Nederlands onbehagen is als een ongelukkige op zijn eigen feestje: het was hier toch goed toeven? Wat scheelt er dan?
Onderzoek na onderzoek met veelzeggende titels verschijnt: de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid kwam met Onzekerheid, maatschappelijk onbehagen en persoonlijke controle. Het Sociaal en Cultureel Planbureau publiceerde Somber over de samenleving.
Over de auteur
Margriet Oostveen schrijft voor de Volkskrant over sociale wetenschappen, geschiedenis en maatschappij. Eerder trok ze tien jaar als columnist door Nederland.
Zulke rapporten brengen netjes in kaart wat Nederlanders vinden, maar minder welke maatschappelijke oorzaken dat zou kunnen hebben. Daarover gaat het boek Onbehagen van Paul Verhaeghe, Vlaams psychoanalyticus, doctor in de klinische psychologie en emeritus hoogleraar aan de Universiteit Gent.
Onbehagen is een vervolg op Verhaeghes eerdere bestsellers Identiteit (2012), Autoriteit (2015) en Intimiteit (2018). Op basis van wetenschappelijk onderzoek probeert hij te verklaren waar een breed gevoel van verlies en boosheid in de samenleving vandaan zou kunnen komen.
‘Ik heb psychologie gestudeerd, maar ik heb al snel moeten vaststellen dat de belangrijkste psychologie de sociale psychologie is. Alles lijkt tegenwoordig over het ik te gaan, terwijl we door en door verbonden zijn. Wij zijn sociale zoogdieren en dat zijn we misschien vergeten. Als een lid van een sociale diersoort uitgesloten wordt, dan wordt het ziek. Dat is het allerbelangrijkste om te weten voor het verhaal dat ik wil uitleggen.’
Psychologisch onderzoek wil altijd individuele kenmerken meten, zegt Verhaeghe, ‘maar die zijn een illusie.’
‘Ik ga je een mooi voorbeeld geven. Ken je de marshmallowtest, dat beroemde experiment van de Stanford-universiteit? Een groep kleuters krijgt van de proefleider een snoepje en de boodschap: ik ga even weg, als je het snoepje laat liggen tot ik terugkom, dan krijg je er twee. En dan zien we dat een groep kinderen dat wel kan en een andere groep kinderen niet. En dan luidt de conclusie dat dit een effect is van een individueel kenmerk: zelfbeheersing.’
Het onderzoek werd vooral zo beroemd, omdat de kinderen daarna veertig jaar lang zijn gevolgd. De kinderen die zich het best hadden beheerst werden op vrijwel alle vlakken succesvoller: betere schoolresultaten, betere relaties, betere prestaties op het werk.
Maar toen, zegt Verhaeghe, verscheen tien jaar geleden een Amerikaans vervolgonderzoek. Voordat het snoep weer op tafel kwam, kreeg een deel van deze kinderen te maken met een onbetrouwbare proefleider (die bracht geen kleurkrijtjes, zoals was beloofd). ‘Daarna begon de marshmallowtest en de meeste kinderen die met de onbetrouwbare proefleider te maken hadden, aten de eerste marshmallow snel op.’
‘Toen is ook nog onderzocht wat de achtergrond van de proefkinderen was. De kinderen die volhielden en de eerste marshmallow toch niet opaten, kwamen uit veilig gehechte milieus. Die hadden daardoor vertrouwen in de proefleider. Maar de kinderen uit een minder veilige omgeving reageerden anders. Die vertrouwden er niet meer op dat ze twee marshmallows kregen.’
‘Dat wel, maar je moet altijd oppassen te veel verantwoordelijkheid op het individu af te schuiven. Zonder het vervolgonderzoek zou je zeggen dat deze kinderen een slechte zelfbeheersing hebben. Nu blijkt dat het resultaat te zijn van opgroeien in een onveilige omgeving.’
‘Van de wederopbouw tot de jaren tachtig. Ik ben opgegroeid in het plaatsje Gits. Ik herinner me van de wederopbouw alleen maar optimisme. Het ging elk jaar beter. Er werd samengewerkt. Dat eindigde in de jaren tachtig. De textielbedrijven in mijn dorp, die waren gegroeid uit burgercollectieven, werden opgekocht door Levi Strauss. Ik herinner me ook nog goed dat Coca-Cola naar Vlaanderen kwam. De man die dat leidde was de vader van een vriendje. En ik hoorde die man vertellen dat ze niets meer zelf mochten beslissen.
‘Ik denk dat we terugkijkend ook het meest autonoom waren tussen pakweg 1970 en 1990. Toen we net van de verzuiling bevrijd waren door de jaren zestig en nog niet overgenomen door de economie. In die periode werden we autonoom op een aantal morele vlakken: seksualiteit, man-vrouwverhouding, religie, maar ook in ons professionele leven.’
