wel op de foto.
Nemr, student werkbouwtechniek met een bijbaan als barbier, reist samen met zijn neef Hamza (21), die alles regelde vanuit Damascus. Alloush, die hiervoor in een vluchtelingenkamp in Jordanië woonde, voegt zich in een Libisch pakhuis bij de neven. Zain kent de jongens nog uit hun oude buurt in Syrië.
‘De eerste dag heb ik alleen maar overgegeven’, herinnert Nemr zich een maand later op een terras in Athene. ‘Ik was te ziek om bang te zijn.’ De opwinding overheerst die eerste dagen, zo vertellen ook de andere jongens. Eindelijk hebben ze Libië achter zich gelaten en gaan ze naar Italië. De bestemming waar de passagiers hun duurbetaalde ticket voor hebben gekocht. Drie dagen zeeziek is een overkomelijke extra prijs, denkt Nemr dan nog. Er is de eerste dagen weliswaar veel ongemak – het schip is te vol om languit te kunnen slapen of je te verplaatsen – maar er is geen sprake van paniek. Zondagavond of uiterlijk maandagochtend zijn jullie in Italië, belooft de Egyptische bemanning.
Als er op maandagmiddag 12 juni nog steeds geen land in zicht is, begint Hasan Aljalam zich voor het eerst zorgen te maken. Het drinkwater aan boord raakt langzaam op, terwijl de zon nog steeds ongenadig hard op hen schijnt. Nemr denkt terug aan het vertrek uit Tobroek, waar hij een lid van de bemanning grote pakken water van de boot zag gooien, ‘zodat er meer mensen op pasten’.
Het is dinsdagochtend vroeg. Nog steeds ziet Aljalam om zich heen niets anders dan zee en lucht. Italië is nergens te bekennen, zijn keel voelt steeds droger. Het water is op. Medepassagiers nemen hun toevlucht tot het koelwater van de motor, de jerrycan waarin ze eerder plasten of water uit de zee. ‘We deden er dadels bij’, vertelt Alloush, ‘om de zoute smaak minder erg te maken.’
Twee van de vier op het bovendek aanwezige kinderen zijn dan al overleden door uitdroging, verklaren de mannen. Er ontstaat onrust onder de passagiers, die van de Egyptische kapitein – de enige met een satelliettelefoon, die op zee nodig is voor bereik – eisen dat hij een noodoproep doet. Ze willen Alarmphone bellen, de ngo-telefoonlijn voor migrantenboten in nood.
Na lang tegenstribbelen geeft de kapitein toe aan het verzoek. Een van de vrouwen komt naar de hut om mee te praten aan de telefoon, zodat het de andere kant van de lijn duidelijk is dat er gezinnen meevaren. Volgens Aljalam zijn er rond de tien vrouwen op het bovendek, een schatting die ook Nemr, Zain en Alloush realistisch achten.
De vrouw aan de andere kant van de lijn heeft hun in het Arabisch verzekerd dat er hulp aankomt, hoort Aljalam na de noodoproep van medepassagiers die dichter bij de stuurhut zitten. Het nieuws verspreidt zich snel over het bovendek.
Aan de lucht hoort Nemr een eerste teken van hoop: gezoem. Waarschijnlijk is het een drone van Frontex, die de eerste beelden van de Adriana maakt, op 13 juni om 09.49 uur. Later hoort hij nog een helikopter. Bij het minste of geringste geluid beginnen de jongens te zwaaien met hun T-shirts, in de hoop iemands aandacht te trekken.
Die middag doemt er na dagen varen eindelijk een ander vaartuig aan de horizon op: een commercieel schip dat vaart onder Maltese vlag. De Lucky Sailor maakt hoge golven die de vissersboot flink doen slingeren, maar het Maltese schip geeft via een touwverbinding ook eten en drinken. De bemanning pikt het water direct zelf in, ziet Alloush. ‘Maar ik dronk liever uit de zee dan met hen te vechten.’
De Lucky Sailor verdwijnt uit zicht. Er verschijnt een nieuw schip, een olietanker onder Zweedse vlag. Deze Faithful Warrior zal hen echt gaan redden, denkt Nemr. De kapiteins manoeuvreren de schepen zo dat ze parallel aan elkaar liggen, al is de olietanker vele malen groter dan de migrantenboot. Weer wordt er drinkwater aan boord gehesen, en weer vissen de passagiers en de jongens achter het net. ‘Maar het maakte me niet meer uit’, zegt Zain. ‘We zouden een paar uur later toch in Italië zijn.’ Ook de Faithful Warrior verdwijnt, zonder mensen aan boord te nemen. Het is donker, de Adriana dobbert eenzaam voort.
Dan verschijnt er een Grieks reddingsschip. Volg ons, dan brengen we jullie naar de Italiaanse zoek- en reddingszone, zo luidt de boodschap, aldus de overlevenden. Maar de Adriana komt niet meer vooruit: de motor is kapot. Daarop maken de Grieken een blauw touw aan de voorkant van de vissersboot vast, verklaart Aljalam, iets links van het midden. Ook de andere jongens, die verder naar achteren zitten, zien dit. Het eerste trouw breekt. Er volgt een tweede touw, en een harde ruk die de migrantenboot uit balans brengt.
Het schip zwenkt links naar beneden, zegt Nemr, naar de kant waar hij zit. Veel passagiers verplaatsen zich in reactie daarop naar rechts, waardoor juist de linkerkant van de boot omhoog komt en het schip rechts omslaat. Sommige mannen kunnen zich vastgrijpen aan de reling, maar anderen slaan overboord en belanden onder de kapseizende boot.
Zain, die in Syrië als badmeester heeft gewerkt en olympische zwemambities heeft, weet zich al snel boven water te werken en zich drijvende te houden. Onder water voelt hij hoe mensen zich wanhopig aan zijn armen, benen en kleding vastklampen. Zijn jasje scheurt onder hun greep.
Nemr belandt onder het schip maar weet toch boven te komen. Hij houdt zich vast aan de omgeslagen boot, totdat die naar de bodem van de zee zinkt. Dan gaat hij zwemmen tot hij niet meer kan, hij draait zich vermoeid om op zijn rug. ‘Ik was klaar om te sterven.’
Ook Alloush en Hasan Aljalam zijn ervan overtuigd dat ze zullen sterven. Naar eigen zeggen ligt Aljalam tweeënhalf uur in het water voordat de Griekse kustwacht hem eruit haalt. Zwemmer en badmeester Zain is inmiddels zelf naar het Griekse reddingsschip gezwommen, die volgens de jongens het eerste half uur na de ramp op afstand blijft liggen zonder iets te doen.
Zain wordt als eerste uit het water gehaald en gaat mee op een reddingsspeedboot om anderen te helpen. Overal ziet hij groepjes mensen zwemmen. Het zijn er te veel om te redden. Hij haalt Nemr uit het water, die steeds de naam van zijn neef roept. ‘Hamza, zoek Hamza!’, schreeuwt hij.
Op het terras in Athene slaat Nemr zijn lichtgrijze ogen neer. Hamza is dood. Net als honderden anderen zonk hij naamloos naar de diepe bodem van de zee. Na de redding door de Griekse kustwacht werden de overlevenden overgebracht naar een luxejacht dat in de buurt was.
Dat schip bracht hen aa Source: Volkskrant