Home

Waarom is de een van nature positief en de andere negatief? Het raadselachtige samenspel van genen en omgeving

De gelukkigste man ter wereld werd in Duitsland geboren, in 1920. Eddie Jaku groeide op in een gezin dat zich altijd meer Duits dan Joods had gevoeld, tot de Tweede Wereldoorlog uitbrak.

Zijn vader en zijn moeder werden vermoord in Auschwitz. Zelf overleefde hij het concentratiekamp en de dodenmarsen die daarop volgden ternauwernood.

Toen Jaku na de oorlog trouwde en een zoon kreeg, maakte hij een afspraak met zichzelf. Voortaan zou hij elke dag lachen, hij zou altijd vriendelijk en beleefd zijn en andere mensen helpen. En hij zou nooit meer voet op Duitse bodem zetten.

Aan die beloften heeft hij zich gehouden, vertelde de toen 99-jarige Jaku een paar jaar geleden in een Ted-talk die hem beroemd zou maken. Het verleden in de ogen kijken zonder haat te koesteren en altijd blijven lachen; het is volgens de Holocaust-overlevende de blauwdruk voor een gelukkig leven.

Eddie Jaku overleed twee jaar geleden op 101-jarige leeftijd, maar niet voor hij zijn autobiografie had gepubliceerd: De gelukkigste man ter wereld.

Over de auteur
Kaya Bouma schrijft voor de Volkskrant over psyche, brein en gedrag. Ook schrijft ze over de geestelijke gezondheidszorg.

Het verhaal van Jaku is uitzonderlijk. Hij was veerkrachtig onder buitengewoon zware omstandigheden. Maar dat ook in het dagelijks leven sommige mensen tegenslag makkelijker van zich afschudden dan anderen, zal voor velen herkenbaar zijn.

Volkskrant-lezers verbazen zich over die grote verschillen. ‘Wat bepaalt hoeveel veerkracht iemand heeft?’, mailt een lezer bijvoorbeeld. ‘Hoe komt het dat sommige mensen van nature zwaarmoedig zijn en anderen in moeilijke omstandigheden blijven lachen en doorgaan met hun leven?’, schrijft een andere lezer. ‘Met andere woorden: hoe kan het dat voor de een het glas half leeg is en voor de ander het glas half vol?’

Het is een vraag waaraan Meike Bartels haar wetenschappelijke carrière wijdt. Bartels is hoogleraar genetica en welbevinden aan de Vrije Universiteit (VU). Na haar promotieonderzoek over emotionele en gedragsproblemen bij kinderen, realiseerde ze zich dat zij en veel van haar vakgenoten zich vooral bezighielden met mensen die worstelen met het leven.

‘De focus lag altijd op de 20 procent die psychische problemen krijgt, terwijl het met de overige 80 procent goed gaat’, vertelt ze in haar kantoor op de vijfde verdieping van de medische faculteit. De muren heeft ze versierd met optimistische leuzen als ‘Do what makes you happy’ en ‘Happy looks good on you’.

Bartels: ‘Ik vroeg me af: waarom doen we geen onderzoek naar de mensen met wie het goed gaat? Het is toch even belangrijk om te weten waarom iemand geen psychische problemen krijgt?’

Geluk en optimisme zijn haar onderzoeksspecialiteiten geworden. ‘Ik ben geïnteresseerd in de vraag waarom de een makkelijker gelukkig is dan de ander.’ Het korte antwoord op die vraag is simpel, zegt ze. ‘Het is een samenspel van genetische aanleg en de omgevingsfactoren.’

Met andere woorden: persoonlijkheid (hoe iemand denkt, zich voelt en gedraagt) is een mix van genen, opvoeding en levenservaringen. Maar hoe die mix precies in elkaar steekt, welke levensgebeurtenissen bij wie de meeste invloed hebben en hoe genen en opvoeding op elkaar inwerken, dat is raadselachtig.

Eerst terug naar de basis. Wat betekent dat eigenlijk: het glas half vol? Wat is optimisme voor eigenschap? ‘Optimisme is de verwachting dat het in de toekomst goed zal komen’, zegt Madelon Peters, hoogleraar experimentele gezondheidspsychologie aan de Universiteit Maastricht.

Peters heeft jarenlang onderzoek gedaan naar patiënten met chronische pijnklachten. ‘Er zijn een heleboel mensen die chronische pijn hebben en zich helemaal niet zo op de kop laten zitten door die pijn. Ze kunnen er goed mee leven. Ik ben gaan kijken: hoe kan dat nou? Optimisme bleek daarin een belangrijke rol te spelen.’

Wie optimistisch is, gaat ervan uit dat hem of haar meer positieve dan negatieve dingen zullen overkomen. Voor een pessimist geldt het omgekeerde.

Als wetenschappers willen weten hoe optimistisch of pessimistisch iemand is, meten ze dat op basis van zelfrapportage: de antwoorden die een proefpersoon geeft over zichzelf. Dat doen ze al decennia op basis van tien korte stellingen. Zoals: ‘Ik ben altijd optimistisch over mijn toekomst.’ Of: ‘Ik verwacht zelden dat mij goede dingen overkomen.’