‘Ja. Elk mens is gelijkwaardig, maar niet gelijk. Daarom leven we in een hiërarchische structuur. Sociale zoogdieren aanvaarden deze sociale ongelijkheid uitstekend, zolang het bijbehorend gezag eerlijk en betrouwbaar is. Bij onrechtvaardige ongelijkheid komen ze in opstand.’
Verhaeghe baseert zich op het werk van primatoloog Frans de Waal. Zie het filmpje ‘Two Monkeys Were Paid Unequally’ op YouTube: twee kapucijnaapjes moeten een opdracht voor De Waal uitvoeren (een steentje geven) en worden daarvoor beloond met een stukje komkommer. Ze gaan braaf aan het werk. Tot een van de aapjes, zichtbaar voor de ander, een druif krijgt. Als het andere aapje toch weer komkommer krijgt, begint die er woedend mee te smijten. De Waal noemde het zelf een vorm van ‘protest op Wall Street’.
‘De Britse epidemiologen Richard Wilkinson en Kate Pickett lieten al zien hoe de kwaliteit van een samenleving is af te meten aan de ontwikkeling van een reeks psychosociale kenmerken. Van geestelijke en mentale gezondheid tot drugsmisbruik en obesitas, van vertrouwen en gemeenschapsleven tot sociale mobiliteit en het welzijn van kinderen: landen met grote ongelijkheid scoren daarop stukken slechter dan de landen met minder ongelijkheid.
‘Onderzoek van het Internationaal Monetair Fonds en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling wijst hetzelfde uit, en die kun je er moeilijk van verdenken linkse rakkers te zijn. Zij stellen dat ‘minder ongelijkheid goed is voor iedereen’.
WIJ/ZIJ-MAATSCHAPPIJ
Kunnen we in tijden van polarisatie nog samenwerken tegen klimaatverandering en oorlog? Wie denkt nog in termen van een algemeen belang? De Volkskrant onderzoekt in deze serie wat de wetenschap zegt, waar de struikelblokken liggen en wat we hiervan kunnen leren. Eerdere afleveringen: volkskrant.nl/WijZij
‘De aanname was altijd dat rijkdom in de bovenlaag vanzelf doorstroomt naar beneden: het ‘trickle-downeffect’. Al gebruik ik liever het beeld van een champagne-piramide. En nu blijkt dus al een hele tijd dat het exact omgekeerd is. Als je de economie wil bevorderen, moet je de onderkant stimuleren. En dat gebeurt dan tóch niet.’
Vlamingen noemen zo’n gegeven ‘vies’, zegt Verhaeghe. Lelijk.
En Nederland benadert qua vermogensongelijkheid de VS, berekenden vier Nederlandse economen al eens, onder wie de voormalig directeur van het Centraal Planbureau, Coen Teulings.
‘Dat de middenklasse onder vuur ligt, klopt voor geen meter. Daar is men er báng voor: de zogeheten ‘fear of falling’. Omdat ze zien wat er met de onderste 10 procent gebeurt: díé krijgt de harde klappen. Dan is het dus opvallend dat de overheid die onderste groep vervolgens bijna uitsluitend gaat controleren en bestraffen.
‘In Nederland was het dieptepunt natuurlijk de toeslagenaffaire. Maar je ziet het ook bij het verstrekken van uitkeringen. Het gaat om een combinatie van controleren en dat het kennelijk niet erg is om juist die mensen te pakken.’
‘Kwaliteitsmetingen’ zijn verborgen rendementsmetingen, schrijft Verhaeghe: hoeveel ouderen kun je per uur verschonen?
‘En dat mag, omdat het wantrouwen er al is. Omdat deze mensen niet genoeg bijdragen aan onze opstuwende economie. Terwijl de bovengroep nauwelijks wordt gecontroleerd.’
‘De luidste klacht is het verlies aan autonomie. We moeten ons voortdurend onderwerpen aan anonieme regels en cameracontroles. Vooral op het werk zijn we dankzij protocollen en efficiencymetingen onze zeggenschap kwijt en gereduceerd tot ‘uitvoerders’.
‘Maar het grootste probleem is te lang onder de radar gebleven. Dat is het verlies van verbondenheid, met als resultaat eenzaamheid. Automatisering veegt volledige beroepsgroepen en hun collectieve identiteit weg, zoals fabrieksarbeiders en winkelpersoneel.
‘Bovendien vraagt verbondenheid om vertrouwen in de ander en in een gemeenschappelijk doel. Maar die ander is door de economische politiek vooral een concurrent geworden. Onze doelen zijn nu individueel.’
‘Dat zie je het pijnlijkste rond het woord ‘vrijheid’. Ooit betekende vrijheid zeggenschap voor een groep. Tegenwoordig gaat het over ‘mijn individ Source: Volkskrant