Home

Grote techbedrijven zijn te belangrijk op de Amerikaanse beurs, dus worden ze bijgeknipt

Het succes van gigantische technologiebedrijven kan gevaarlijk zijn voor wie in een index belegt. Van de verhoopte spreiding van risico’s blijft soms niet veel over. Vandaar dat beursuitbater Nasdaq ingrijpt, en onder meer Amazon, Apple en Microsoft wat kortwiekt.

Beleggen kan je op twee manieren doen: actief of passief. In het eerste geval ga je zelf aandelen, obligaties en andere effecten uitkiezen (of betaal je iemand om dat voor jou te doen). Bij passief beleggen stop je geld in een product dat een index volgt. Denk bijvoorbeeld aan de AEX voor wie wil beleggen in de 25 grootste beursgenoteerde ondernemingen in Nederland, of de S&P 500, die de vijfhonderd grootste beursgenoteerde bedrijven in de Verenigde Staten omvat.

Het grote voordeel van indexbeleggen is dat je inleg doorgaans gespreid is over verschillende bedrijven in verschillende sectoren, en vaak ook nog in verschillende regio’s. Dit verlaagt het risico op grote verliezen, omdat er zelfs in slechte tijden bedrijven zijn die goed presteren. Het nadeel is uiteraard dat je markt (die de index volgt) nooit kan kloppen. Vanwege de (weliswaar beperkte) beheerskosten zal je het zelfs altijd iets slechter doen. Aan de andere kant is het welbekend dat het merendeel van de actieve beleggers op de langere termijn slechter presteert dan de benchmark.

Over de auteur
In Van Kapitaal Belang duikt verslaggever Daan Ballegeer in boeiende en opmerkelijke economische gebeurtenissen.

De eerste beursindex ter wereld kwam aan het eind van de negentiende eeuw uit de koker van Charles Dow, en heette de Railroad Average (later omgedoopt tot Dow Jones Industrial Average, ofwel DJIA). Voor het idee van een beleggingsfonds dat deze index nabootste, was het wachten tot 1960. Edward Renshaw en Paul Feldstein van de University of California ontdekten toen dat slechts 11 van de 89 beleggingsfondsen die ze hadden bestudeerd, een hoger rendement haalden dan de DJIA.

Indexbeleggen was echter een idee dat zijn tijd ver vooruit was (Andrew Lo, hoogleraar economie aan MIT Sloan School of Management, maakte deze lezenswaardige analyse). Pas in 1976 richtte John Bogle met het Vanguard 500 Index Fund het eerste beleggingsfonds op dat was gekoppeld aan een index. Het zou nog een poos duren voordat dergelijke producten echt doorbraken. Dat gebeurde uiteindelijk dankzij technologische innovaties zoals elektronische handelssystemen en pc’s, die transacties goedkoper maakten en het beheer van indexfondsen gemakkelijker.

Vandaag de dag zijn beleggingsinstrumenten die een index volgend razend populair, of het nu gebeurt via niet-beursgenoteerde beleggingsfondsen of beursgenoteerde indexfondsen (etf’s). De verzuchtingen van beleggers om hun geld voldoende te spreiden, worden daarbij niet altijd gehonoreerd, zo illustreert het voorbeeld van de Nasdaq 100. Dat is de index met de honderd grootste bedrijven op de Amerikaanse technologiebeurs Nasdaq.

In de eerste zes maanden van dit jaar steeg de Nasdaq 100 met 39 procent. Het gros van die toename was te danken aan de zeven grootste bedrijven uit de index: Amazon, Apple, Alphabet, Meta, Microsoft, Nvidia en Tesla (onder meer gedreven door hoge verwachtingen over de gevolgen van kunstmatige intelligentie op hun verdienmodellen). Het gewicht van deze Magnificent Seven in de Nasdaq 100 is daardoor opgelopen tot 56 procent, wat vloekt met het idee van spreiding.

Maar er zitten ook praktische problemen aan. De Amerikaanse toezichthouder SEC eist dat de beheerders van fondsen die zijn gekoppeld aan de Nasdaq 100 hun vermogen voldoende diversifiëren. Daar zijn specifieke regels voor: de som van de gewichten van alle aandelen die individueel een gewicht hebben van 5 procent of meer, mag niet boven de 50 procent uitstijgen. Dat punt is gevaarlijk dichtbij gekomen.

Deze topzware verdeling gaat ook in tegen de huisregels van beursuitbater Nasdaq. Daarin staat dat de bedrijven die individueel een gewicht hebben van 4,5 procent of meer, samen niet boven de 48 procent mogen uitkomen. Vandaar dat er maandag aan de gewichten van de Nasdaq 100 wordt gesleuteld. Na de herziening zullen de Magnificent Seven nog maar voor 44 procent meetellen in de Nasdaq 100. Dat zal geen marktneutrale oefening zijn. Indexfondsen moeten aandelen van de Magnificent Seven verkopen, en die van kleinere leden van de index bijkopen.

Het probleem van representativiteit is niet beperkt tot de technologiebeurs, merkt vermogensbeheerder DWS op. ‘Het is nog vervelender in het geval van de S&P 500, die veel breder gediversifieerd is.’ Hier tekenen de Magnificent Seven voor 26 procent van de marktkapitalisatie. ‘Als belegger verwacht je met de S&P 500 Index een weerspiegeling te kopen van de Amerikaanse economie', aldus DWS. ‘Maar dat is niet het geval als de prestaties grotendeels afhankelijk zijn van minder dan een dozijn aandelen.’

Hier zit er voorlopig geen aanpassing aan te komen. Volgens de regels voor de samenstelling van de S&P 500 moet de opgetelde weging van bedrijven met een gewicht van meer dan 4,8 procent minder dan de helft van de totale index zijn. Alleen Apple (7,5 procent) en Microsoft (6,8 procent) zitten nu boven die individuele grens.

Source: Volkskrant

Previous

Next