Wie wil kan de zogeheten LOT-R test hier in een paar minuten tijd doen, in het Engels.

Veerkracht is een ingewikkelder begrip, zegt Peters. ‘De meest aanvaarde definitie komt erop neer dat je pas weet of iemand veerkrachtig is als hij of zij een vervelende gebeurtenis heeft meegemaakt en toch goed blijft functioneren, geen posttraumatische stressstoornis krijgt.’

Anders verwoord: veerkracht is overeind blijven onder moeilijke omstandigheden.

Hoewel optimisme en veerkracht met elkaar samenhangen, is iemand die optimistisch is niet per definitie veerkrachtig. ‘Optimisme kan een bron zijn van veerkracht’, zegt Peters. ‘Het maakt dat mensen wellicht veerkrachtiger zijn, maar je weet het pas echt als iemand in een moeilijke situatie komt.’

Optimisten en pessimisten gaan anders om met tegenslag. Optimisten zien tegenslag als uitzondering op de regel en problemen gaan ze sneller aan, zegt Bertus Jeronimus. Hij is universitair docent ontwikkelingspsychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen en doet onderzoek naar verschillen in persoonlijkheid en welbevinden (geluk).

‘Een pessimist gaat problemen, en het risico daarop, eerder uit de weg. Als een pessimist tegenslag heeft, zal hij geneigd zijn te denken: dat overkomt mij ook altijd.’

Het gevoel controle te hebben speelt een rol. Een optimist heeft meer dan een pessimist het gevoel zeggenschap te hebben over het leven. Problemen zijn vervelend, maar oplosbaar. Jeronimus: ‘Het punt is: voor sommige mensen is dat ook méér waar dan voor anderen. Als je meer onderwijs hebt genoten en een goed inkomen tot je beschikking hebt, heb je ook meer mogelijkheden. Zulke mensen zijn over het algemeen ook optimistischer.’

Het is terug te zien in internationaal vergelijkend onderzoek. In westerse landen, waar het bruto nationaal inkomen hoog is en de overheid (relatief) betrouwbaar, zijn mensen gemiddeld optimistischer dan bijvoorbeeld in veel Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara, waar het inkomen vaak (vele malen) lager is en burgers van de overheid weinig hoeven te verwachten.

Maar het verschil tussen landen is klein, vergeleken met de verschillen binnen landen, benadrukken onderzoekers. Wereldwijd zijn de meeste mensen eerder optimistisch dan pessimistisch ingesteld. Dat is soms bijna op het absurde af, zegt Peters. Het merendeel van de mensen heeft een ‘overdreven optimistisch’ beeld van hun kansen in het leven, ook als ze geconfronteerd worden met de realiteit.

Ze wijst op een Brits experiment waarbij proefpersonen moesten inschatten hoe groot de kans is dat hun iets negatiefs zou overkomen. ‘De kans dat ze een auto-ongeluk zouden krijgen, dat ze slachtoffer zouden worden van een roofoverval, of dat ze kanker zouden krijgen. De meeste mensen schatten dat te positief in. Vervolgens kregen ze de echte cijfers voorgelegd en moesten ze hun kansen opnieuw inschatten. Zelfs dan bleven mensen de kans onderschatten.’

Daar komt bij: persoonlijkheid is niet in beton gegoten. Hoe optimistisch iemand is, kan variëren. Jaap Denissen, die als hoogleraar ontwikkelingspsychologie aan de Universiteit Utrecht onderzoek doet naar psychologische veranderingen gedurende het leven, onderscheidt drie niveaus.

Allereerst is er het niveau van dag tot dag. ‘Op dat niveau spelen alledaagse tegenslagen een rol: heb je die dag net een lekke band gehad, dan ben je misschien minder positief.’

Dan is er het niveau van maand tot maand en van jaar tot jaar. Dat hangt samen met levensgebeurtenissen: word je ontslagen of krijg je juist de baan die je zo graag wilde; ben je verliefd of ga je scheiden. Stuk voor stuk grote gebeurtenissen die invloed hebben op hoe mensen de wereld zien, al is dat vaak een tijdelijk effect. Bij de één duurt het langer dan bij de ander, maar over het algemeen komen veel mensen weer terug op het basisniveau, het derde niveau.

Denissen: ‘Dat is het stabiele stuk: hoe optimistisch je in de basis bent.’ Dat bestaat voor een deel uit genetische aanleg en voor een deel uit omgevingsfactoren.

‘Het ingewikkelde is’, zegt Denissen, ‘je kunt genetisch de aanleg hebben om optimistisch te zijn, maar opgroeien in een omgeving die je pessimistisch maakt, bijvoorbeeld omdat je een onbetrouwbare vader of moeder hebt. Als die hechting mis gaat in de vroege jaren, kan er iets in je persoonlijkheid anders vast gaan zitten.’

Hier komen we op het terrein van Meike Bartels, hoogleraar genetica en welbevinden. Zij heeft onderzocht hoe groot de genetische component is bij geluksgevoel en optimisme. ‘Zo’n 35 tot 40 procent van de verschillen in geluksgev Source: Volkskrant

Previous

Next